Overstromingen natuurfenomenen of sociale destructie?

Klimaatverandering: déjà vu?

photosan0 CC BY-NC-ND 2.0

Zeeland

‘Er is een eindeloos verschil tussen de Robespierre die slechts éénmaal in de geschiedenis voorkomt en een Robespierre die eeuwig terug zou keren om de koppen van de Fransen te laten rollen. Laten we zeggen dat de gedachte van de eeuwige terugkeer een zeker perspectief betekent waarin de dingen zich anders vertonen dan we die kennen: ze vertonen zich zonder de verzachtende omstandigheid van hun voorbijgaande aard.’

Aan het woord is Milan Kundera, op de eerste bladzijden van zijn Ondraaglijke lichtheid van het bestaan. Ik lees erin dat het niet zo heel vruchtbaar is om sommige dingen te verheffen tot het absoluut ongeziene kwaad: nazisme, kolonialisme, de klimaatverandering.

‘Toegegeven, het zal allemaal extremer worden dan wat we tot nog toe meemaakten, maar er zijn telkens ook punten van overeenstemming’

Relativeren heeft een negatieve bijklank, maar daar moeten we vanaf: door zaken te plaatsen in een reeks van vergelijkbare gebeurtenissen maken we onze verantwoordelijkheid ervoor duidelijker, en moeilijker te negeren. En tegelijkertijd ook makkelijker op te nemen, aangenomen dat wij, de mens, kunnen leren uit onze fouten.

Toegegeven, de klimaatverandering waar we met zijn allen midden in zitten heeft ongetwijfeld haar unieke kanten, of de temperatuurstijging nu 1,5 of 2 graden Celsius zal bedragen, zoals een recent VN-rapport aangeeft, dan wel 4 of 5 graden Celsius, zoals een studie enkele maanden geleden voorspelde. Maar het is niet de klimaatverandering op zich, het zijn de gevolgen: koude winters, warme zomers, minder biodiversiteit, meer overstromingen. Toegegeven, het zal allemaal extremer worden dan wat we tot nog toe meemaakten, maar er zijn telkens ook punten van overeenstemming.

Sint-Felixvloed

Neem nu de Sint-Felixvloed die in 1530 het Schelde-estuarium teisterde. Ik neem dit voorbeeld omdat dit stukje Europa door de politieke structuren van die tijd enigszins vergelijkbaar is met de huidige wereld: er was wel een centraal keizerlijk gezag, maar dat was ver weg, de keizer had geen land maar een rijk, een archipel van relatief autonome entiteiten onder kerkelijk of wereldlijk gezag, van verschillende aard, vorm, grootte en geschiedenis.

De Sint-Felixvloed werd ondertussen ook zorgvuldig beschreven en in kaart gebracht. In de nacht van 4 op 5 november 1530 verdween de helft van Zuid-Beveland tijdens een stormvloed. Twee dozijn dorpen waren dat, de meeste daarvan op de plaats die we op Google Maps nu kennen als de oostkant van de Oosterschelde.

Het goede nieuws is dat het er veel meer hadden kunnen zijn, want zowel deze ramp als het voorkomen ervan waren mensenwerk. En dan vooral het mensenwerk van samenwerking. Vijfhonderd jaar geleden was het mensenwerk geweest om de dijken te onderhouden in Walcheren, het eiland dat ten westen van Zuid-Beveland lag, dieper de Noordzee in. Aan de Westkant van Zuid-Beveland had de stad Goes enkele jaren voor de Vloed zelf het dijkbeheer in handen genomen, tegen de wil van het centrale gezag in Brussel. Toen de stormvloed gaten sloeg in de dijken waren deze na enkele dagen alweer gedicht.

De oostkant

Niet zo aan de oostkant echter, waar de onmiddellijk betrokken bewoners weinig vat hadden op de dijkgraven, waarvan de meesten niet ter plekke woonden en het beheer van de dijken daardoor meestal werd gedelegeerd aan één of ander familielid, ‘latende somtijts de dijcken onbesorcht in groote vreeze, pericle ende dangiere van dengene die in den lande aldair geerft zijn.’

Dat was niet geheel toevallig: Antwerpen beleefde de eerste decennia van zijn Gouden Eeuw en het nieuwe handelskapitaal investeerde ook in de vruchtbare polders rondom. Zeeland was daarbij maar een halve dagreis ver.

Niet zo aan de oostkant ook, waar zelfs de hoge heren een keizerlijke verbod negeerden dat in de eeuw voordien al was ingesteld, om de grond verder af te graven voor zoutwinning. Het afsteken van turflagen voor zoutwinning bracht niet enkel veel geld op, het was ook een belangrijke bron van belastinginkomsten. Maar het gevolg hiervan was wel dat het land werd afgegraven en het water dus vrij spel kreeg eens de dijken doorgebroken waren.

Niet zo aan de oostkant tenslotte, waar een zekere Heer Adriaan van Reimerswaal de doorbraak van de dijk in de buurt van zijn slot Lodijke zag als een kans om een haven voor zichzelf te creëren: hij weigerde het gat in de dijk te (laten) dichten, ‘seggende laet het havenken schueren, meynende een schoon vlot aen Lodijck te crijgen. Het havenken schuerde zoo dat mijnen heere van Lodijcke al zijn schoon goet verloos.’ Inderdaad, zowel Lodijke als Reimerswaal bestaan nog slechts in naam. Reimerswaal was een stad ter grootte van Middelburg op de vooravond van de Sint-Felixvloed.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Land op zee

En toen moest de ramp na de ramp nog komen. ’t Is te zeggen, het goede nieuws is dat de stukken land die we nu nog kennen als Zeeland er in de eerste plaats op eigen kracht in geslaagd zijn de gaten te dichten en het puin te ruimen: Walcheren, Noord-Beveland, westelijk Zuid-Beveland. De verdronken Oostkant moest echter rekenen op hulp van buitenaf, en daarbij werd in de eerste plaats gekeken naar de Antwerpenaren, in de eerste plaats als geldschieters van de keizer, maar later ook als initiatiefnemers.

‘Voor de Antwerpse handelaars was het herwinnen van het land op de zee een mogelijk interessante investering in dure poldergrond die plots in waarde was gedaald’

Voor de Antwerpse handelaars was het herwinnen van het land op de zee een mogelijk interessante investering in dure poldergrond die plots in waarde was gedaald. De oorspronkelijke eigenaars mochten mee investeren in herbedijking, maar zij die dat niet wilden of konden zouden ook hun grond verliezen aan de financiers. Moest dit plan gerealiseerd worden dan was het een klassieke vorm van land grabbing geweest. Maar het waren uiteindelijk niet de Antwerpenaren, maar de zee zelf die het land opeiste, met de Allerheiligenvloed van 1532 en de Sint-Pontiaansvloed van 1552.

De ondergang van Oostelijk Zuid-Beveland was dus een accident waiting to happen, zonder de verzachtende omstandigheid dat het meer dan menselijk falen was: De Sint-Felixvloed bewees immers haast met de precisie van een laboratoriumexperiment dat andere gebieden onder krek dezelfde omstandigheden letterlijk het hoofd boven water wisten te houden, door een betere preventie en een snelle interventie op het moment van de ramp zélf.

Ondertussen wéten we dus dat overstromingen alleen maar natuurfenomenen lijken: het zijn door en door sociale destructies.

Al naargelang het recente VN-rapport dan wel de studie die deze zomer verscheen, zal de zeespiegel stijgen met 1,5 tot 60 meter. In het laatste geval zou heel het schip (!) van de Antwerpse kathedraal onder water staan. Ondertussen hebben we ook de Verlichting meegemaakt, maar de vraag is niet of onze samenleving nu superieur is, de vraag is of ze superieur genoeg zal zijn.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift