Financieel motief investeerders moet interventies efficiënter maken

Kan financiële spitstechnologie de wereld redden?

© Yonatan Solomon (CC BY-SA 4.0)

Van de 90 miljoen mensen met een fysieke beperking heeft slechts 10% toegang tot adequate dienstverlening.

Het gebeurt niet zo vaak dat ons land een pioniersrol vervult. En vooral niet in de internationale politiek. In 2017 speelde minister De Croo die rol naar eigen zeggen wel. Samen met het Internationale Rode Kruis ontwikkelde ons land een zogenaamde humanitaire “impact bond”. De uitgifte van zo’n obligatie moest private financiers warm maken om te investeren in de zorg voor mensen met een fysieke handicap in conflictgebieden.

Dat die zorg broodnodig is, lijdt geen twijfel. Van de 90 miljoen mensen met een fysieke beperking heeft slechts 10% toegang tot adequate dienstverlening. Maar waarom zouden die private investeerders hun geld steken in wat bij uitstek een publieke dienst is?

Wellicht omdat er wel degelijk een graantje valt mee te pikken. Door de uitgifte van zo’n obligatie vloeien middelen naar de bouw van revalidatiecentra en opleidingen voor verpleegkundig personeel in landen als Afghanistan, Irak of Zuid-Soedan. Op het eind van de rit krijgen die investeerders hun geld terug met een mooie coupon er bovenop, op voorwaarde dat de vooropgestelde doelstellingen – aantal verzorgde patiënten of opgeleide verpleegkundigen – worden gehaald.

Het uitgangspunt is dat het financiële motief van de investeerders er voor zorgt dat de interventies een pak efficiënter zullen gebeuren.

De betrokken donor, België in dit geval, zorgt dan voor het uitbetalen van die investeerders. Hier stelt zich natuurlijk meteen de vraag waarom een donor bereid zou zijn extra te betalen via dit systeem eerder dan zo’n programma rechtstreeks te financieren. Wel, het uitgangspunt is dat het financiële motief van de investeerders er voor zorgt dat de interventies een pak efficiënter zullen gebeuren. Daarenboven neemt die investeerder ook een zeker risico, want als de beloofde diensten er niet komen, blijft ook de uitbetaling achterwege. Dat risico neemt die investeerder natuurlijk niet gratis.

Eigenlijk is het idee van de humanitaire impactobligatie niet zo nieuw. Het is een variatie op een idee uit Groot-Brittannië waar het werd toegepast in het gevangeniswezen. Investeerders zagen hun geld inclusief een aantrekkelijke bonus pas terug als de gevangenisbeheerder erin slaagde het recidivisme van haar “klanten” terug te dringen. De Britse ervaring legde meteen ook een paar potentiële pijnpunten bloot. Eerst en vooral stelt zich de vraag naar de “prijszetting” van de obligatie. Indien de premie die aan de investeerder betaald wordt een pak hoger ligt dan de financieringskost op de markt, dan komt de obligatie eigenlijk neer op een dure lening. Anderzijds, als die premie lager ligt dan de marktprijs voor financiering is er weinig reden voor een investeerder – tenzij louter goede wil – om te investeren. Er lijkt dus iets te schorten aan de economische logica.

Een ander argument van de pleitbezorgers van het systeem is dat op die manier bijkomende private middelen worden gemobiliseerd als aanvulling op de schaarse ontwikkelingsbudgetten. Dat valt echter nog af te wachten. Uit de Britse ervaring blijkt alleszins dat vooral filantropische stichtingen interesse tonen. Dat zijn investeerders die sowieso middelen veil hebben voor goede doelen en niet noodzakelijk “vers” geld in het laatje brengen. Tot slot bestaat ook het risico dat de vooropgestelde doelstellingen niet worden gehaald door overmacht. Zo is het niet ondenkbaar dat in het geweld terug opflakkerd in conflictgebieden als Congo of Zuid-Soedan. De kans is groot dat investeerders dat niet als een gangbaar commercieel risico zullen beschouwen en de kost zullen verhalen op de overheid.

Speculeren op ebola

Anders dan België is de Wereldbank wél vaker pionier, toch wanneer het gaat over financiële spitstechnologie voor ontwikkeling. In 2017 deed de bank een poging om de financiële markten aan te boren om de catastrofale pandemieën zoals het Zika-virus of de vogelgriep in te dammen. De Bank ontwikkelde een “pandemic bond” en haalde meer dan 320 miljoen dollar op bij private investeerders. Wanneer daadwerkelijk een besmettelijke ziekte uitbreekt, laten investeerders de hoofdsom die ze voor dat waardepapier betaalden, vallen in ruil voor een royale premie.

Ondertussen hopen de investeerders dat er voor 2020 geen pandemie uitbreekt. In dat jaar vervallen de obligaties en strijken de investeerders hun premie op zonder ooit een cent in gezondheidszorg te hebben geïnvesteerd.

Toen Congo vorig jaar opnieuw getroffen werd door een ebolauitbraak, bleken die obligaties waardeloos, althans voor de getroffen Congolees. Eén van de voorwaarden voor uitbetaling was immers dat een uitbraak minstens twee landen moest treffen. Omdat het ebolavirus binnen de Congolese landsgrenzen bleef kwam er geen uitbetaling. Een bijkomende noodfaciliteit met extra geld moest de ellende in Congo opdweilen. Ondertussen hopen de investeerders dat er voor 2020 geen pandemie uitbreekt. In dat jaar vervallen de obligaties en strijken de investeerders hun premie op zonder ooit een cent in gezondheidszorg te hebben geïnvesteerd.

Aan deze financiële spitstechnologie zijn gelijkaardige risico’s verbonden als aan het humanitaire voorbeeld. Ook hier is de prijszetting een probleem. Het risico op de uitbraak van een mondiale pandemie is zeer moeilijk, zoniet onmogelijk in te schatten. Daarom is het ook aartsmoeilijk een correcte prijs te plakken op een verzekeringspolis, wat de pandemic bonds in wezen zijn.

Tegelijk kan je de vraag stellen of de “markt” voor dat soort verzekeringspolissen wel bestaat. Donoren, zoals Duitsland en Japan die garant staan voor het uitbetalen van de premies, kunnen als grote, stabiele economieën makkelijk aan zeer goedkoop geld geraken. Veel makkelijker dan eender welke private investeerder. Moeten die landen dan echt private financiers gaan vergoeden om dat geld in hun plaats aan te leveren?

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Eigenlijk zijn bovenstaande experimenten variaties op eenzelfde dominante thema in het ontwikkelingsbeleid vandaag: private geldschieters mee in bad trekken in de spreiding van ontwikkelingsrisico’s. An sich is dat een lovenswaardige ambitie als dat betekent dat je meer risico’s van meer mensen gedekt krijgt. Maar net daar knelt het schoentje. Het lijkt er vaak op dat vooral de kost van die dekking toeneemt omdat de private sector niets voor niets doet.

Daarom lijkt het mij nog niet zo onverstandig om terug meer focus te leggen op de “ouderwetse” manier van risicodekking via preventie, investeringen in basisgezondheidszorg, zuiver water, infrastructuur en opleiding van gezondheidswerkers. Uiteindelijk is dat de beste verzekeringspolis tegen een nieuwe pandemie en vergt het ook, tja, solidariteit om dat te financieren.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Policy and Advocacy Manager bij Eurodad

    Jan Van de Poel is Policy and Advocacy Manager bij het Europese ngo-netwerk Eurodad. Hij is er verantwoordelijk voor het beleidswerk rond effectieve ontwikkelingshulp.