De 'klanten' van de ontwikkelingssector verdienen beter

Weg met ontwikkelingssamenwerking, daar is de hulpindustrie

© USAID (CC BY-NC 2.0)

Hulpgoederen tijdens de ebolacrisis in Liberia in 2015

Het moet al bijna dertig jaar geleden zijn, dat twee collega’s uit de sector van de universitaire samenwerking vertrokken naar een gerenommeerd Nederlands instituut voor ontwikkelingsbeleid.

Ze werden gefeliciteerd. Dit betekende een erkenning van hun expertise. En tegelijk een interessante kans om de deuren van het kleine Belgische wereldje wat verder open te gooien en bij te dragen aan de noodzakelijke professionalisering van de sector. Die draaide tot dan toe voor een belangrijk deel op goede intenties en vrijwilligers , met een ziel en een draagvlak maar niet altijd met kennis van zaken. In de marge was er wat besmuikte commentaar: gaan jullie nu deel uitmaken van de groeiende hulpindustrie? 

Die industrie is ondertussen al lang een feit, en voor de meeste betrokkenen geen halve beschuldiging meer, maar een gevestigde bedrijfstak met een omzet van meer dan 200 miljard dollar waar goed de kost verdiend wordt.

Een boek van Raj Kumar, stichter en hoofdredacteur van het online platform voor ontwikkeling Devex, trok in dat verband de aandacht. Onder de titel ‘The Business of Changing the World’ schetst hij het nieuwe samenwerken. De toekomst van ontwikkelingssamenwerking is wat hem betreft aan de ondernemers. Althans, aan de innovatieve zakenlui, social entrepreneurs, tech disrupters en filantropische billionaires. 

Een dunne lijn tussen profit en non-profit, is dat erg?

Kumar is zelf een sociale ondernemer in de sector. Hij startte het Devex-ontwikkelingsplatform 19 jaar geleden in de Verenigde Staten en kan ondertussen rekenen op een internationaal publiek van ruim 800.000 geregistreerde leden, waaronder zowel individuele geïnteresseerden als organisaties.

Behalve als gespecialiseerd journalistiek medium met een schat aan interessante artikels, functioneert de site ook als tewerkstellingsplatform. De basisinformatie krijg je gratis, betalend lidmaatschap geeft recht op meer artikels en diensten achter een betaalmuur. Die keuze wordt gepresenteerd als deel van je carrièreplanning. Kumar’s boektitel ligt overigens maar een paar internetklikken van een woordspeling: Changing the World is good Business.

Als ontwikkelingsondernemer moet je deelname aan de Devex World-conferentie, met een prijskaartje van 1575 dollar, zien als investering in je toekomst

Toch zijn het zeker niet de grote geldgraaiers, maar het mag wat kosten, en dat marktdenken staat de sociale inslag niet in de weg, zeker niet in de VS. Deelnemen aan de Devex World-conferentie in Washington vorig jaar had een prijskaartje van 1575 dollar voor een dagje vergaderen. Als ontwikkelingsondernemer moet je dat blijkbaar zien als een investering in je toekomst, en het gaat hier duidelijk om een trend. De deelnamekost voor het Skoll-wereldforum 2019 over sociaal ondernemen (in Oxford, UK) kan oplopen tot een gemiddeld Belgisch maandloon (tussen de 1300 en 3500 dollar exclusief BTW).

Op het Devex-platform verscheen daar overigens nog een interessant artikel over, waar een deelneemster uit het Zuiden liet optekenen dat zij zich zo’n toegangsticket niet kon veroorloven en blij was dat een filantroop het voor haar had willen betalen. In een voetnoot bij hetzelfde artikel vermeldt de Devex-journaliste zonder verpinken dat ze zelf op kosten van de organisator deelnam maar toch in alle onafhankelijkheid schrijft. Zo worden boekhouding en verantwoording toch een beetje ingewikkeld. En in de wetenschap dat een belangrijk deel van de sector nog altijd op publieke middelen draait, gaat dat wat wringen.  

Het aandeel van de publieke ontwikkelingshulp vanuit landen die lid zijn van het ontwikkelingscomité (DAC) van de OESO was goed voor 146 miljard dollar in 2017. Zij staan nog altijd in voor ongeveer 80 procent van de wereldwijde hulp. Dit aandeel daalt weliswaar: nieuwe donorlanden (Turkije, VAE) en filantropische privéstichtingen (met de Gates Foundation als grote bekende) vullen een steeds groter deel in. Maar ondanks alle aansporingen blijven de middelen uit de privésector weer achter ten opzichte van de verwachtingen.

Officiële ontwikkelingshulp doet vaak beroep op het bedrijfsleven voor de levering van goederen en diensten, dus die privésector is per definitie altijd al van de partij. Maar die betrokkenheid moet nog beter, volgens het huidige credo, met eigen investeringen en participaties, en vooral ook met ondernemerschap in het Zuiden. De lijn tussen profit en non-profit wordt dan erg dun. Is dat erg? Veel dynamische organisaties in het Zuiden presenteren zichzelf niet langer als ngo’s maar als ondernemingen die grotendeels zichzelf bedruipen. Daar kun je toch niet tegen zijn? Zo maakt ontwikkelingssamenwerking zich uiteindelijk overbodig, en dat is toch altijd de bedoeling geweest? Toch blijven er wat ongemakkelijke vragen.

Iedere keer alles opnieuw leren?

Kumar schrijft enthousiast over een hele reeks nieuwe en minder nieuwe initiatieven, en roemt de resultaatgerichtheid en flexibiliteit van het privé-initiatief. Hij spreekt ook liever over klanten dan over begunstigden. Leren uit fouten wordt hier “creative destruction” en “adaptive learning”. Maar die newspeak kan niet altijd overtuigen. Het boek schetst als voorbeeld het lot van de “playpumps” uit de jaren negentig, een veelbelovend initiatief dat uitdraaide op een grote flop. Water pompen zou kinderspel worden via draaimolens die door kinderen in beweging konden gehouden worden.

Veel dynamische organisaties in het Zuiden presenteren zichzelf niet langer als ngo’s maar als ondernemingen die grotendeels zichzelf bedruipen. Daar kun je toch niet tegen zijn?

Maar er bleek technisch een en ander mis te lopen, de kinderen konden niet hard genoeg rennen en andere ‘klanten’ vonden het niet interessant. Het project werd uiteindelijk stopgezet – maar pas nadat er jarenlang vele miljoenen in werden geïnvesteerd, waaronder ook heel wat Amerikaans overheidsgeld. Waar betrokken ngo’s en overheden indertijd werden weggehoond voor dergelijke domheid en gebrek aan grondige planning en analyse vooraf, wordt dit initiatief nu plots alsnog geprezen om haar lerend vermogen…

Ruimte voor experiment en durven risico’s nemen zijn zeker nodig, maar het kan toch niet zijn dat met al die nieuwe initiatieven en leuke ideetjes het wiel telkens opnieuw moet uitgevonden worden? Je krijgt de indruk dat de nieuwe spelers wel van zichzelf, maar niet van het verleden willen leren.  De vaak geroemde risico-appetijt van bedrijven valt overigens nogal tegen. Als zij zich al in een moeilijke context wagen, dekken zij zich liefst in met overheidsgaranties of dure verzekeringen.

Het valt ook op dat de vele initiatieven zonder sociaal-politieke context geserveerd worden. Kumar lijkt te veronderstellen dat die context wel meegenomen wordt als je maar luistert naar de noden van de individuele “klant”.  Terwijl men zich ondertussen toch ook in het bedrijfsleven realiseert dat de politieke context sterk medebepalend is voor het slagen van projecten. Maar ook dat inzicht moet blijkbaar iedere keer opnieuw geleerd worden. Maar dan die ongemakkelijke vragen: hoe krijg je samenhang in die veelheid van creatieve nieuwe ideeën, wie bepaalt de richting, en aan wie legt men verantwoording af?

Wie bepaalt de agenda?

Kumar signaleert een aantal trends, en wat hem betreft geven die meteen ook de gewenste richting aan. Hij ziet liever de ‘kleinhandel’ dan de grote programma’s van gevestigde organisaties. Aan donorkant betekent dat een tendens naar individuele giften voor projecten op maat, liefst via online platforms als give directly of peer to peer lending, gedecentraliseerd, dicht bij die “klant”. Competitie onder hulporganisaties kan innovatie bespoedigen. Als voorbeeld gelden de “call for proposals” die zoeken naar ad hoc oplossingen voor korte termijn vraagstukken, een trend die we ook in België zien opkomen naast ons klassieke subsidiesysteem op basis van lange-termijn criteria. 

Wat niet meer aan bod komt zijn de publieke doelen, de institutionele ondersteuning, het bredere kader voor gemeenschapsinitiatieven, de lange-termijn werking. De focus ligt op steun aan individuen. Alles hangt af van de creatieve oprispingen en de gaten die in de markt ontdekt worden. De veelgeprezen resultaatgerichtheid werkt er vooral op de korte termijn. Voor zover verantwoording moet afgelegd worden door ondernemers, zal dat gebeuren aan de aandeelhouders of andere geldschieters die willen delen in de winst. Waar we te maken hebben met filantropische instellingen is zelfs de aandeelhouder geen richtinggevend element, maar doen individuele weldoeners hun ding volkomen naar eigen goesting. Best mogelijk dat dat gebeurt op basis van diepe inzichten en perspectieven, maar evengoed volgen zij de waan van de dag.

Het Brookings institute, toch een solide een Washingtonse Thinktank, bevroeg eerder dit jaar 93 “leaders” uit de (Amerikaanse) wereld van ontwikkeling. Zij bleken in de eerste plaats bezorgd om de nodige financiële middelen. Op enige afstand volgen bekommernissen als technologische ontwikkeling, privésector, locatie, nieuwe actoren, fragiliteit en data. Nog veel verder onderaan de prioriteitenlijst volgt een reeks thema’s en aandachtspunten die alle richtingen uitwaaiert en zowel wijst op bezorgdheid om internationale trends en specifieke ontwikkelingsproblemen in het Zuiden als om het voortbestaan van de eigen organisatie.

Wie zijn dan die leiders die zo in het wilde weg denken? Afgezien van een paar vertegenwoordigers van donorlanden en een enkele internationale instelling in Washington, gaat het om verantwoordelijken van Amerikaanse organisaties, van de Amerikaanse afdeling van de internationale ngo CARE over de global government verantwoordelijke van supermarktgigant Walmart, tot het hoofd van the ONE campaign en enkele caritatieve afgeleiden van bedrijven. Het lijkt er sterk op dat al deze organisaties eerst en vooral vertrokken vanuit de bekommernis om hun eigen overleven. Het woord partnership komt in geen enkel lijstje voor. Armoede volgt op afstand als een uitdaging, het lijkt alsof de moeizame internationale onderhandelingen om te komen tot een consensus over de duurzame ontwikkelingsdoelen (SDGs) er al niet meer toe doet voor deze invloedrijke groep van Amerikaanse organisaties. Als zij in de praktijk de agenda bepalen, aan wie leggen zij dan verantwoording af?

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws

Wie blijft?

Vernieuwing is boeiend, het enthousiasme en de ondernemerszin van nieuwe spelers werken aanstekelijk, en de frisse wind is hard nodig. Maar overgeleverd aan de markt, zonder samenhang, zonder verantwoordingssystemen, zonder lange termijn perspectief en zonder institutionele achtergrond drijft de sector af naar een tijdperk van losse flodders. Professioneel uitgevoerd, zonder twijfel, maar ook zonder zicht op structurele verandering.

Het heeft al te lang geduurd. Maar de vraag is wat er voor in de plaats komt

Was dat gebrek aan structurele werking nu niet net de grootste kritiek zo’n 30 jaar geleden? Het einde van ontwikkelingssamenwerking werd al vaak voorspeld. Dat is ook niet zo gek, want het is een van haar eigen doelstellingen: ontwikkelingssamenwerking is zichzelf overbodig maken. Dat hoorde al tot het gedachtegoed bij het ontstaan van de sector in de jaren zestig van de vorige eeuw, en het is vandaag opnieuw het motto van het Amerikaanse overheidsagentschap USAID. Niet getreurd dus, het heeft al te lang geduurd. Maar de vraag is wat er voor in de plaats komt. De slinger zal wel weer een beter evenwicht vinden, maar tegen die tijd is er alweer veel geld onverstandig besteed, en veel tijd verloren. De “klanten” van deze sector verdienen beter. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur