Groeien of snoeien voor ontwikkeling?

Public domain (CC0)

 

De laatste werkdagen voor de – op dit moment nog eindeloze – zomervakantie zijn er ook voor het uitmesten van de bureaulades en wegwerken van de stapels (on)gelezen documenten. Tijdens het opruimen viel mijn oog op het nog ongelezen boek Doughnut Economics van de Britse econome Kate Raworth. Ik had wel een uurtje vrij en las het in één ruk uit (dat uurtje werden er plots bijna drie). Voor een boekbespreking ga ik mijn plaatsje op mo.be niet gebruiken. Daar was de onvolprezen redactie mij al voor.

Het boek zette me vooral aan het denken over één van dé centrale dilemma’s in het ontwikkelingsdebat vandaag: hebben we eeuwigdurende groei nodig om ontwikkeling mogelijk te maken, of kan het ook door ergens ter plaatse te blijven trappelen? Raworth zelf vat het dilemma in één breinkraker: geen enkel land is erin geslaagd menselijke ontbering te overwinnen zonder groeiende economie terwijl geen enkele groeiende economie erin geslaagd is de ecologische aftakeling om te keren. Hoe geraak je uit dat dilemma, als het de bedoeling is zowel die menselijke ontbering als die ecologische aftakeling te keren?

Verpaupering van het Westen

Voor Branko Milanovic, topeconoom in de ontwikkelingsbranche en wereldwijde autoriteit over het armoede- en ongelijkheidsvraagstuk, is zogenaamde “degrowth” of “ontgroeien” – voor het gemak even gedefinieerd als het vastleggen van de wereldwijde rijkdom op het huidige niveau – geen optie.

Stel je even voor, zo rekent hij voor, dat we de globale rijkdom – uitgedrukt als “bruto nationaal product” (bnp) of de optelsom van de marktwaarde van alle goederen en diensten die in een land worden geproduceerd — aftoppen op het huidige niveau. De enige manier om armoede de wereld uit te helpen is dan via herverdeling.

Als we het inkomen van het armste deel van de wereldbevolking naar het wereldwijde gemiddelde van 5.500 dollar per persoon per jaar willen brengen, betekent dit dat zowat gans de “ontwikkelde wereld” zou moeten inleveren. En geen beetje.

Als we het inkomen van het armste deel van de wereldbevolking naar het wereldwijde gemiddelde van 5.500 dollar per persoon per jaar willen brengen, betekent dit dat zowat gans de “ontwikkelde wereld” zou moeten inleveren. En geen beetje. De economische activiteit in de rijke landen zou met één derde moeten verminderd worden.

Een “verpaupering” van het Westen op dergelijke schaal kan je wel op je buik schrijven. Politiek onhaalbaar en eigenlijk ook niet wenselijk. Maar ook als je zou “toestaan” dat heel de wereld op hetzelfde niveau komt dan het Westerse gemiddelde, betekent dit dat de wereldrijkdom moet verdrievoudigen. Voor Milanovic is de conclusie van zo’n gedachte-experiment duidelijk: om ontwikkeling een kans te geven in een erg arme en ongelijke wereld moeten we blijven groeien.

In alle bescheidenheid – mijn respect voor het werk van Milanovic rond ongelijkheid is immens – maar eigenlijk maakt hij er een beetje een karikatuur van. Ten eerste is er de relativiteit van die BNP-maatstaf. Zo ligt het gemiddeld bnp per hoofd van de bevolking in Europa 40% lager dan in de VS, terwijl toch heel wat mensen de Europese welvaartsstaten verkiezen boven the land of the free.

Ten tweede is het ook niet helemaal fair om degrowth af te doen als ‘business-as-usual-maar-met-een-pak-minder-geld’. De literatuur ter zake stelt een grondige transformatie van de manier waarop we zaken als mobiliteit, huisvesting of onderwijs aanpakken. Minder gericht op materiële output en veel meer op publieke goederen en welzijn.

Ten derde is het net de sterke ongelijkheid vandaag die Milanovic’ groeioptie minder geloofwaardig maakt. Uit onderzoek blijkt dat slechts 5% van het inkomen dat jaarlijks door extra economische groei wordt gegenereerd naar de armste 60% van de wereldbevolking vloeit.

Tegen die achtergrond moet de wereldeconomie 175 keer groter worden om iedereen uit de absolute armoede te tillen. Gezien de druk die economische activiteit nu al op de draagkracht van de planeet legt, lijkt dat eigenlijk totaal uitgesloten.

Fundament van de democratie

Anderzijds is het natuurlijk zeer goed te begrijpen waarom we zo aan het idee van eeuwige groei blijven vasthouden. Voor overheden die graag geld uitgeven maar het niet graag komen vragen bij de burgers, biedt het een uitweg.

Wij zijn ondertussen ook gewend geraakt om ons uit de problemen te groeien. Pensioencrisis, zorgcrisis of werkloosheid? Als we de economie laten groeien, verdwijnen ook onze zorgen. Groei was ook decennialang het antwoord op de spanningen die ongelijkheid met zich meebrengt. In een groeiende economie kan iedereen – de één al wat meer dan de ander – beter af zijn. Als de taart groeit, aanvaarden ook de rijken dat ze wordt verdeeld.

Groei biedt perspectief want zolang er groei is, is er hoop op beterschap en dat maakt stijgede inkomensverschillen min of meer verdraaglijk. Niet hoge inkomens, maar het perspectief op stijgende inkomens geeft mensen houvast en vertrouwen dat ze op de ladder kunnen klimmen. Historisch zou je kunnen argumenteren dat economische groei onze democratie overeind houdt. Of toch minstens dat ze onder zware druk komt in episodes dat de groei stokt of negatief wordt.

Ontkoppelen

Is er een uitweg uit dit dilemma zonder een zeer scherpe keuze te moeten maken? Kunnen we én blijven groeien én ervoor zorgen dat we ons planetair boekje niet te buiten gaan? Theoretisch kan dat. “Absolute decoupling” (absolute ontkoppeling) betekent dat de groei van onze inkomens gepaard gaat met een absolute en ingrijpende daling van de uitstoot van broeikasgassen en uitputting van de planeet.

Momenteel lijkt de groei die in Westerse landen wordt gerealiseerd minder druk te leggen op de planeet.

Momenteel lijkt de groei die in Westerse landen wordt gerealiseerd minder druk te leggen op de planeet. In Duitsland groeide het BNP tussen 2000 en 2013 met 16% terwijl de CO2-emissies met 12% daalde. Als de cijfers kloppen (want daar woedt een zware discussie over) wijst dat op een “relatieve ontkoppeling”. Een goed signaal, zonder meer, maar de vraag blijft of dat volstaat. Om de wereldeconomie 175 keer groter te laten worden alvast niet.

Op dit moment blijf ik dan ook onbeslist. Blijven groeien of niet? Ik ben er nog niet uit, ook niet na het lezen van Kate Raworth’s boek. Dat we economisch andere keuzes kunnen en moeten maken, daarvoor had ik Raworth niet (meer) nodig. Dat we op zoek moeten naar de “sweet spot” tussen wat we sociaal als een minimum beschouwen en wat ecologisch haalbaar is, daar ligt voorlopig de uitdaging. Dat we in de zoektocht daarnaartoe vooral “agnostisch” moeten zijn over groei, vind ik dan weer weinig overtuigend.

In afwachting van het antwoord op het groei-dilemma zou ik het zekere voor het onzekere nemen en inzetten op maximale ontkoppeling. Dat betekent weg van fossiele brandstoffen en naar een circulaire economie gebaseerd op diensten in plaats van dingen.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Policy and Advocacy Manager bij Eurodad

    Jan Van de Poel is Policy and Advocacy Manager bij het Europese ngo-netwerk Eurodad. Hij is er verantwoordelijk voor het beleidswerk rond effectieve ontwikkelingshulp.