Soevereiniteit heeft een prijskaartje

Ontwikkelingshulp in ruil voor stemmen

UNMISS CC BY-NC-ND 2.0

Nikki Haley, Ambassadeur van de Verenigde Staten bij de VN

Op 15 maart meldde het tijdschrift Foreign Policy dat de administratie van Nikki Haley, Ambassadeur van de Verenigde Staten bij de VN, werkt aan een systeem om ontwikkelingslanden die “ongewenst stemgedrag” vertonen in de organen van de VN te bestraffen met het afnemen van ontwikkelingshulp.

Groot en schokkend wereldnieuws was het niet. Al tijdens haar inauguratiespeech liet Haley weten dat ze de namen zou noteren van landen die de VS niet steunen.

Toen Jemen in 1990 als niet-permanent lid van de VN Veiligheidsraad tegen een militaire invasie in Irak stemde, zou de toenmalige Ambassadeur van de VS bij de VN, Thomas Pickering, tegen zijn collega uit Jemen gezegd hebben: ‘Dat was dan de duurste stem die je ooit zal uitbrengen.’ De VS bevroor vrijwel onmiddellijk een slordige 70 miljoen euro hulp –tot dan was Jemen een trouwe bondgenoot– en Jemen kon zijn internationale schulden niet meer afbetalen, geraakte in de problemen met het IMF, enzovoort.

Geen schending van de soevereiniteit

Dit is zeker een aanfluiting van het principe van gelijkwaardigheid van staten, waarop ons mondiaal bestuur geschoeid is, althans in theorie. Om te beseffen wat de impact is van een systeem van ontwikkelingshulp in ruil voor stemmen, volstaat het een enkel VN-programma onder de loep te nemen: het PEPFAR.

‘Je zal maar president van een land zijn waar honderdduizenden mensen voor hun leven afhankelijk zijn van PEPFAR, en dan de nota van Haley op je boterham krijgen’

Dit staat voor United States President’s Emergency Plan For AIDS Relief, goed voor aidsremmende medicatie voor 4 miljoen mensen. Je zal maar president van een land zijn waar honderdduizenden mensen voor hun leven afhankelijk zijn van PEPFAR, en dan de nota van Haley op je boterham krijgen.

Maar een schending van de soevereiniteit is het niet, in tegendeel. Het is de uitoefening van staatsoevereiniteit in haar puurste, rauwste vorm.

Als landen aan elkaar geen verantwoording verschuldigd zijn, behalve eventueel voor de schade die ze elkaar berokkenen, of voor de engagementen die ze vrijwillig zijn aangegaan door het ratificeren van internationale verdragen, dan heeft de VS geen plicht om ontwikkelingshulp te geven.

Dan kan de VS kiezen om toch hulp te geven, onder bepaalde voorwaarden, en hebben de begunstigden de soevereine keuze om die hulp te weigeren. Iedereen vrij, iedereen blij.

Hebben ontwikkelingslanden een echte keuze?

Een van de werelddoelen voor duurzame ontwikkeling is ‘een universele ziekteverzekering, met inbegrip van de bescherming tegen financiële risico’s, toegang tot kwaliteitsvolle essentiële gezondheidszorg en toegang tot veilige, doeltreffende, kwaliteitsvolle en betaalbare essentiële geneesmiddelen en vaccins voor iedereen.’

Kwaliteitsvolle essentiële gezondheidszorgdiensten is een rekbaar begrip, toch zijn gezondheidseconomen het erover eens dat dit, in lage-inkomenslanden, minstens 80 euro per person per jaar kost. Lage-inkomenslanden zijn per definitie landen met een bruto nationaal product (BNP) van minder dan 1000 euro. En voor sommige van die landen is het heel wat minder. Burundi raakt met moeite aan 250 euro.

Onlangs schreef Melanie Schellens dat ‘algemeen wordt aangenomen dat een land toch minstens 15 procent van zijn bnp moet kunnen genereren aan belastinginkomsten.’

Een snelle rekenoefening leert dat het minst arme lage-inkomensland, Senegal, 135 euro per persoon per jaar aan belastinginkomsten zou kunnen innen en besteden, zonder hulp van andere landen. In Burundi zou dat 37,5 euro zijn. Maar daarmee moet niet alleen gezondheidszorg worden betaald, ook onderwijs, politie, justitie, infrastructuur. In 2001 beloofden Afrikaanse landen 15 procent van hun budget aan gezondheidszorg te besteden, dat betekent dan 20,25 euro in Senegal en 5,63 in Burundi. De kaap van 80 euro is nog heel ver weg.

Geen vrijgevigheid, wel wettelijke plicht

België ondertekende het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Dat betekent dat de bepalingen van dit verdrag bindend internationaal zijn voor België, net als voor 166 andere landen.

‘Alle landen zijn verplicht hun best te doen om de economische, sociale en culturele mensenrechten zo goed mogelijk moeten realiseren, en rijkere landen moeten de armere landen daarbij helpen’

‘Iedere Staat die partij is bij dit Verdrag zich verbindt maatregelen te nemen, zowel zelfstandig als binnen het kader van de internationale hulp en samenwerking, met name op economisch en technisch gebied, en met volledige gebruikmaking van de hem ter beschikking staande hulpbronnen, ten einde met alle passende middelen, inzonderheid de invoering van wettelijke maatregelen, steeds nader tot een algehele verwezenlijking van de in dit Verdrag erkende rechten te komen’, zo stelt artikel 2(1) van dat verdrag.

In gewone taal betekent dit dat alle landen hun best moeten doen om de economische, sociale en culturele mensenrechten zo goed mogelijk moeten realiseren, en dat de rijkere landen de armere landen daarbij moeten helpen. Voor de rijkere landen die dit verdrag geratificeerd hebben – de VS deden dit niet– is ontwikkelingshulp geen vrijgevigheid, maar een wettelijke plicht.

Hoewel het principe duidelijk is, blijkt de uitwerking ervan dat helaas veel minder. Welk rijk land moet welk arm land bijstaan? Hoeveel? Voor hoelang? Onder welke voorwaarden -mogen rijkere landen van armere landen eisen dat ze eerst hun eigen middelen uitputten, en pas dan hulp van buitenaf mogen ‘opeisen’? Dat zijn allemaal vragen die nog op een definitief antwoord wachten, maar de meeste juristen zullen het erover eens zijn dat ‘stem met ons in alle organen van de VN’ geen geoorloofde voorwaarde is.

Opzettelijk, collectief en ostentatief

Er zijn twee belangrijke redenen waarom we nog weinig of geen antwoorden hebben op de vragen hierboven. Vage wetteksten zijn niet uitzonderlijk. Soms blijft de wetgever met opzet op de vlakte, en laat die de verdere uitwerking over aan de interpretatie van de rechters. In het geval van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten is er (nog) geen rechtbank waar mensen of staten die menen dat (andere) staten hun plichten niet nakomen een zaak aanhangig kunnen maken en een vonnis of arrest kunnen bekomen. 

Sommige verdragen hebben wel een bevoegde internationale rechtbank, voor dit verdrag werd gekozen voor een systeem van monitoring. Alle partijen bij het verdrag moeten regelmatig verslag uitbrengen bij het Comité voor economische, sociale en culturele rechten, en dat Comité geeft dan commentaar. 

Zo heeft België al opmerkingen gekregen dat het tenminste 0,7 procent van het bnp aan ontwikkelingshulp moet besteden. In een ander commentaar bevestigde het Comité dat rijkere landen andere landen moeten helpen om tenminste essentiële gezondheidszorg aan iedereen te verstrekken: geheel in lijn het werelddoelen voor duurzame ontwikkeling over een universele ziekteverzekering. Maar deze aanbeveling heeft niet het gewicht van een rechterlijke uitspraak, staten kunnen dergelijke aanbeveling straffeloos negeren.

De tweede belangrijke reden waarom we geen duidelijk antwoord kunnen geven op bovenstaande vragen is dat staten die aanbevelingen niet alleen kunnen negeren: zo doen het ook, collectief en ostentatief. De echte discussie over die vragen zal pas beginnen wanneer landen het principe aanvaarden. Pas dan kan politiek en juridisch overleg over de uitvoering van het principe echt beginnen. Het is nog altijd wachten op het eerste rijke land.

Ik ben het dan ook helemaal eens met Tom De Herdt wanneer die schijft dat we ‘maar beter voorzichtig zijn als we het mensenrechtenverdrag boven halen als het erom gaat anderen de les te spellen.’ Zolang wij niet bereid zijn om onze plichten na te komen, is onze verontwaardiging over het gedrag van de VS misplaatst.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift