Hoe maken we ontwikkelingssamenwerking weer relevant?

Ontwikkelingssamenwerking heeft nood aan eigen Greta Thunberg

IHH (CC BY-NC-ND 2.0)

 


Ontwikkelingssamenwerking is niet bepaald hip. Ik heb het niet onderzocht, maar ik denk dat ik nogal veilig zit met die stelling. Niet dat een grote meerderheid ontwikkelingssamenwerking meteen bij het grof huisvuil wil zetten, blijkt uit de recentste Eurobarometer. Anderzijds scoor je er ook geen punten mee, evenmin als stemmen trouwens. Een afspraak bij De Afspraak is zeldzaam, wat de intensiteit (en kwaliteit) van het politieke debat geen goed doet. Nochtans is het best interessant als je op zoek bent naar een ouderwetse clash van ideeën.

Het besef dat de gemiddelde Europese burger niet bepaald wakker ligt van ontwikkelingssamenwerking, is ook in het wereldje doorgedrongen. Daar is een drukke zoektocht bezig naar een “verhaal” over de relevantie van ontwikkelingssamenwerking vandaag. Hoe zorgen we dat burgers – en dus ook de leiders die ze kiezen – die samenwerking blijven steunen?

De OESO nam alvast de handschoen op in haar jaarlijkse Development Cooperation Report, dat net voor nieuwjaar verscheen. Het antwoord van de club van rijke donoren zit in de titel van het rapport: A fairer, greener and safer tomorrow. Kort gezegd, luidt het verhaal dat ontwikkelingssamenwerking de wereld eerlijker, groener en veiliger maakt. En daar hebben we allemaal bij te winnen want in die eerlijke, groene en veilige wereld kunnen economieën groeien, bedrijven investeren en blijven mensen braaf op hun plaats.

Terugkeer van nationaal belang

Dat antwoord is een symptoom van dé trend die ontwikkelingssamenwerking vandaag kenmerkt: de terugkeer van het nationaal belang. Niet dat het ooit helemaal is weggeweest. Tot aan de val van de Muur, ging ontwikkelingssamenwerking niet over de vraag of mensen er beter van werden, maar of ze aan de juiste kant van de geschiedenis stonden. Massa’s ontwikkelingsgeld ging op die manier naar “sons of bitches” (in de woorden van wijlen Franklin Delano Roosevelt) als Anastacio Somoza of Joseph-Désiré Mobutu.

Het Verenigd Koninkrijk haalt de 0,7-norm sinds 2013, maar in de feiten blijkt de “Global Development Superpower” niet wars van enig opportunisme.

In de “gouden” jaren negentig verdween dat cynisch opportunisme een beetje naar de achtergrond. Het was in die context dat donoren in Parijs overeenkwamen om het “eigenaarschap” van ontwikkelingslanden centraal te stellen. Ontwikkelingslanden kwamen aan het stuur terwijl donoren vanop de achterbank een duwtje in de rug geven. De concrete invulling was dat donoren moesten werken met de lokale instellingen in het land waar ze mee samenwerken, dat ze zich aan de prioriteiten van land en de bevolking moesten houden en dat ze hulp niet via de eigen bedrijven laten passeren maar de lokale markt aanspreken.

Die agenda, later herbevestigd en verder uitgewerkt tijdens verschillende internationale topontmoetingen (Accra, Busan, Nairobi), betekende ook een omwenteling in de manier waarop verantwoording wordt afgelegd. Niet langer “naar boven” – van regeringen in ontwikkelingslanden die het moeten uitleggen aan de geldschieter – maar “naar beneden” – regeringen die het aan hun burgers moeten uitleggen.

Die tijd van goud lijkt voorbij. Zelfs donoren die de aloude doelstelling bereiken om 0,7 procent van hun rijkdom in ontwikkeling te investeren, zijn niet noodzakelijke de beste leerlingen in de klas. Het Verenigd Koninkrijk haalt die 0,7-norm sinds 2013, maar in de feiten blijkt de “Global Development Superpower” niet wars van enig opportunisme. De laatste jaren dreigden de Britten er mee uit de OESO-club te stappen als die niet zou instemmen met een Brits voorstel om de definitie van wat als ontwikkelingssamenwerking doorgaat, op te rekken naar zaken als wapenleveringen aan ontwikkelingslanden of “ontwikkelingsrelevant” onderzoek aan de Britse universiteiten. Boris Johnson vond immers dat het Verenigd Koninkrijk ‘het belastinggeld van de Britten toch niet kan blijven uitgeven als één of of de andere Scandinavische ngo’.

Ook binnen de Europese Unie klinkt een soortgelijk, zij het wat meer diplomatisch discours. Zo telt de Commissie niet langer een ontwikkelingscommissaris maar één voor “international partnerships”. Die partnerschappen gaan niet alleen over ontwikkeling, maar moeten ook leiden tot meer groei, meer investeringen en minder migranten.

Nieuw kompas

A priori is een win-win situatie niet onmogelijk. Maar in de feiten …

An sich hoeft dat nog geen probleem te zijn. A priori is een win-win situatie niet onmogelijk. Vermits de uitdagingen van deze tijd allemaal samenhangen kunnen we ze beter samen – in partnerschap – aanpakken. Maar in de feiten blijkt dat de actuele trend de ontwikkelingssamenwerking niet beter doet werken. Uit de laatste monitoring door het “Global Partnership for Effective Development Cooperation”, een onafhankelijke oefening waaraan 86 ontwikkelingslanden en meer dan 100 donoren en instellingen deelnemen, blijkt dat de kwaliteit van ontwikkelingssamenwerking ter plaatse trappelt.

Als je inzoomt op het sleutelprincipe van die effectieve samenwerking – het eigenaarschap van ontwikkelingslanden – gaan we er zelfs op achteruit. Donoren maken minder vaak gebruik van lokale instellingen ook al verbetert de kwaliteit daarvan, er is minder transparantie en de hulp blijft op informele manier gebonden aan bedrijven in donorlanden, wat de kosten van de samenwerking nodeloos opdrijft.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
De vraag stelt zich dan ook of we die win-win-situatie niet anders moeten formuleren. Het hoeft geen probleem te zijn dat we zelf beter worden van onze ontwikkelingsinspanningen, maar het moet haar doelstellingen – armoedebestrijding, ongelijkheden aanpakken en duurzame ontwikkeling mogelijk maken – wel waarmaken. Daarvoor heb je een duidelijk kompas nodig. Dat kompas is er altijd geweest. Het voorstel om 0,7 procent van de nationale rijkdom als ontwikkelingshulp te reserveren, kwam bijna zeventig jaar geleden van de World Council of Churches.

Christelijke naastenliefde was het motief. Als je niet naar de mis gaat, kan je dat solidariteit noemen, of rationele nood om kansen ook mondiaal eerlijk te verdelen zodat het niet louter van geluk afhangt waar je terecht komt in de mondiale inkomensverdeling.

In plaats van te zoeken naar een verhaal dat eigenbelang doet balanceren met algemeen belang, is het beter om te bouwen aan een verhaal rond solidariteit. Meer dan een OESO-rapport heeft ontwikkelingssamenwerking nood aan een eigen Greta Thunberg. ‘How dare you to steal our future’?!

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2388  proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Policy and Advocacy Manager bij Eurodad

    Jan Van de Poel is Policy and Advocacy Manager bij het Europese ngo-netwerk Eurodad. Hij is er verantwoordelijk voor het beleidswerk rond effectieve ontwikkelingshulp.