Ontwikkelingsprojecten die lokaal ondernemerschap promoten, lijken elke dag te groeien

Iedereen ondernemer?

Swathi_Sridharan (CC BY-SA 2.0)

Fruit en groenten, maniokpuree, artisanaat, textiel, plastic borstels, manden, wasknijpers, boodschappentassen, teddyberen, zonnebrillen, auto-onderdelen, zilveren oorhangers, sportsokken, … je kunt het zo gek niet bedenken of er bestaat wel een handeltje in.

“Ondernemerschap stimuleren” vormt al weer een aantal jaren een prominente doelstelling voor ontwikkelingssamenwerking. Het aanbod van ontwikkelingsprojecten die lokaal ondernemerschap promoten lijkt nog elke dag te groeien. Partnerschappen, peterschappen, micro-financiering, vormingsinitiatieven, netwerkevenementen, start-up valleys, .…

Maar zo’n doelstelling mag nauwkeuriger geformuleerd worden. Het ontbreekt in ontwikkelingslanden immers niet aan ondernemerschap. Wie in een gemiddelde Afrikaanse stad een beetje om zich heen kijkt, ziet bij elke drie mensen op de stoep minstens één verkoper, metaalbewerker, naaister, … Het gros van de inwoners ís in zekere zin al ondernemer, willens-nillens “zelfstandige”. Hij (maar vooral zij) produceert, repareert en / of verkoopt haar spullen grotendeels in de informele sector, meestal als ZZP-er, alhoewel sommige ateliers meer mensen tewerkstellen, zij het in vaak precaire omstandigheden.

Fruit en groenten, maniokpuree, artisanaat, textiel, plastic borstels, manden, wasknijpers, boodschappentassen, teddyberen, zonnebrillen, auto-onderdelen, zilveren oorhangers, sportsokken, … je kunt het zo gek niet bedenken of er bestaat wel een handeltje in.

Bloeiende ondernemingen zijn het zelden, het gaat hier eerder om overlevingsstrategieën zonder veel perspectief.

Bloeiende ondernemingen zijn het zelden, het gaat hier eerder om overlevingsstrategieën zonder veel perspectief. En hoe verder van de grote stad, hoe schraler het aanbod. De minimale winstmarges van al die kleine neringdoeners zijn nauwelijks genoeg om van te leven, laat staan om te investeren en de zaken uit te breiden of te diversifiëren. De doorgroeiers zijn uitzonderingen, zoals de mama Benz die rond de millenniumwissel de aandacht trokken in verschillende West-Afrikaanse landen: straffe vrouwen die er in slaagden een bloeiende textielhandel op te zetten en verder uit te bouwen.

Maar dat waren dus de uitzonderingen. Ondertussen is een nieuwe generatie aan zet. Wie van hen kan doorgroeien, hoe kunnen zij een overlevingsstrategie omzetten in een bloeiende onderneming, die ook nog eens werkgelegenheid creëert voor anderen?

Dynamisch en optimistisch

Wie wat somber wordt van het gebrek aan vooruitgang in veel ontwikkelingsstatistieken moet eens vaker kijken naar organisaties die jong ondernemerschap promoten. Het enthousiasme werkt aanstekelijk, en het komt niet alleen maar uit de VS waar vrijwel alles dynamisch en positief geserveerd wordt, zoals bijvoorbeeld de door USAID gesteunde Global Entrepreneurs Summit.

Ook een Beninse kennis, zelf jonge ondernemer, wordt héél enthousiast bij de herinnering aan een van de vorige edities van dit netwerk-evenement voor jonge ondernemers wereldwijd. Begin juni volgt daarvan een nieuwe aflevering, deze keer voor het eerst in Europa, in Den Haag, onder de wervende titel “The Future Now”. Geïnteresseerden kunnen nog inschrijven.

Het goede nieuws komt ook uit Afrika zelf, met bijvoorbeeld de success stories van de Tony Elumelu stichting uit Nigeria. Of herinner je de laureaten van de editie 2017 van de Koning Boudewijnprijs voor Afrika, die ook op mo.be enthousiast onthaald werden. Nog een andere bron van positieve verhalen is het Amerikaanse TechnoServe, een organisatie die al 50 jaar bestaat maar pas een goede 10 jaar geleden echt vleugels kreeg.

Technoserve cofinanciert o.a. een programma dat juist die vele kleine winkeltjes meer perspectief wil geven om door te groeien tot een kleine maar rendabele onderneming, The Mom and Pop Shops Project. En dichter bij huis evolueerde bijvoorbeeld de Belgische niet-gouvernementele organisatie TRIAS van een klassieke ngo in de landbouwsector naar een marktgerichte aanpak die jongeren in Afrika en Latijns-Amerika klaarstoomt voor het ondernemerschap.

Wat werkt?

TRIAS biedt microkredieten, naast vorming en peterschappen met professionele managers. Ook bij Technoserve wordt gewerkt aan steun voor managementverbeteringen – vanuit het niets blijken een beetje voorraadbeheer, wat marketing in de vorm van een betere uitstalling van de koopwaar en een minimum aan boekhouding al een aardig verschil te kunnen maken. Ook onderlinge samenwerking helpt, waardoor winkeliers betere prijzen kunnen bedingen bij hun leveranciers. En er is nauwelijks een recent voorbeeld te vinden van succesvol ondernemerschap dat ook niet de digitale evolutie omarmt, in de vorm van bijvoorbeeld mobiele betalingen, elektronisch stockbeheer of boekhouding.

De Belgische gouvernementele ontwikkelingssamenwerking is eerder een laatbloeier op dit domein. De strategienota voor de ondersteuning van de lokale privésector dateert weliswaar van 2014, maar kreeg pas in 2017 een meer operationeel vervolg –waarover nauwelijks gecommuniceerd werd. Ook de strategienota Landbouw en Voedselzekerheid, die een grote rol toekent aan de privésector, dateert van 2017.

Concretere gouvernementele initiatieven zijn heel recent en hebben vooral te maken met regelgeving en institutionele aanpassingen om een nieuwe aanpak mogelijk te maken

Concretere gouvernementele initiatieven zijn heel recent en hebben vooral te maken met regelgeving en institutionele aanpassingen om een nieuwe aanpak mogelijk te maken (hervorming BTC naar ENABEL, wetswijziging BIO-invest, creatie van een specifieke dienst binnen DGD, …) en met de promotie van het idee (zoals het plechtig ondertekenen van een SDG-charter door een aantal bedrijven).

In de praktijk gaat het zowel om initiatieven die de Belgische privésector sterker willen betrekken (Private Sector for Development; PS4D in het jargon) als om projecten die lokaal ondernemerschap willen stimuleren (Private Sector Development, PSD). Die twee blijken nogal eens door elkaar heen te lopen, maar werken niet per definitie aan dezelfde doelstellingen.

De evaluatiedienst van de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking liet het afgelopen jaar (2018) enkele evaluaties uitvoeren in dit domein (een algemenere en eentje specifiek voor Bénin), en die leveren een gemengd en voorlopig beeld. De evaluatie in Bénin signaleert dat sommige doelstellingen elkaar zelfs in de weg kunnen zitten. Zo is zorg voor inclusie van de armsten en meest kwetsbaren in fragiele situaties geen haalbare doelstelling voor private sector ondernemingen uit België die willen investeren in ontwikkelingslanden. Zij zullen immers eerder kiezen voor de kansen op rendement in beter presterende middeninkomenslanden.

Maar ook in de armste landen beginnen lang niet alle startende ondernemers straatarm of bij voorbaat zonder kansen. Er zitten heel wat hooggeschoolde jongeren bij, die liever niet willen afhangen van hulp: ze weten dat zodra de donor verdwijnt, de financiering al te vaak opdroogt en het project dood bloedt. Ze willen zelf middelen genereren. Maar helemaal zonder ondersteuning blijft dat moeilijk.

Hun grootste uitdaging blijft toch financiering. Die komt liefst niet enkel in de vorm van leningen, want voor zover die al beschikbaar zijn, wegen die zwaar op het rendement. Er is vooral nood aan echte investeerders; aandeelhouders die bereid zijn een risico te nemen en niet onmiddellijk hun geld met rente terug eisen, maar die kunnen leven met een perspectief op dividend op langere termijn.

Solide financiering is vooral een uitdaging voor de kleinere ondernemingen die een doorstart willen maken

Solide financiering is vooral een uitdaging voor de kleinere ondernemingen die een doorstart willen maken, voor wie de kruimels uit de start-up programma’s en de microkredieten ontgroeiden en op een hoger niveau willen spelen. Zij ervaren the missing middle, want voor de écht grotere spelers zijn er wel weer andere financieringsmogelijkheden, o.a. door instellingen voor ontwikkelingsfinanciering die mikken op ondersteuning van de privésector, zoals ook het Belgische Bio-invest. Maar die financieringsinstellingen slagen er niet in dit middensegment te bedienen.

Geld is dus belangrijk, maar niet alles. Uitwisseling, vorming, engelbewaarders, … spelen allemaal een belangrijke rol maar ook daar zijn grenzen aan. Daarnaast blijft een beter ondernemersklimaat een belangrijke voorwaarde. Gebrek aan sluitende regelgeving en rechtsonzekerheid nekt veel bedrijven en ontneemt anderen de goesting om er zelfs maar aan te beginnen. Eigendomstitels, vlot betaalverkeer, stabiele wisselkoersen, gegarandeerde betalingstermijnen, correcte fiscale afspraken, … het zijn allemaal elementen die zowel kleine als grotere ondernemingen vooruit helpen, en daarvoor kijken ze noodgedwongen naar de overheid.

Tenslotte zijn er nog een aantal belangrijke randvoorwaarden in bredere zin, waaronder betere wegeninfrastructuur, toegang tot energie, internet, en ontwikkeling van human capital zoals gezondheid en opleiding van werknemers. Dat zijn randvoorwaarden die per definitie een lange termijn planning vergen en veel geld kosten. Ondernemers plukken daar de vruchten van, maar kunnen daar niet rechtstreeks verantwoordelijkheid voor nemen. Ook dit blijft inderdaad in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de overheid. Ondernemers dragen daar idealiter wel onrechtstreeks aan bij met een fair aandeel in belastinginkomsten. Hun dynamiek kan bovendien zorgen voor meer druk op die overheid om er effectief werk van te maken.

De hoger vermelde Tony Elumelu Foundation heeft wel oog voor de context waarin Afrikaanse ondernemingen moeten werken. T. Elumelu is tenslotte zelf zo’n Afrikaanse ondernemer, die een deel van zijn financieel succes omzette in steun voor starters en doorgroeiers, niet alleen met startkapitaal , vormingsinitiatieven, mentorschap en netwerken maar ook met politieke contacten om het ondernemersklimaat te verbeteren.

Werkt het ook duurzaam? Individuele ondernemers in een breder plaatje

Het werkt dus absoluut verfrissend om al die voorbeelden te zien bloeien. Maar er blijft toch nog iets knagen. De nadruk op ondernemerschap past in de tijdsgeest, waar self employment meer sympathie opwekt dan vakbondsacties. Maar een van de vragen die zich stellen gaat over welk vangnet, welke sociale zekerheid voor al die individuele ondernemers geldt. In sommige sectoren bestaan solidaire netwerken in de vorm van groupes de producteurs, boerenorganisaties, coöperatieven. Ook kamers van koophandel kunnen de belangen van ondernemers verdedigen. Maar het tekent evenzeer de tijdsgeest dat de collectieve aspecten van sociale bescherming veel minder onder de aandacht komen.

Tegelijkertijd komen er positieve signalen uit het bedrijfsleven zelf, waar noties als duurzaam en inclusief ondernemen, of nog, maatschappelijk verantwoord ondernemen, opgang maken. Ook social profit bedrijven zitten in de lift. Daar zijn veel interessante initiatieven bij, maar in verhouding tot de totale economische activiteit blijven het marginale fenomenen die bovendien enkel verantwoording hoeven af te leggen aan zichzelf en niet gebonden zijn aan externe controle op al die goede bedoelingen. Het kan ook niet de bedoeling zijn om ondernemingen in ontwikkelingslanden tot dat segment te beperken – het zou voor iedereen de norm moeten worden.

Voor de 1000 winkeltjes die het beter doen, zijn er wellicht duizend méér die door dergelijke concurrentie uit de markt geprijsd worden. De een zijn brood…

En dan is er nog de ruimere economische context. Niet alle individuele successen zijn win-win situaties voor de samenleving. Als de koopkracht niet groeit is het heel goed mogelijk dat een project als de Mom and Pop Shops ook slachtoffers maakt. Voor de 1000 winkeltjes die het beter doen, zijn er wellicht duizend méér die door dergelijke concurrentie uit de markt geprijsd worden. De een zijn brood… Daar zijn weinig cijfers over. Toch is dat bredere plaatje nodig om te beoordelen of de individuele successen ook collectief zoden aan de dijk zetten. De startende ondernemers zijn zelden meteen klaar voor de internationale markt, zij moeten zich eerst waarmaken op de thuismarkt. Tenslotte is niet iedereen voor het ondernemerschap in de wieg gelegd. Ondernemingen moeten werkgelegenheid kunnen scheppen opdat werknemers ook een menswaardig leven kunnen opbouwen– en weer koopkracht genereren. Succesvolle ondernemers hebben koopkrachtige klanten nodig, en die groeien niet vanzelf. De algemene economische omgeving moet dus ook gunstig evolueren.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Met de uitgesproken aandacht voor de privésector en ondernemerschap is het onderliggend idee “trade not aid” terug van nooit helemaal weggeweest. Maar die slogan uit de jaren ’70 van de vorige eeuw pleitte toch vooral voor eerlijkere handelsvoorwaarden. De focus op individueel ondernemerschap en een beter ondernemersklimaat verliest die ruimere economische context al te vaak uit het oog.

Ondernemers brengen dynamiek en creëren kansen, maar bieden geen tovermiddel. Er blijft werk aan de winkel op veel fronten tegelijk, en voor ontwikkelingssamenwerking blijft het zoeken naar de juiste afweging om de schaarse publieke middelen in te zetten waar ze op de langere termijn de meeste impact hebben. Daarvoor is een lange adem nodig, en een strategische aanpak die zich inschrijft in een internationale context.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift