Gezocht: Innovatieve financiering voor ontwikkeling

De Wereldbank zoekt naar miljarden voor ontwikkeling, en hoopt daar via innovatieve instrumenten biljoenen méér mee te kunnen losweken. Met de jaarvergadering van de Wereldbank in het vooruitzicht (half oktober), bekijkt Melanie Schellens hoe dit werkt en welke risico’s er aan verbonden zijn. 

  • Public domain (CC0) Public domain (CC0)
  • Public domain (CC0) Public domain (CC0)
  • Library Company of Philadelphia (CC0) Library Company of Philadelphia (CC0)
  • Library Company of Philadelphia (CC0) Library Company of Philadelphia (CC0)

Ook de Amerikaanse Library of Congress organiseerde een tentoonstelling over de Eerste Wereldoorlog. Tussen al het herdenkingsmateriaal vielen mij de affiches op waarmee promotie gemaakt werd voor War Bonds, Liberty Bonds en (in Australië) ook Peace Bonds, waarvan de opbrengst moest helpen om teruggekeerde soldaten te re-integreren in het burgerleven. Oorlog voeren kostte ook toen handenvol geld, en liever dan bijkomende belastingen te moeten heffen, zochten vriend en vijand naar andere financieringsvormen.

Hoe komen we aan de noodzakelijke miljarden en méér om de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen te bereiken?

Nieuw was toen dat individuele burgers aan beide kanten van het front werden aangespoord om staatsobligaties te kopen om de oorlog te financieren. Allerlei propagandamateriaal werd ingezet om de patriottische gevoelens aan te wakkeren, maar ook het hoge interestpercentage zal zeker geholpen hebben om financiers over te brug te halen. Was de appetijt van individuele burgers niet bijster groot bij de allereerste uitgaven, dan groeide het succes in de VS alsnog dankzij de inzet van onder andere Hollywoodsterren, en in verschillende landen werden speciale kleine uitgiftes en spaarzegels op de markt gebracht om zelfs kinderen toe te laten hun steentje bij te dragen. Beschouw het als crowd funding avant-la-lettre.

Met die voorkennis verliest het veelgebruikte begrip “innovatieve financiering” wat van zijn glans. Maar de uitdaging blijft: hoe komen we aan de noodzakelijke miljarden en méér om de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen te bereiken? Volgens de Wereldbank moeten we daarvoor immers een gedachtesprong maken from billions to trillions – van miljarden naar biljoenen dus, maar dat klinkt niet zo vlot in het Nederlands.

Het geld oprekken

Je kunt elke dollar maar één keer uitgeven, maar je kunt ‘m wel als hefboom gebruiken om meer geld beschikbaar te maken. Daar zijn banken goed in, en de Wereldbank (WB) is op dit terrein van bij haar oprichting aan het einde van de 2de wereldoorlog de internationale speler bij uitstek. Voor elke dollar als onderpand kan ze een veelvoud lenen en dat geld op haar beurt weer ter beschikking stellen van ontwikkelingslanden.

Public domain (CC0)

 

De WB kan zelf betrekkelijk goedkoop lenen op de financiële markten dankzij haar sterke positie (AAA rating), geruggesteund door zowel kapitaal van de aandeelhouders (dit zijn alle landen die lid zijn van de Wereldbank) als terugbetalingen van ontwikkelingslanden. De International Bank for Reconstruction and Development (IBRD), zoals de eigenlijke bank binnen de Wereldbankgroep heet, kijkt in haar fiscaal jaar 2017 terug op een totaal aan aangegane leningen voor 207 miljard USD, en heeft als onderpand een minimum van 20% aan kapitaalbuffer in huis (in de praktijk bedroeg die buffer in 2017 enkele procenten meer – en ze is alleszins veel hoger en voorzichtiger dan commerciële banken die sinds de bankencrisis minstens 13% kapitaalbuffer in huis moeten hebben).

Het grootste deel van het opgehaalde bedrag leent de IBRD zelf weer uit – in 2017 ging het om een totaal aan uitstaande leningen van 177 miljard USD. IBRD leent aan de Middeninkomenslanden, terwijl de International Development Association (IDA) haar leningen (en ook giften) voorbehoudt voor de armste landen, aan gunstiger voorwaarden.

IDA had tot voor kort niet hetzelfde hefboomeffect als IBRD, omdat zij zelf geen geld kon lenen op de kapitaalmarkt maar enkel beroep kon doen op giften van donoren, die het kapitaal om de drie jaar opnieuw moeten aanvullen. Dat verandert vanaf dit jaar, nu ook IDA haar kapitaal kan inzetten als onderpand en daarmee extra geld kan ophalen op de markt.

Het geld halen waar het zit

Library Company of Philadelphia (CC0)

 

Wereldbank-voorzitter Jim Kim maakt wel vaker grapjes over zijn activistisch studentenverleden, en herinnert zich misschien die slogan die je in studentensteden wel op de muren gekalkt vond. Om “het geld te halen waar het zit” kijkt Dr. Kim niet zozeer naar individuele crowdfunding, maar lonkt hij begerig naar de biljoenen die private financiële groepen bezitten en waarmee ze met de huidige lage rentestand niet veel profijt kunnen maken. Om dat geld aan te trekken lanceert de WB regelmatig nieuwe producten.

Wereldbank-voorzitter Jim Kim lonkt begerig naar de biljoenen die private financiële groepen bezitten en waarmee ze met de huidige lage rentestand niet veel profijt kunnen maken.

Zo geeft ze sinds 2008 zogenaamde Green Bonds uit. Het nieuwe eraan is dat deze obligaties (leningen áán de WB die de investeerder een vaste interest opleveren) expliciet gebruikt worden om klimaat- of milieuprojecten mee te financieren.

In financiële opbrengst is er geen verschil, maar de WB vindt het belangrijk om ze als groene leningen te promoten omdat ze er nieuwe investeerders en financiers mee kan aanspreken, meer aandacht kan vestigen op de klimaat- en milieuproblematiek en zo een specifieke markt kan creëren in dit domein. Er blijkt immers wel vraag naar uitgesproken ‘groene’ financiele producten, al willen investeerders er vooralsnog niet méér voor betalen.

Met Sustainable Development Bonds doet de WB nog iets meer: deze lening heeft geen vaste opbrengst, maar de interest is gekoppeld aan de resultaten (lees de aandelenkoersen) van een welomschreven groep bedrijven die werk maken van de duurzame ontwikkelingsdoelstellingen.

Overigens is de WB daarmee niet de allereerste, ook de Europese Investeringsbank heeft een dergelijk instrument. Ook daarmee wordt geprobeerd de markt voor duurzame goederen en diensten in de verf te zetten.

Van noodhulp naar verzekeringspremie

Bij het nieuwste financieel product waarmee de WB dit jaar uitpakte, de Pandemic Bonds, is het risico dat de investeerder draagt groter (en de interest navenant).

Het geld dat de WB ophaalt met deze obligaties, aangevuld met giften van enkele donorlanden, gaat naar de Pandemic Emergency Financing Facility (PEF) waarmee de WB een verzekeringsmechanisme financiert tegen de risico’s bij een uitbraak van pandemieën zoals Ebola of SARS. Overheden konden zich al verzekeren tegen de risico’s van natuurgeweld; straks kunnen ze dat ook tegen de rampzalige effecten van de uitbraak van sommige ziektes, want de WB wil ook daar een “markt” voor ontwikkelen.

Overheden konden zich al verzekeren tegen de risico’s van natuurgeweld; straks kunnen ze dat ook tegen de rampzalige effecten van de uitbraak van sommige ziektes, want de WB wil ook daar een “markt” voor ontwikkelen.

Zoals voor andere obligaties krijgt de investeerder een regelmatige uitbetaling van rente, maar wanneer een van de ziektes in het pakket effectief uitbreekt, kriijgt de investeerder zijn kapitaal niet terug. Om te bepalen of de uitbraak ernstig genoeg is, wordt gebruik gemaakt van gegevens van de Wereldgezondheidsorganisatie. 

Het uitgangspunt is dubbel. Enerzijds gaan de ontwerpers van het instrument er van uit dat het geld van een verzekering sneller beschikbaar zal zijn dan de noodhulp waarvoor moet aangeklopt worden bij donoren op het moment dat een ziekte uitbreekt. Anderzijds hopen ze dat het mechanisme de betrokken landen aanzet om meer preventieve maatregelen te treffen. Om hen daartoe aan te sporen, zou de hoogte van de verzekeringspremie aangepast kunnen worden aan de ingevoerde maatregelen– een domein waar de WB en andere donoren dan met bijkomende middelen ondersteuning willen bieden.

Gezondheidsexperts met een bredere blik zijn op hun hoede voor dit nieuwe instrument – ze vrezen dat de aandacht voor een beperkt aantal ziektes ten koste gaat van de opbouw van algemene gezondheidssystemen in de betrokken landen, en er zijn vragen bij de duurzaamheid van de Facility indien betrokken landen niet in staat zouden blijken na de proefperiode van drie jaar zelf hun premie te betalen.

De vraag is ook politiek: willen regeringen in ontwikkelingslanden echt investeren in preventie, of zullen ze opnieuw wachten tot de donoren met noodhulp langskomen? Maar dat is voorlopig geen zorg voor de financiële wereld, die er snel bij was om in te schrijven op de obligaties. Tegen een rente van 6 à 11% (er zijn verschillende varianten) willen zij het risico’s wel dragen.

In welke richting rolt het geld?

Public domain (CC0)

 

De WB hoopt met deze nieuwe instrumenten relevant te blijven, in een tijdperk waarin veel ontwikkelingslanden elders op de markt geld kunnen ophalen. Ze wijst op haar rol als kenniscentrum, waarmee ze niet alleen voorziet in financiering maar ook in advies en begeleiding.

Maar de WB heeft er ook alle belang bij om zelf zoveel mogelijk nieuwe leningen te kunnen blijven toekennen, opdat de terugbetalingen geen netto geldstroom richting Bank zouden doen ontstaan. Het is tenslotte een ontwikkelingsbank – die moet uiteraard financieel gezond blijven, maar het geld moet blijven rollen voor ontwikkeling.

Om meer geld te kunnen ontlenen en uitlenen is echter ook een grotere kapitaalreserve nodig. Daarvoor moet de WB nog altijd aankloppen bij de aandeelhouders, en die zijn niet allemaal even enthousiast om vers geld ter beschikking te stellen.

Landen die wél enthousiast klaar staan worden liever wat afgeremd, want dit zou de huidige verhoudingen in het aandeelhouderschap verstoren en de potentiële nieuwe financiers (denk China, India, …) meer gewicht en stem geven. Het is een discussie die al enkele jaren aansleept en ook deze herfst op de agenda staat van de jaarvergadering van de WB.

Het ziet er echter niet naar uit dat de knoop nog dit jaar zal worden doorgehakt.

Boemerang

We komen nog even terug op die geldstroom in omgekeerde richting. Immers, wie leningen zegt, zegt ook terugbetalingen, en we hoeven niet helemaal terug naar het interbellum om te weten dat die dramatisch kunnen oplopen. Noteer dat Groot-Brittannië pas in 2015 de laatste restanten van de War Bonds uit de eerste WO afwikkelde – met een zucht van verlichting, want ze diende er na een eerdere herschikking nog steeds 4% rente op te betalen, terwijl de gemiddelde rente op dergelijke producten vandaag nauwelijks 2,3% bedraagt. Zolang de rentepercentages laag blijven is het uiteraard aanlokkelijk om leningen aan te gaan, maar de situatie kan vrij snel omslaan, en dan wordt de hefboom een boemerang in de vorm van onhoudbare schuldenlast.

Zolang de rentepercentages laag blijven is het uiteraard aanlokkelijk om leningen aan te gaan, maar de situatie kan vrij snel omslaan, en dan wordt de hefboom een boemerang in de vorm van onhoudbare schuldenlast. 

Het spook van die schuldenlast is sinds de oliecrisis halverwege de jaren ‘70 van de vorige eeuw nooit meer volledig van het toneel verdwenen. Opeenvolgende programma’s, en vooral het HIPC (highly indebted poor countries) –initiatief en het MDRI ( Multilateral Debt Relief Initiative) hielden dit probleem in het begin van het nieuwe decennium min of meer onder controle, maar de financiële crisis en de naweeën creëerden een nieuwe, veel ingewikkelder context, waar schuldenlast minder transparant maar daarom niet minder reëel aanwezig is.

Zo doken in Mozambique en Zambia verborgen leningen op van instellingen die zich onttrekken aan de officiële onderhandelingen en rapporten, waardoor voor vele miljarden nieuwe schulden werden opgebouwd.

Daarmee is duidelijk dat de publieke middelen niet eindeloos opgerekt kunnen worden. En dat is, naast forse bezuinigingen aan donorkant, één van de argumenten om de privésector aan te spreken om meer rechtstreeks bij te dragen aan het ontwikkelingsproces.

De Pandemic Bonds laten zien dat daar potentieel in zit, maar ook dat er een prijskaartje aan hangt en dat er naast financieel-technische vragen ook politieke vragen bij gesteld kunnen worden.

In een volgende aflevering van ‘de ontwikkelaars’ bekijken we de mogelijke troeven en risico’s van een aantal andere initiatieven waarbij directer beroep gedaan wordt op de privésector, zoals de ‘impact bonds’, waar ook Minister De Croo mee wil experimenteren.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur