Houding van Europa blijft erg contradictorisch

De illusie dat bedrijven uit zichzelf mensenrechten zullen respecteren wordt eindelijk doorprikt

© Wies Willems

de schamele huizen van de inheemse Wayúu-families, in de schaduw van de Cerrejónmijn in het uiterste noorden van de Colombiaanse regio La Guajira.

Multinationals aansprakelijk stellen voor mensenrechtenschendingen is een zaak van historische (klimaat)rechtvaardigheid. De geesten rijpen voor bindende regels. Toch blijft de Noord-Zuid-breuklijn moeilijk te overstijgen in de onderhandelingen over een internationaal verdrag, stelt MO*Ontwikkelaar Wies Willems vast.

Enkele jaren geleden was ik in de kustwoestijn van de Colombiaanse regio La Guajira, in het uiterste noorden van het land. Daar ligt Cerrejón, één van de grootste open steenkoolmijnen ter wereld. De schamele huizen van de inheemse Wayúu-families grenzen er aan de bergen met rotsafval van de mijn.

Ik sprak er met Luz Ángela, die vertelde over haar twee kinderen met ademhalingsproblemen als gevolg van de (wetenschappelijk aangetoonde) luchtvervuiling door de mijn. Ze was ook ongerust omdat het mijnbouwbedrijf een rivier, die essentieel is voor de water- en voedselvoorziening van de gemeenschap, wilde omleiden en droogleggen voor de uitbreiding van de steenkoolontginning.

Eerder dit jaar kocht de Zwitserse multinational Glencore de eigendomsrechten over van de twee andere mede-eigenaars van de Cerrejón-mijn, BHP Billiton en Anglo American (zij kondigden aan uit steenkool te stappen). Op die manier kan Glencore nog minstens tien jaar megawinsten maken ten koste van het klimaat en de gezondheid van families zoals die van Luz Ángela.

Colombiaanse organisaties klagen de voortdurende mensenrechtenschendingen al jaren aan bij zowel tal van nationale instanties als de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten, soms met (bescheiden) resultaat. Maar de buitenlandse moederbedrijven van Cerrejón bleven al die jaren buiten schot.

Net als de COPs stellen de onderhandelingen over het VN-mensenrechtenverdrag de nog steeds heel reële kloof tussen Noord en Zuid op scherp.

Ik denk nog regelmatig terug aan Luz Ángela. Ook afgelopen maand, toen bij de VN-Mensenrechtenraad in Genève de zevende onderhandelingsronde over een bindend VN-verdrag rond bedrijven en mensenrechten plaatsvond. Het doel van dat verdrag is om een einde te maken aan de straffeloosheid waarmee multinationals zoals Glencore blijven wegkomen. De zaak rond Cerrejón stond centraal in één van de side-events.

De onderhandelingen over het VN-verdrag vertonen wel wat gelijkenissen met de klimaattoppen, al zijn ze wel wat kleinschaliger en staan ze niet meteen op de radar van de meeste media. Net als de COPs stellen ze de nog steeds heel reële kloof tussen Noord en Zuid op scherp.

Hour.poing / Wikimedia (CC BY-SA 4.0)

De Cerrejónmijn, een van de grootste open steenkoolmijnen ter wereld.

Waar financiële solidariteit tussen landen bijvoorbeeld steevast één van de hete hangijzers is op de klimaattoppen, ligt de focus in de jaarlijkse bijeenkomsten over het VN-verdrag op de aansprakelijkheid van multinationale ondernemingen (hoofdzakelijk gezeteld in ‘het globale Noorden’) voor schendingen van mensenrechten elders ter wereld (overwegend in ‘het globale Zuiden’): hetzij via hun eigen activiteiten, of via die van dochterbedrijven en toeleveranciers waarover ze controle uitoefenen.

En net als op de COPs bijten de onderhandelaars over het verdrag al jaren hun tanden stuk op deze rechtvaardigheidskwesties.

Ter herinnering: de gesprekken over een bindend internationaal verdrag rond bedrijven en mensenrechten begonnen in 2014. In grote lijnen gaan de discussies over drie cruciale kwesties, waarvoor het verdrag wettelijke aansprakelijkheid wil vastleggen: preventie van schendingen, toegang tot rechtspraak en rechtsherstel.

Vandaag zijn er al vrijwillige VN-Richtlijnen rond Bedrijfsleven en Mensenrechten, die in 2011 unaniem door diezelfde Raad werden aangenomen. Maar deze Richtlijnen hebben volgens tal van studies, waaronder van het Europees Parlement, te weinig concrete resultaten opgeleverd – zowel wat betreft duurzamere bedrijfspraktijken als wat betreft rechtvaardigheid voor slachtoffers van schendingen.

Europese onwil

De illusie dat bedrijven wel uit zichzelf zullen veranderen, lijkt stilaan doorprikt.

Rijpen de geesten ondertussen voor bindende internationale regels? Zeven jaar later is het debat wel degelijk geëvolueerd, mede “dankzij” de urgentie van de klimaatcrisis en precedenten zoals het (voorlopige) vonnis in de zaak-Shell, waarin expliciet naar de zorgplicht van bedrijven verwezen wordt. De illusie dat bedrijven wel uit zichzelf zullen veranderen, lijkt stilaan doorprikt.

Verschillende landen hebben ondertussen al nationale wetgeving aangenomen. Grote cacaobedrijven roepen zelf op tot internationale zorgplichtwetgeving. Al moet je dergelijke oproepen met gezonde achterdocht bekijken, ze zijn wel een teken des tijds. Een recente YouGov-peiling wijst dan weer op het zeer grote draagvlak voor strenge wetgeving bij de bredere bevolking in verschillende Europese landen, waaronder België.

Nuance is nodig, want deze evolutie neemt niet weg dat ook bedrijven zelf kwistig met beloftes rond zelfregulering blijven strooien. De eerste week van de COP in Glasgow was daarvan alweer een mooi voorbeeld, met ronkende verklaringen allerhande, waaronder het engagement van meer dan 30 financiële instellingen, goed voor 8,7 miljard dollar aan aandelen, om landbouwgerelateerde ontbossing te weren uit hun portfolio’s.

Bovendien wezen Global Witness en andere ngo’s op de massale aanwezigheid van lobbyisten van de fossiele sector op de COP. Zoals ook op het jaarlijkse Business & Human Rights Forum van de Verenigde Naties (niet te verwarren met de onderhandelingen over een bindend verdrag) grote bedrijven overigens stevig vertegenwoordigd zijn. Laat ons dus niet naïef zijn: machtige lobby’s en het idee van zelfregulering wegen nog altijd zwaar op het debat.

En de houding van Europa? Die blijft erg contradictorisch. De Europese Commissie profileert zich als internationale leider rond klimaatbeleid en mensenrechten. De voorbije jaren zette ze al een hele wetgevende carrousel in gang, in het kader van de Green Deal.

Tegelijkertijd stelt ze zich al jaren afwachtend op in de gesprekken over een VN-verdrag. Daarbij verstopt de Commissie zich achter kwesties zoals de bevoegdheidsverdeling over de verschillende aspecten van het verdrag, tussen de Unie enerzijds en lidstaten anderzijds.

Daarnaast wordt een beloofde Europese Richtlijn rond de zorgplicht van bedrijven alsmaar verder op de lange baan geschoven. Een eerste wetsvoorstel wordt nu begin december verwacht en het is nog onduidelijk hoe ver de ambitie daarvan reikt.

Zoals juridisch expert Carlos López (International Commission of Jurists) schrijft zou Europese steun voor het VN-verdrag de geloofwaardigheid van de EU en lidstaten in dit debat nochtans veel deugd doen. Door nú mee de lijnen van het verdrag uit te zetten, kan Europa het globale gelijke speelveld bovendien actiever mee vormgeven dan wanneer de Commissie later moet aanpikken.

Verschillende lidstaten, waaronder België, pleiten achter de schermen voor een actievere rol van de EU in de gesprekken. Vanwaar dan die terughoudendheid of beter: politieke onwil?

Reparaties

Even terug naar die Noord-Zuid-verhoudingen. De meerwaarde van het voorgestelde VN-verdrag is net dat het die verhoudingen wil corrigeren, en dan met name de enorme machtsongelijkheden tussen bedrijven en gemeenschappen. Dat het verdrag net op die wonde de vinger legt, blijft een heel gevoelig punt.

Zoals in de klimaatproblematiek dragen de rijke landen hier immers een historische verantwoordelijkheid die ze maar schoorvoetend erkennen. Al sinds het begin van het VN-proces stak de Europese Unie haar ergernis over het feit dat het verdrag “alleen maar” multinationale ondernemingen zou viseren, niet onder stoelen of banken. Terwijl dat uiteraard net het punt is van een VN-instrument: de hiaten dichten in het internationale mensenrechtenkader dat de snelheid van de globalisering niet heeft kunnen volgen. Daardoor kregen multinationals de voorbije decennia vrij spel.

Landen in het globale Zuiden blijven vandaag gevangen zitten in een exportgerichte koloniale verhouding met het Noorden.

Wat uiteraard niet wegneemt dat ook kleinere ondernemingen die louter binnen de eigen landsgrenzen opereren, of staatsondernemingen, regelmatig betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen. Er werden op dat vlak bovendien al toegevingen gedaan aan de bezwaren van “het Noorden”.

In de meest recente (geamendeerde) ontwerptekst luidt het dat het verdrag van toepassing zal zijn op ‘transnationale ondernemingen en andere bedrijfsactiviteiten met een transnationaal karakter, zowel privaat, publiek als gemengd, met inbegrip van financiële instellingen, investeringsfondsen en joint ventures’.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Toch blijft de focus op multinationals en hun impact in het Zuiden het DNA van dit proces. Daarmee kan het een krachtige hefboom zijn voor dekolonisering. Zoals onder meer Jason Hickel schrijft, blijven landen in het globale Zuiden vandaag immers gevangen zitten in een exportgerichte koloniale verhouding met het Noorden, waarbij ze afhankelijk zijn van internationaal kapitaal om mee te kunnen draaien in de wereldeconomie en basisvoorzieningen te kunnen garanderen voor hun bevolking.

Het beheer van natuurlijke rijkdommen en de organisatie van arbeid zijn noodgedwongen georganiseerd rond de economische belangen van de rijke landen. De exploitatie door multinationals is daar onlosmakelijk mee verbonden. De straffeloosheid aanpakken is een cruciale voorwaarde voor gelijkere verhoudingen.

De gesprekken over het VN-verdrag overstijgen (in tegenstelling tot wat sommige critici beweren) bovendien weldegelijk de ‘symboliek’ en gaan in essentie over heel concrete zaken zoals gepaste sancties voor bedrijven waar nodig, maar ook en vooral over reparaties of herstelmaatregelen voor getroffen personen en gemeenschappen: de teruggave van (vruchtbaar) land, het garanderen van toegang tot water of een waardige woonst, adequate gezondheidszorg, de betaling van schadevergoedingen, enzovoort, tot het stopzetten van projecten indien nodig.

Het bijzondere van het VN-proces zit ook in het eigenaarschap. De campagne rond het verdrag is een beweging van onderuit en wordt grotendeels gedragen door sociale bewegingen, vertegenwoordigers van gemeenschappen en ngo’s, en geëngageerde academici.

Tal van officiële delegaties van landen in het globale Zuiden (inclusief China) zijn actief in de gesprekken, terwijl het rijke Noorden (ruwweg Canada, de VS, de EU, Australië, Japan) vooral de kat uit de boom kijkt. Op die manier zet het proces ook fundamentele vragen over de machtsverhoudingen binnen de VN op de agenda.

Een versnelling hoger

Hoe liggen de politieke kaarten na zeven jaar? Samengevat schakelden de onderhandelingen tijdens de laatste onderhandelingsronde een versnelling hoger. Na jaren van vooral algemene verklaringen werd er voor deze editie een nieuwe aanpak gehanteerd waarbij staten en ngo’s artikel per artikel concrete tekstsuggesties mochten doen. Op basis daarvan zal de voorzitter van de werkgroep (Ecuador) samen met enkele “bevriende” landen verder werken aan een aangepaste tekst.

Landen als Palestina, Panama, Kameroen, Mexico en Namibië hamerden op elementen zoals voorzorgsmaatregelen door bedrijven, een ruim toepassingsgebied van het verdrag (de volledige waardeketen van bedrijven) en een expliciete verwijzing naar het recht op vrije, voorafgaande en geïnformeerde raadpleging over economische projecten. China, Egypte en Iran stonden dan weer op de rem rond cruciale bepalingen zoals de bescherming van mensenrechtenverdedigers.

Ook de Verenigde Staten lieten zich dit jaar voor het eerst zien in Genève, maar niet van hun beste kant: ze stelden het hele proces in vraag wegens ‘te prescriptief’ en deden een vage oproep tot een alternatieve aanpak van het probleem met zowel ‘bindende als niet-bindende instrumenten’ (lees: vooral geen te strenge regels).

Ook vertegenwoordigers van de EU deden (hoewel ze dus geen officieel onderhandelingsmandaat hadden) voor het eerst enkele opmerkingen, en onderstreepten onder meer het belang van een verwijzing naar het recht op een gezond leefmilieu.

Hoe ernstiger de EU het proces neemt, hoe groter de kans dat ook andere landen uit het Noorden mee aan boord kunnen getrokken worden.

Dat de discussies over het verdrag in een nieuwe fase komen en ook volgend jaar weer doorgaan, staat vast. Of ze ooit tot een werkbaar en breed gedragen internationaal instrument leiden, is nog maar de vraag. De bal ligt vooral in het kamp van de rijke landen, als thuisbasis van het gros van de multinationals die betrokken zijn bij mensenrechtenschendingen.

Hoe ernstiger de EU het proces neemt, hoe groter de kans dat ook andere landen uit het Noorden mee aan boord kunnen getrokken worden. En neen, wetgeving en dus ook een VN-verdrag zijn op zichzelf niet zaligmakend, we zullen altijd een mix van maatregelen nodig hebben. Maar zonder een internationaal instrument blijft de deur openstaan voor multinationals die misbruik maken van de juridische leemtes.

In het slechtste geval, als de onderhandelingen op een gegeven moment helemaal vastlopen, is het een troost dat de discussies van de voorbije jaren zonder twijfel mee de agenda beïnvloed hebben van de bredere debatten over economische dekolonisering en regulering van bedrijven.

In het beste geval slaagt een verdrag er ooit in om voor concrete rechtvaardigheid te zorgen voor vrouwen zoals Luz Ángela uit Colombia. Voor dat laatste blijven tal van sociale bewegingen, vakbonden, ngo’s, academici én staten alvast strijden.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Expert natuurlijke rijkdommen

    Wies Willems (1985) studeerde Germaanse Talen & Letterkunde en Conflict & Development Studies (Universiteit Gent).