Dossier Grondstoffen in Latijns-Amerika

Met grondstoffen viel er geld te verdienen de laatste jaren. Véél geld. Iedereen zat er de voorbije eeuw achter aan, om ze te winnen en te verkopen of om ze te verwerken in de industrie. Het gevolg: de prijzen schoten omhoog. Wie in grondstoffen handelde, werd slapend rijk. Dat credo gold voor ondernemingen, en ook regeringen geloofden erin.

Latijns-Amerika levert grondstoffen, al van sinds het een kolonie was. En nog altijd zijn de grondstoffen er niet op. Ze zitten in de ondergrond, ze komen uit de wouden, uit de akkers en de meren. Daarom kwam ook Amerika in de ban van de furore. Oude mijnen fokken het tempo op, nieuwe mijnen gaan open. Het woud wordt gekapt, het maakt plaats voor akkers.

Silo’s met soja, tankwagens met petroleum, smeerpijpen met erts, treinen vol koper, uiteindelijk voedt het allemaal de export naar de internationale markten. Maar de terugslag komt eraan. Peru, een mijnbouwland bij uitstek, voelt het al. Nu de wereldeconomie slabakt, loopt het “Peruviaanse mirakel” op zijn laatste benen. Zo gaat het ook met de landbouw. De graanprijzen piekten, iedereen ging zaaien. Maar in 2014 weet de wereld niet waar met al dat graan gebleven. Stuikt de business binnenkort ineen?

Dit dossier kijkt naar vijf landen in het zuiden van Latijns-Amerika: Uruguay, Brazilië, Argentinië, Chili en Bolivia. Traditioneel zijn ze leveranciers van grondstoffen. Ze gaan mee met de trend, ze mikken op groei. Maar tegelijk willen ze uit het koloniale schema stappen waarin alles op export is gericht, en zoeken ze andere pistes. In dat zoeken is er aan dilemma’s en penibele keuzes geen gebrek.