Niet leven om te werken, maar werken om goed te leven.

Sociaal circulair ondernemen is goed voor de mondiale gezondheid

Brian Odwar / Pixabay

Gezondheid is veel meer dan enkel een goede gezondheidszorg.

‘Walk your talk’, zegt men wel eens in Londen, en dus heb ik Groot-Brexittannië en de London School of Hygiene and Tropical Medicine achter mij gelaten om HERW!N te vervoegen. HERW!N is het collectief van sociale circulaire ondernemers in Vlaanderen. Daarom wordt dit mijn laatste stukje voor De Ontwikkelaars. Sociaal circulair ondernemen is ook een thema voor MO*, maar toch een ander thema dan ontwikkelingssamenwerking. Ik verkas van Londen naar Gent en van De Ontwikkelaars naar de Zeronaut-blog.

Ik begrijp het wel, die drang om wereldproblemen op te delen in stukjes en hokjes. Het is een kwestie van overzicht te bewaren, of een poging om overzichtelijkheid te creëren. Toch denk ik dat dit ‘saucissoneren’ van de grote problemen ook problematisch is. Milieu, klimaat, ondervoeding, ongelijkheid, de mentale gezondheidscrisis, migratie, culturele botsingen, racisme, nationalisme, oorlog, kernwapens…  Als we elk van die problemen afzonderlijk aanpakken, gaan we ze nooit oplossen.

Daarom wil ik dit laatste stukje gebruiken om toch enkele verbanden bloot te leggen. Ik zal de wereldgezondheidscrisis die momenteel het meest aandacht krijgt – de ebola-uitbraak in het oosten van de Democratische Republiek Congo (DRC) – gebruiken om uit te leggen hoe sociaal circulair ondernemen goed is voor ‘onze’ gezondheid. Met ‘onze’ bedoel ik gewoon: mensen.

De ebolacrisis in Congo

Deze uitbraak van ebola begon in augustus 2018. In een jaar tijd werd bij 2.750 mensen besmetting met het ebola-virus vastgesteld; 1.750 van hen zijn gestorven. Waarschijnlijk is dit slechts het topje van de ijsberg, en zijn er nog honderden of duizenden andere mensen uit het het oosten van Congo, die besmet werden, en die nooit naar een gezondheidscentrum gegaan zijn voor een diagnose of behandeling.

Als we elk van de problemen afzonderlijk aanpakken, gaan we ze nooit oplossen.

Het merendeel van de ebola-gevallen werd vastgesteld in de provincies Noord-Kivu en Ituri. Dat zijn ook provincies waar milities al jaren strijden om meer macht. Het Congolese Ministerie van Volksgezondheid werkt er in penibele omstandigheden en ook internationale humanitaire organisaties hebben het moeilijk om daar te werken. De lokale bevolking heeft geen vertrouwen meer in het gezondheidssysteem.

En dat vertrouwen is cruciaal: als je niet gelooft dat je lokale kliniek de kennis en de middelen heeft om goed voor jou of voor jouw familieleden te zorgen, als je zelfs niet gelooft dat de mensen die in die kliniek werken goede bedoelingen hebben, waarom zou je dan als zieke of familielid van een zieke naar die kliniek gaan? Zo blijven veel ebola-gevallen ‘onder de radar’, en spreidt de epidemie verder uit.

Waarom strijden al die milities om meer macht? Grootse politieke projecten moet je daar niet gaan zoeken. Het gaat om controle over het ontginnen van en de smokkel in uiterst zeldzame metalen zoals coltan en tantalum. Die metalen zijn nodig om onze smartphones, pc’s en laptops te laten werken.

Een andere economie is nodig

In een notendop: hoe minder nieuwe smartphones er op de wereldwijde markt worden gebracht, hoe minder de marktwaarde van coltan zal zijn, hoe kleiner de belangen van milities in het oosten van Congo worden, hoe groter de kans op een vredesbestand wordt, en zo wordt het eenvoudiger om een uitbraak van ebola aan te pakken.

Sociale circulaire ondernemers bouwen aan een economie waarin het aanboren en ontginnen van nieuwe grondstoffen zoveel mogelijk wordt beperkt.

Nee, als je je smartphone nog een jaartje langer gebruikt, of een tweedehands toestel koopt, zal je geen ebola-patiënt redden. Het gaat om het groter geheel. Het gaat om het erkennen dat het onbeperkt aanboren en ontginnen van de grondstoffen van onze planeet een veel grotere ‘kost’ meebrengt dan de kost die wordt meegerekend in de verkoopprijs van afgewerkte goederen op de wereldmarkt.

Sociale circulaire ondernemers bouwen aan een economie waarin het aanboren en ontginnen van nieuwe grondstoffen zoveel mogelijk wordt beperkt, en waarin maximaal wordt ingezet op herwinnen en hergebruiken.

Een performante gezondheidszorg en solidariteit

Als de ebola-uitbraak in Congo zoveel aandacht krijgt in de Belgische media, dan is dat niet omwille van de 1.750 slachtoffers. Er zijn tijdens de voorbije twaalf maanden heel veel meer mensen gestorven in de provincies Noord-Kivu en Ituri, aan ziekten en gezondheidsproblemen die veel eenvoudiger te behandelen zijn.

De echte reden voor al die aandacht is angst: angst voor een ziekte die naar hier zou kunnen komen. Toch is, zelfs in het slechts denkbare ebola-scenario, de kans dat jij of ik aan ebola gaan sterven is klein. Oneindig veel kleiner dan de kans dat één van ons aan een verkeersongeval overlijdt.

Ja, het zou kunnen dat iemand vanuit Goma het vliegtuig neemt naar Addis Abeba, vanuit Addis Abeba naar Brussel, en pas na de landing in Brussel de eerste symptomen krijgt. Het zal dan niet lang duren voor die persoon in een hospitaal terechtkomt, waardoor verdere besmettingen zo goed als uitgesloten zijn. De kans op een ebola-uitbraak in België is zo goed als onbestaand, dat zegt ook het Europees Centrum voor Ziekte Preventie en Controle.

Dat die kans zo klein is hebben we te danken aan een zeer performant gezondheidssysteem. Het is ook een duur systeem. Alle Belgische overheden samen geven zowat €3.360 per inwoner per jaar uit aan gezondheidszorg; dat is 8% van het bruto binnenlands product (€42.000 per inwoner). Dat is een pak geld, maar we krijgen er wel iets voor terug: wanneer we zelf ziek worden, betalen we maar een fractie van de echte kostprijs.

Helaas, zowel de nationale als de nog veel zwakkere internationale solidariteit staan onder druk.

Weinig mensen kunnen inschatten of ze aan het eind van hun leven een ‘netto donor’ zullen zijn – of ze meer zullen hebben bijgedragen dan gekregen – of eerder een ‘netto begunstigde’. Dat hangt af van hoeveel we verdienen, hoe lang we leven, en welke gezondheidsproblemen we ondereg zullen tegenkomen. De meeste inwoners van België vinden dat ook volstrekt irrelevant: we vervullen onze plichten,  maken gebruik van onze rechten, en hoe minder gezondheidszorg we nodig hebben hoe liever. Dat heet solidariteit.

We geven veel minder uit aan gezondheidszorg in andere landen van de wereld, met name lage -en middeninkomenslanden, zoals Congo. Dat moet zowat 0,05 procent zijn: honderdvijftig keer minder dus. We krijgen er niet veel voor terug, behalve dan wat extra bescherming tegen besmettelijke ziekten die bij ons wel een ravage zouden kunnen veroorzaken. We beschouwen onszelf heel nadrukkelijk als ‘donorland’ wat betreft dit soort geld, en de landen die het krijgen zijn onze ‘begunstigden’.

Of we dit solidariteit kunnen noemen, weet ik niet. Ik zou het eerder liefdadigheid noemen. Toch is er in de voorbij pakweg twintig jaren een beweging ontstaan die dergelijke internationale transfers beschouwt als het in praktijk brengen van mensenrechten, met wederzijdse rechten en plichten.

Helaas, zowel de nationale als de nog veel zwakkere internationale solidariteit staan onder druk. België heeft goed geprofiteerd van de mondialisering van de economie. Weinig landen voeren zoveel in en uit. De druk van de concurrentie vanuit landen met lagere lonen en sociale bescherming hebben we redelijk goed weerstaan, door in te zetten op steeds hogere productiviteit en een performante kenniseconomie. Maar die strategie heeft een prijs. Steeds meer mensen vallen uit de boot. Steeds meer mensen hebben de hoop op een tewerkstelling in de ‘reguliere’ economie verloren.

Wie wel aan boord geraakt is, heeft minder zekerheid dan vroeger en werkt zich te pletter. We zitten met een epidemie van mentale ongezondheid die geen voorgaande kent: depressie, burn-out, suïcide, verslavingen… Die onzekerheid ondermijnt de solidariteit. We willen nog wel solidair zijn, we vragen zelfs om meer solidariteit, maar steeds meer mensen willen de kring kleiner maken en ‘vreemden’ weren.

Sociale circulaire ondernemers werken aan een betekeniseconomie: een economie waarin menselijke talenten worden ingezet, maar niet worden uitgeput, waarin we niet leven om te werken, maar werken om goed te leven.

Van sociale circulaire economie het nieuwe normaal maken

In de perceptie van veel mensen zit de sociale circulaire economie nog in de marge van de ‘reguliere economie’. Het wordt beschouwd als een tussenstap, van waaruit mensen moeten doorstromen. Deelnemen aan productie die zoveel mogelijk winst oplevert – desnoods ten koste van de planeet, het klimaat en de menselijke gezondheid – blijft het hoogste doel. We weten al langer dat dit niet houdbaar is.

Trouwens, een groot deel van onze economie is niet ‘regulier’, want niet gericht op zoveel mogelijk winst. Denk aan tewerkstelling bij de overheid, onderwijs, gezondheidszorg. Toch worden deze sectoren niet als on-reguliere economie beschouwd. Vreemd.

Van sociale circulaire economie het nieuwe normaal maken, daar werk ik graag aan mee. En ja, zo blijf ik mijn steentje ook bijdragen tot mondiale gezondheid.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift