Is de IMF-aanpak van ongelijkheid slachtoffer van traagheid of hypocrisie?

‘Met ongelijkheidsnegationisme raakt niemand nog weg. Ook Christine Lagarde niet’, schrijft Jan Van de Poel van 11.11.11. Nochtans blijft het IMF vooral inzetten op groeibevorderende maatregelen. 

  • Valsts kanceleja/ State Chancellery (CC BY-SA 2.0) Christine Lagarde (IMF) Valsts kanceleja/ State Chancellery (CC BY-SA 2.0)

Acht miljardairs bezitten evenveel als de onderste helft van de wereldbevolking. Dat blijft hallucinant. Ik kan ze zo opnoemen zonder drastisch in te boeten op m’n beschikbare ruimte in dit medium: Bill Gates, Amancio Ortega, Warren Buffet, Carlos Slim, Jeff Bezos, Mark Zuckerberg, Larry Ellison en Michael Bloomberg. Nog geen 2 regels tekst, de helft van de wereldwijde rijkdom.

En dat is snel gegaan, want drie jaar eerder waren het nog meer dan 80, in 2010 nog meer dan 300. Dat killer fact hebben we aan Oxfam te danken. De studies van de Britse ngo zijn voer voor heel wat methodologisch getouwtrek, maar met ongelijkheidsnegationisme raakt niemand nog weg.

Ook Christine Lagarde niet. Vorige maand nog liet de voormalig synchroonzwemster, minister en vandaag vooral directeur van het Internationaal Monetair Fonds optekenen dat “ongelijkheid corrosief is voor de economische groei en voor de samenleving als geheel”. Sinds een aantal jaar benadrukt de instelling die vanuit Washington instaat voor de stabiliteit van onze wereldeconomie het probleem dat ongelijkheid heet. Ze doet dat minder omdat ze het bovenstaand killer fact fundamenteel unfair vindt, dan wel omdat het een risico betekent voor de stabiliteit die ze moet verdedigen.

Het IMF werd niet overtuigd door de erudiete turven van de heren Piketty of Atkinson, maar door het tumult van de Arabische lente of de Occupy beweging in de prille jaren van het tweede decennium van deze eeuw.

Groei of gelijkheid?

Anno 2017 blijkt, uit onderzoek, dat die koerswijziging van het IMF vooral op papier bestaat. Alex Nunn en Paul White, twee Britse politicologen, legden de engagementen van het IMF naast de operationele richtlijnen voor de staf en de meest recente adviezen van het fonds in 11 verschillende landen. Hun conclusies: veel geblaat, weinig wol.

De vraag stelt zich dan ook hoe het komt dat het IMF er niet in slaagt de lijn van haar discours in de praktijk door te trekken.

Het onderzoek leert dat het fonds een trade-off ziet tussen ‘groeibevorderende maatregelen’ enerzijds en maatregelen die ongelijkheid aanpakken anderzijds. Kort gezegd: als je groei wil aanzwengelen moet je je niet druk maken over ongelijkheid. En omdat een vos niet al te snel z’n streken verleert, trekt het fonds systematisch de groei-kaart.

Dat is niet consistent met de mooie woorden van Lagarde, noch met de conclusies die uit het studiewerk van het fonds naar boven komen drijven. Daarin gaat het wel over de versterking van zaken als ‘non-contributory means-tested pensions’ (zeg maar het wettelijk pensioen), publieke gezondheidszorg, een effectieve belasting voor multinationals of de nadelen van een sterke deregulering van de arbeidsmarkt.

De vraag stelt zich dan ook hoe het komt dat het IMF er niet in slaagt de lijn van haar discours in de praktijk door te trekken. De meest vriendelijke verklaring van beide onderzoekers is ‘institutionele inertie’. Zeg maar bureaucratische luiheid. Als dat het geval is, betekent dit dat de wereld gewoon nog een paar jaar moet wachten voor er werkelijk iets verandert.

Minder vriendelijk is wat Nunn en White ‘organized hypocrisy’ noemen. Dat is een vrij vaak voorkomende organisatiestrategie waarbij kritiek wordt gecounterd door het aanbod in de vitrine te veranderen zonder iets te wijzigen aan de voorraad in de winkel. In dat geval is het maar de vraag of we überhaupt iets mogen verwachten.

Traag of hypocriet?

Het onderzoek was ook IMF zelf niet ontgaan. Ter verdediging publiceerde de persdienst van het fonds een blog waarin het wijst op haar onderzoek rond ongelijkheid en de inspanningen die het doet om dat in praktijk te brengen. Overtuigen kon de bewijsvoering van het fonds niet helemaal.

Zo moest een vergelijking tussen de stijging van de besteding voor gezondheidszorg in lage inkomenslanden mét IMF-programma (+ 6,5%) en lage inkomenslanden zonder (+ 4,5%) bewijzen dat het IMF de strijd tegen ongelijkheid hoog in het vaandel draagt. Interessant, dat wel, maar wat mij betreft toont het vooral aan dat meer inkomsten gecorreleerd zijn aan meer uitgaven. Een les die ik heb geleerd toen ik de eerste keer zakgeld kreeg.

De indruk dat de daden van het fonds nog heel wat hebben in te halen op de woorden, zag ik ook bevestigd op een recent seminarie waar IMF-onderzoekers hun jongste resultaten kwamen toelichten.

Zo blijkt dat je pas iets kan doen aan ongelijkheid als je bijvoorbeeld een Hondurese BTW-verhoging compenseert met een verhoging van sociale uitkeringen voor de armsten of de verhoging van accijnzen voor brandstof in Congo koppelt aan een publiek investeringsprogramma.

In Ethiopië keken de onderzoekers naar de hervorming van de financiële sector. Het IMF adviseerde de Ethiopische overheid werk te maken van een versterkte toegang tot krediet voor de private sector. Voorheen was twee derde van het beschikbare krediet gereserveerd voor overheidsbedrijven. Het openstellen van de kredietmarkten voor private bedrijven zonder meer zou de ongelijkheid sterk verhogen omdat dat krediet vooral naar de dienstensector zou stromen. In die stedelijke sectoren zouden de productiviteit en de lonen stijgen terwijl het platteland blijft achterophinken. Dergelijke hervorming zou dan ook best gekoppeld worden aan maatregelen specifiek voor het platteland, wat het effect op ongelijkheid kan neutraliseren.

Zeer boeiend dus, maar gevraagd naar de impact van dit werk was het antwoord dat er vooral meer van dit onderzoek in de pijplijn zit en interne vormingen binnen het fonds overweegt. Niet zo verrassend dus dat de inzichten nog niet fundamenteel zijn doorgesijpeld in het beleid.

Pittig detail: het onderzoeksproject rond ongelijkheid werd gefinancierd via de Britse ontwikkelingssamenwerking. Ook dat zegt iets, zo niet veel over de ambitie van het fonds. Of het gaat om traagheid, dan wel om hypocrisie laten we nog even in het midden. Maar je stelt je wel de vraag hoe traag het fonds kan zijn vooraleer het hypocriet wordt.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Policy and Advocacy Manager bij Eurodad

    Jan Van de Poel is Policy and Advocacy Manager bij het Europese ngo-netwerk Eurodad. Hij is er verantwoordelijk voor het beleidswerk rond effectieve ontwikkelingshulp.