Ontwikkelingssamenwerking moet één van de fundamenten van het herstelbeleid zijn

Komt er een post-coronatijdperk voor ontwikkelingssamenwerking?

public domain (CC0)

 

 

De budgetten voor ontwikkelingssamenwerking liggen lager dan ooit, zeggen enkele ervaren ontwikkelingswerkers. Het is het resultaat van jarenlange besparingen volgens een neoliberaal model. De pandemie toont aan dat we elementen die voor iedereen van levensbelang zijn, weer moeten onttrekken aan roofzucht en winstbejag. Ook de rol van de staat moet weer in teken staan van algemeen welzijn voor iedereen.

Tijdens de legislatuur van de “Zweedse” coalitie werd de sector van de ontwikkelingssamenwerking grondig door elkaar geschud. Tussen 2014 en 2019 werden verschillende hervormingen goedgekeurd die bedoeld waren om de officiële ontwikkelingshulp te “debureaucratiseren” en het beheer ervan te baseren op managementprincipes uit de privésector.

Die tendens is niet nieuw en ligt in de lijn van eerdere hervormingsgolven die hun inspiratie haalden bij het New Public Management (een reeks hervormingen uit de jaren 80 die overheden invoerden om publieke diensten te moderniseren, red.), maar schakelde in een hogere versnelling na de financiële crisis van 2008.

Die “nieuwe managementsorde” kwam uit de bedrijfswereld overgewaaid en wordt nu toegepast in de naam van de “hulpefficiëntie” op de ontwikkelingssamenwerking. Het ontpopte zich tot het nieuwe hervormingsparadigma van de internationale ontwikkelingssamenwerking. Zij wordt volop gepromoot door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de club van de industrielanden.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Een bewuste politieke keuze

In de praktijk komt die keuze neer op een overheidsbeleid dat vanuit marktprincipes wordt aangestuurd. De Belgische regering nam duidelijk stelling ten voordele van het invoeren van procedures en beleidspraktijken die in de privésector worden toegepast.

De afgelopen tien jaar daalde het Belgische budget voor ontwikkelingshulp met 23 procent in absolute cijfers.

Ter compensatie van ingrijpende bezuinigingen van de overheid worden nieuwe financiële middelen aangeboord via een systeem van gemengde publiek-private financiering (blending) waarbij de privé-sector een steeds groter aandeel verwerft in het bepalen van het ontwikkelingsproces. Die evolutie werd ook toegelicht in een recent dossier van La Revue Nouvelle waarin wordt aangetoond dat die keuze gestoeld is op een samenlevingsmodel waarin de rol van de staat wordt gemarginaliseerd en wordt omgevormd tot die van “facilitator” ten gunste van de privésector waardoor de actieradius van de overheidsinstanties verder wordt ingeperkt.

De keuze van Belgische overheid bevestigt een tendens die al in 2010 begon: de aanhoudende afbouw van overheidsmiddelen voor ontwikkelingshulp en het aanwenden van die hulp om Belgische politieke, economische of geostrategische belangen te verdedigen. Het koppelen van ontwikkelingshulp aan migratiebeleid is daar een voorbeeld van.

De afgelopen tien jaar daalde het Belgische budget voor ontwikkelingshulp met 23 procent in absolute cijfers. Bovendien werd een deel van dat budget voor ontwikkelingssamenwerking ook vaker aangewend voor zogenaamde “fantoomhulp”. Dergelijke fantoomhulp draagt niet rechtstreeks bij tot de bestrijding van de armoede in het Zuiden, maar dient de eigen belangen van België, zoals bijvoorbeeld de opvang van asielzoekers door Fedasil.

Bovendien is de evolutie in de richting die de rol van de privésector versterkt een paradoxale evolutie: de Belgische regering besliste immers om haar inspanningen te concentreren op “fragiele staten” in Afrika, terwijl net die landen voor buitenlandse bedrijven minder aantrekkelijk zijn en ze dus minder snel geneigd zijn om daar te investeren of economische risico’s te nemen.

De feiten achter het discours…

Het beschikbare budget is de voorbije 20 jaar nooit zo laag geweest, terwijl de politieke inmenging groter is dan ooit.

De ingrijpende bezuinigingen in de Belgische overheidssteun voor ontwikkelingssamenwerking gingen gepaard met diepgaande hervormingen in het Belgisch ontwikkelingslandschap, zowel binnen de gouvernementele als de niet-gouvernementele samenwerking.

Het Belgische ontwikkelingsagentschap Enabel werd in 2018 hervormd met het oog op meer autonomie en efficiëntie. Tegelijkertijd werd het budget voor de projectenportefeuille die de Belgische staat vandaag nog aan Enabel toevertrouwt, sterk ingeperkt.

Het beschikbare budget voor de gouvernementele samenwerking is de voorbije 20 jaar nooit zo laag geweest, terwijl de inmenging van de politiek en de administratie in de werking van het agentschap, maar ook rechtstreeks in de ontwikkeling van zijn programma’s, groter is dan ooit. In die nieuwe omgeving lijkt het evenwichtige en wederzijds verantwoordelijke “partnerschap” tussen België en de partnerlanden, zoals dat werd vastgelegd in de Verklaring van Parijs van 2005, definitief van de baan.

Ook de niet-gouvernementele samenwerking (via ngo’s, verenigingen, universiteiten en hogescholen, enz.) kreeg een versnelde veranderingsgolf te verwerken. De hervormingen waren gestoeld op de erkenning van de ngo’s op basis van strakke managementcriteria en leidde tot pietluttige en tijdverslindende bureaucratische rompslomp en omslachtige maar verplichte overlegprocedures tussen de verschillende spelers.

Elle verwachtingen ten spijt, blijft de belangstelling van de privésector voor de ontwikkeling van de landen uit het Zuiden eerder “mager”.

Een zuinig beheer kan gerechtvaardigd zijn, maar deze hervormingen leidden vooral tot willekeurige vereenvoudigingen, tot verstikking van kleinere structuren en tot de zinloosheid van het werk in de ogen van de ontwikkelingswerkers zelf. Bovendien werden talrijke interventies die een rechtstreekse invloed hadden op het leven van de mensen in het Zuiden, zwaar getroffen door de terugval in de overheidssubsidies.

En hoe vergaat het de privésector? In het kader van de havenprojecten in Cotonou en Conakry werden enkele zeldzame publiek-private samenwerkingsinitiatieven opgestart, met name via de haven van Antwerpen. Er werden enkele projecten opgestart in de landbouwexport. Er werd een Belgisch platform opgericht om de privésector warm te maken voor de samenwerking met het Zuiden. Maar alle verwachtingen ten spijt, blijft de belangstelling van de privésector voor de ontwikkeling van de landen uit het Zuiden eerder “mager”.

En toen kwam COVID-19…

De dreiging van COVID-19 leidde op alle continenten tot een nooit geziene crisis. Net zoals andere economische en maatschappelijke sectoren reageerde de Belgische ontwikkelingssamenwerking. België nam maatregelen, gaande van noodhulp op korte termijn, zoals de aankoop en verscheping van enkele ambulances naar Kinshasa, tot interventies met een perspectief op middellange termijn. De COVID-19-inspanningen van de Belgische ontwikkelingssamenwerking werden niet zozeer gefinancierd via bijkomende budgetten die daarvoor werden vrijgemaakt, maar via een herschikking van de reeds beschikbare budgetten.

Hoewel dit op korte termijn noodzakelijk is, blijven de maatregelen volstrekt ontoereikend in het licht van de fundamentele uitdagingen waarmee de huidige pandemie ons op brutale wijze confronteert. De crisis heeft de groeiende ongelijkheid en de breuklijnen in eigen land én het Zuiden blootgelegd en uitvergroot. Zij confronteert ons met een onontkoombare impasse: die van het geglobaliseerde ontwikkelingsmodel en van het neoliberalisme, waarvan het Belgische beleid tijdens de voorbije legislatuur slechts één van de vele uitingen was.

Wat moeten we dan doen om ervoor te zorgen dat de Belgische ontwikkelingssamenwerking na de coronacrisis geen afkooksel wordt van het model dat reeds vóór de crisis in voege was?

De huidige crisis legt de vinger op de absurditeit van de “light”-versie van de staat die de ideologen van het neoliberalisme ons willen opleggen.

Ook al blijft en groeit de kloof tussen “Noord” en “Zuid”, toch lijkt de inzet wereldwijd hoe langer hoe meer parallellen te vertonen. De prioritaire behoeften van de mensen uit het Zuiden zijn precies dezelfde als de onze: een kwalitatief hoogstaand gezondheidszorgsysteem en sociale bescherming voor iedereen; een performant onderwijssysteem dat de kennis en emancipatie van de volwassenen van morgen onderbouwt; een veerkrachtige voedselsysteem dat verankerd is in een agro-ecologische transitie die de bestaande ecosystemen beschermt; een eerlijke verdeling van de beschikbare natuurlijke hulpbronnen zowel voor de huidige als voor de toekomstige generaties; en, last but not least, een staat die niet enkel zijn essentiële soevereine kerntaken weer opneemt, maar opnieuw zijn strategische rol vervult bij het aansturen van het ontwikkelingsproces en toeziet op een rechtvaardige verdeling van de inkomsten.

De 17 duurzame ontwikkelingsdoelen die de Verenigde Naties in 2015 goedkeurden, lijken vandaag meer dan ooit relevant te zijn en belangen eenieder aan, zowel in het Noorden als het Zuiden. Een ontwikkelingssamenwerkingsbeleid dat gekenmerkt wordt door een voortdurende “stop and go”, dat steeds opnieuw van koers verandert, dat telkens weer vastloopt in al te Belgische structuren en bepaald wordt door de modetrend van de dag, zoals digitalisering of een marginale mobilisatie van de privésector, is niet in staat om die doelstellingen waar te maken.

De huidige crisis gaat niet om een zoveelste pandemie, maar legt de vinger op de diepe ongelijkheid en vernietigende kracht van het huidige ontwikkelingsmodel en op de absurditeit van de “light”-versie van de staat die de ideologen van het neoliberalisme ons willen opleggen.

Wij zijn meer dan ooit overtuigd van de noodzaak om een aanzienlijke verschuiving in onze ontwikkelingssamenwerking door te voeren ten voordele van een aantal fundamenten:

  • Steun voor de kleinschalige en agro-ecologische landbouw die de Coalitie tegen Honger nastreeft.
  • Steun voor eerstelijnsgezondheidszorg (een speerpunt van de strijd tegen alle pandemieën).
  • Steun voor de ontwikkeling van socialezekerheidsstelsels voor het terugdringen van de ongelijkheid.
  • Steun voor projecten uit de sociale et solidaire economie.
  • Steun voor korte ketens die mensen de mogelijkheid bieden om hun afhankelijkheid ten opzichte van de geglobaliseerde economie te verminderen.

Wij zijn ook van mening dat essentiële en levensbelangrijke elementen zoals water, een gezonde omgeving, elementaire natuurlijke hulpbronnen, opnieuw tot de openbare sfeer moeten behoren en onttrokken moeten worden aan elke vorm van roofzucht en winstbejag. Om dit mogelijk te maken zal de staat haar rol moeten herdefiniëren in functie van het bewerkstelligen van het algemeen welzijn voor iedereen. Als we willen dat dit weer onze politieke horizon wordt, dan wordt het hoogdringend tijd om komaf te maken met de dodelijke en uitzichtloze marktlogica als belangrijkste fundament van het beleid.

‘Alleen ga je sneller, maar samen kom je verder’, luidt een Afrikaans gezegde.

De COVID-19-pandemie herinnerde ons op een brutale manier aan de nauwe onderlinge samenhang tussen de verschillende naties op onze planeet. Op lange termijn is onze eigen ontwikkeling onafscheidelijk verbonden met die van de andere naties, en in het bijzonder met die van de naties in het Zuiden. ‘Alleen ga je sneller, maar samen kom je verder’, luidt een Afrikaans gezegde.

Ontwikkelingssamenwerking kan meer dan ooit één van de domeinen worden waar de overheid een herstelbeweging in de goede richting aanstuurt. Op voorwaarde dat dit proces wordt geschraagd door een wel doordachte en onderbouwde strategie binnen een langetermijnperspectief. In het post-coronatijdperk is de hamvraag voor alle burgers, ontwikkelingswerkers en beleidsverantwoordelijken de volgende: welke zin en welke richting willen we geven aan de ontwikkeling van het Zuiden… maar ook van het Noorden?

Zal de volgende regering in staat zijn om deze uitdaging aan te gaan?

Auteurs: Marleen Bosmans (expert mensenrechten), Paul Géradin (leraar sociale wetenschappen), Pierre Grega (ontwikkelingsprojecten assessor), Alain Laigneaux (adviseur landbouw en plattelandsontwikkeling), Georges Pierseaux (bio-ingenieur gespecialiseerd in landbouweconomie).

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2838   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift