Spannende tijden voor de Wereldgezondheidsorganisatie

Op 23 mei verkozen de lidstaten van de Wereldgezondheidsorganisatie de Ethiopiër Tedros Adhanom Ghebreyesus als de volgende Directeur-Generaal. Hij haalde het in een tweede stemronde van de Brit David Nabarro. ‘Veel van mijn vrienden en collega’s uit armere landen beschouwen dit als een overwinning van de armere landen op de rijkere landen’, zegt Gorik Ooms in zijn eerste bijdrage voor de ontwikkelaars.

  • UNMEER 5CC BY-ND 2.0) UNMEER 5CC BY-ND 2.0)

Helemaal zeker weten we het niet, want de stemming was geheim. Tijdens de campagne hadden enkele landen hun voorkeur voor een van de kandidaten echter al laten blijken. De verschillende landen van herkomst geven ook een indicatie.

In de eerste ronde waren er drie kandidaten: de Pakistaanse Sania Nishtar viel af, en bijna al haar stemmen kwamen bij Tedros terecht. (Hij gebruikt zelf meestal zijn voornaam, zoals de gewoonte is in Ethiopië; gelieve hier geen familiariteit vanwege de auteur te veronderstellen.)

Maar vooral omwille van de heel verschillende programmapunten kunnen we afleiden dat er inderdaad een stemming van armere landen tegen rijkere landen heeft plaatsgevonden. Nabarro en Tedros belichaamden zowat de tegenstelling die de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) al langer verdeelt: mondiale gezondheidsveiligheid (Global Health Security) versus universele dekking van de gezondheidszorg (Universal Health Coverage).

We kunnen afleiden dat er inderdaad een stemming van armere landen tegen rijkere landen heeft plaatsgevonden.

Mondiale gezondheidsveiligheid en universele dekking van de gezondheidszorg zijn streefdoelen van de WHO, en worden in de oprichtingsakte van de organisatie vermeld (doch niet met de benamingen, die zijn recenter). Met mondiale gezondheidsveiligheid bedoelen we een wereld waarin het risico op grensoverschrijdende epidemieën zoveel mogelijk wordt beperkt. Met universele dekking van de gezondheidszorg bedoelen we een wereld waarin iedereen toegang heeft tot basisgezondheidszorg.

Uiteraard sluiten de twee elkaar niet uit; wie er goed over nadenkt (en ook rekening houdt met ziekten die we nog niet kennen maar wel al kunnen voorspellen), zal tot de conclusie komen dat universele dekking van de gezondheidszorg de beste strategie is om mondiale gezondheidsveiligheid te bereiken. Wie enkel rekening houdt met de epidemieën die in de voorbije decennia zijn uitgebroken, weet dat het vaak goedkoper en efficiënter is om een cordon sanitaire (in de oorspronkelijke betekenis van de uitdrukking) aan te leggen, en voorrang te geven aan de bescherming van iedereen die buiten het cordon woont (de rest van de wereld, dus).

Het is precies die aanpak die mijn vrienden en collega’s uit armere landen ergert: het geeft hen het gevoel dat ze tweederangs wereldburgers zijn, en dat de gezondheid van de inwoners van de rijkere landen altijd op de eerste plaats komt.

Tijdens een conferentie in Bangkok eerder dit jaar kregen de drie kandidaten enkele vragen van het publiek; een van de vragen was hoe een herhaling van Ebola te voorkomen. Nabarro kwam eerst aan de beurt. Hij sprak over het Internationaal Gezondheidsreglement en de Mondiale noodgezondheidswerkers (global health emergency workforce); twee begrippen die direct naar mondiale gezondheidsveiligheid verwijzen. Tedros zei: ‘universal health coverage’, wel drie keer na elkaar. In de stilte die over de zaal viel probeerde Nishtar tussen de twee extremen te laveren.

Terug naar Alma-Ata, en wat toen volgde?

De spanning tussen beide streefdoelen is niet nieuw. In de oprichtingsakte van de WHO staat het recht op gezondheid bovenaan. Enkele paragrafen later staat dat ongelijke ontwikkeling, vooral wat betreft het controleren van epidemieën, een gevaar voor alle landen is.

De eerste decennia van de organisatie werden gekenmerkt door de strijd tegen besmettelijke ziekten. Daar bestaan meerdere verklaringen voor, onder andere de voorgeschiedenis van de organisatie (die eeuwen in de tijd teruggaat, naar samenwerking tussen Europese landen om epidemieën en de gevolgen ervan voor internationale handel te controleren) en de technische kennis van de eerste en tweede generatie medewerkers.

Een andere verklaring is het overwicht van de rijkere landen, die de rest van de wereld beschouwden als een bron van gevaarlijke ziekten. Dat overwicht begon te kantelen toen koloniën onafhankelijk werden, en zich bij de Wereldgezondheidsorganisatie aansloten (met stemrecht).

Ronald Reagan en Margaret Thatcher verweten de WHO dat die een politieke agenda had; een socialistische agenda bovendien.

Vanaf het begin van de jaren zeventig van de vorige eeuw begonnen de armere landen hun numeriek overwicht in de Verenigde Naties te gebruiken (vaak met steun van enkele rijkere landen). Het meest bekende voorbeeld daarvan de is de roep om een New International Economic Order. In de WHO vertaalde deze evolutie zich in de Verklaring van Alma-Ata van 1978, en het daaropvolgende programma Health for All by the Year 2000.

Enkele rijkere landen – de Verenigde Staten van President Ronald Reagan en het Verenigd Koninkrijk van Prime Minister Margaret Tatcher op kop – waren hier niet blij mee. Ze verweten de WHO dat die een politieke agenda had; een socialistische agenda bovendien. Daarnaast vonden nogal wat experten van rijkere landen dat het Health for All by the Year 2000-programma te ambitieus was, en ‘qui trop embrasse, mal etreint’: armere landen die hard proberen om al hun gezondheidsproblemen tegelijkertijd aan te pakken, zouden wel eens minder goed uitgerust kunnen zijn om besmettelijke ziekten in toom te houden.

Maar tegen de numerieke meerderheid van de armere landen konden zelfs Reagan en Tatcher niet op, en dus deden ze wat in diplomatieke middens “stemmen met de portefeuille” wordt genoemd.

Tijdens de jaren tachtig en negentig werden de financiële middelen voor ontwikkelingssamenwerking voor gezondheid steeds meer via de Wereldbank naar de armere landen geleid. Zeker aan het begin van die evolutie kon de Wereldbank zich niet beroepen op bijzondere technische kennis op het vlak van gezondheid. Maar vanuit het perspectief van de rijkere landen bood de Wereldbank één groot voordeel: er wordt per aandeel gestemd, niet per land, en de rijkere landen hebben altijd de meerderheid. (Ik denk niet dat Tedros de verkiezing had gewonnen als de WHO de stemverdeling van de Wereldbank zou volgen.)

Het beleid van de Wereldbank was eerder gericht op het afbouwen van “buitensporige” overheidsuitgaven, lees: privatiseren van de gezondheidszorg.

Het beleid van de Wereldbank was niet al te nadrukkelijk gericht op het controleren van besmettelijke ziekten, eerder op het afbouwen van “buitensporige” overheidsuitgaven. Doch wie vertrouwd was met de kleine lettertjes wist: overheidsuitgaven voor het controleren van besmettelijke ziekten mocht voortduren, de rest van de gezondheidszorg werd voortaan onderworpen aan mede-betaling door de zieken, en verregaandere vormen van privatisering.

En dus vragen nogal wat mensen – waaronder ikzelf – zich nu af hoe lang het gaat duren vooraleer de rijkere landen opnieuw met hun portefeuille gaan stemmen. Er zijn sinds 1978 veel alternatieven bij gekomen: internationale organisaties naast de WHO die ook streven naar betere gezondheid. Zoals daar zijn: het Wereldfonds tegen AIDS, Tuberculose en Malaria (drie besmettelijke ziekten), de Globale Alliantie voor Vaccins en Inenting (inenting werkt tegen … besmettelijke ziekten), en de in 2014 door President Obama opgerichte Mondiale Gezondheidsveiligheidsagenda (wel degelijk een organisatie, geen eenvoudige agenda; België is nog geen lid, het Verenigd Koninkrijk, Duitsland, Frankrijk en Nederland wel).

Altruïsme of welbegrepen eigenbelang?

Zowat alle rijkere landen beschouwen hun bijdrage aan de WHO als officiële ontwikkelingshulp. Volgens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling moeten die bijdragen primair gericht zijn op de economische ontwikkeling van en welvaart in ontwikkelingslanden.

In de geest van de Verklaring van Parijs, volgens dewelke steeds voorrang moet worden gegeven aan de inzichten en prioriteiten van de ontwikkelingslanden zelf, had de laatste stemronde een strijd tussen Tedros and Nishtar moeten worden. Deze verkiezing, de soms erg bitsige commentaren die eraan voorafgingen, evenals de hele geschiedenis van de WHO, toont aan dat we het veronderstelde altruïsme van de officiële ontwikkelingshulp best met een stevige korrel zout nemen. Vaak krijgen de belangen van de “donorlanden” voorrang.

Echte samenwerking is mijns inziens altijd beter dan liefdadigheid. Meestal ook verstandiger. Maar wanneer eigenbelang hand in hand gaat met kortzichtigheid, loopt het mis.

Op zich heb ik daar geen probleem mee. Altruïsme leunt dicht aan bij liefdadigheid, en zoals Napoleon Bonaparte al wist, staat de hand die geeft altijd boven de hand die krijgt. Echte samenwerking, gebaseerd op evenwaardigheid en afgesproken spelregels – zoals het recht op gezondheid in het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culture rechten (inclusief de verbintenis tot internationale hulp), maar ook het Internationaal Gezondheidsreglement – is mijns inziens altijd beter dan liefdadigheid. Meestal ook verstandiger. Maar wanneer eigenbelang hand in hand gaat met kortzichtigheid loopt het mis.

Ooit nodigde de Nederlandse socioloog Abram de Swaan zijn lezers uit tot een denkoefening: een project voor een “weldadige” epidemie, die als gevolg zou hebben dat alle landen zouden samenwerken om ervoor te zorgen dat alle mensen gezondheidszorg zouden krijgen.[1] Het virus of de bacterie zou dodelijk moeten zijn, uiteraard, maar ook gemakkelijk overdraagbaar (liefst via de lucht) en best ook langzaam werkend, zodat de dragers lang genoeg zouden leven (zonder uiterlijke kenmerken van ziekte), om rond te reizen en anderen te besmetten.

Ooit komt dat beestje er wel: een mutatie van tuberculose, bijvoorbeeld. En tegen dan kunnen we maar beter een universele dekking van de gezondheidszorg hebben, want anders zal er ook geen mondiale gezondheidsveiligheid zijn.

[1] De Swaan A (1998): Project for a beneficial epidemic: On the collective aspects of contagion and prevention. In: Pieter Streefland (ed.), Problems and potential in international health; transdisciplinary perspectives. Amsterdam: Spinhuis / Royal Tropical Institute, pp. 35-50.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift