Een reportage over de reportage in Pakistans tribale gebieden

Kuifje in Khyber Pakhtunkwa: ‘Jouw veiligheid is onze eerste zorg’, en andere verhalen

© Seamus Murphy / Panos

‘Er zijn weinig plaatsen waar leegte zo panoramisch vormgegeven werd als in de bergen tussen Pakistan en Afghanistan. Cyrus de Grote en Alexander de Gote passeerden hier, op weg naar India, en na hen volgden zowat alle veroveraars die over de Euraziatische vlakten en bergketens trokken: Genghis Khan, Timoer de Manke, Baboer, Shah Jahan die vooral voortleeft in zijn Taj Mahal, de Britse koloniale legers… De geschiedenis maakt de Khyberpas nog legendarischer dan het uitzicht, en dat is al adembenemend.’

Ik ben bijna 63, zit 28 jaar in het vak, en leer nog elke dag bij. Door schade en schande. Dat is het verhaal van mijn recente trip waarin ik verslag zou uitbrengen vanuit “de gevaarlijkste plek ter wereld”, om Barack Obama te citeren: de tribale gebieden op de Pakistaans-Afghaanse grens. Hoe een en ander tot stand kwam, en niet liep zoals voorzien.

***

Woensdag 5 juli. Het is kwart na twaalf als ik mijn kamer in Jasmine Guesthouse, mijn pied-à-terre in Islamabad, binnen stap. Meteen connecteert mijn telefoon met internet en krijg ik een dringend WhatsAppbericht binnen: ik had al een half uur geleden moeten klaarstaan om te vertrekken naar ISRP, de militaire informatiedienst. Twee snelle telefoons later zit ik in een busje dat me slingerend tussen de rest van het verkeer en tegen kamikazesnelheid naar Rawalpindi rijdt -de tweelingstad van Islamabad, waar het leger zijn hoofdkwartier heeft. Tot we van de snelweg moeten en vastrijden in de eeuwigdurende files van de Aziatische krioelstad.

As soon as we are there, we will hand you over to them’, zegt Mazhar Hussain, de man die vanuit de External Publicity Wing van het ministerie van Informatie verantwoordelijk is om mij te “faciliteren”. Het is gelukkig de militaire informatiedienst, niet de militaire inlichtingendienst, denk ik om mezelf gerust te stellen.

***

De idee om na vele jaren nog eens een reportage vanuit Pakistan te maken, ontstond begin januari tijdens een interview dat ik in Brussel had met de toenmalige Pakistaanse minister van Defensie, Khurram Dastgir Khan. ‘In 2014 lanceerde het Pakistaanse leger een massieve operatie als antwoord op een terroristische aanval op de luchthaven van Karachi, en die operatie werd grootser en ruimer na de moorddadige aanslag op de school in Peshawar’, zei de minister. ‘Zarb-e-Hazb -zo heet die operatie- bracht het leger tot in Noord-Waziristan en tegelijk werd het crimineel geïnspireerde terrorisme in Karachi en het etnisch-nationalistische terrorisme in Balochistan aangepakt. Het resultaat is dat er intussen zeventig procent minder aanslagen gebeuren en slachtoffers vallen.’

Na het interview kletsten we nog wat na -het was mijn tweede interview met hem- en ik vroeg, plagend, of ik dan nu gewoon journalistiek werk kon komen doen in de tribale gebieden, die als relatief onbestuurde bufferzone tussen mainstream Pakistan en Afghanistan liggen. Die tribale gebieden zijn immers al jarenlang een no-go area omdat ze geheel of gedeeltelijk onder controle waren van Taliban, Al Qaeda en andere gewapende extremisten. ‘Natuurlijk’, zei Dastgir Khan. En dan: ‘Al zullen we je met het leger wel moeten binnenbrengen, want op eigen houtje naar Waziristan reizen is niet veilig. Nog niet.’ En, voegde hij eraan toe: ‘Doe je aanvraag zo snel mogelijk, dan kan ik je nog helpen. Deze zomer zijn er verkiezingen en ik weet niet of ik daarna nog in een positie ben om je aanvraag de nodige steun te geven.’ Dastgir Khan gaf me nog zijn naamkaartje en schreef er zijn gsm-nummer op: ‘Bel me als je het nodig hebt.’

Of ik nu gewoon journalistiek werk kon doen in de tribale gebieden, die als relatief onbestuurde bufferzone tussen mainstream Pakistan en Afghanistan liggen, vroeg ik de minister van Defensie. ‘Doe je aanvraag zo snel mogelijk, dan kan ik je nog helpen’, was zijn antwoord.

Op 27 februari diende ik mijn visumaanvraag in, vergezeld van een brief waarin ik uitdrukkelijk mijn bedoeling vermeldde. Ik weet uit ervaring namelijk dat een vraag om een politiek gevoelige regio te bezoeken in Pakistan op een njet stoot als er vooraf iets niet duidelijk was. Dus schreef ik onder andere: ‘My aim would be to travel to Pakistan for 2 weeks in the month of April. I should at least be able to visit two different locations in FATA, besides the more regular work to be done in Islamabad, Peshawar and/or Quetta. I would only request support where it is deemed absolutely necessary, for the rest I will work independently, as always.’ De visumaanvraag werd met veel welwillendheid ontvangen door de ambassade in Watermaal-Bosvoorde, met de belofte er alle mogelijke steun aan te geven.

Maart ging voorbij, april kwam. Mei ging voorbij, en ik had het plan al geklasseerd in het vakje leuk-idee-maar-niet-doorgegaan. Tot op 4 juni het onverwachte telefoontje kwam dat de visumaanvraag goedgekeurd was. De moesson was intussen wel begonnen en het was eigenlijk veel te dicht bij de verkiezingen die op 25 juli doorgaan, maar zo’n kans krijg je geen tweede keer, dus boekte ik meteen een vlucht naar Islamabad. De ambassade kreeg de data van mijn verblijf door, zodat de betrokken autoriteiten de tijd hadden om de laatste schikkingen te treffen.

***

We arriveerden uiteindelijk maar tien minuten te laat aan de poort van de ISRP. Busje stopt, en aan de andere kant van de straat stappen twee mannen uit een witte sedan. Zonnebrillen: check. Doodlopende straat: check. Veel te vriendelijke handdruk: check.

Ze nemen me mee, maar aan de eerste checkpost moet mijn computer achterblijven. Om te voorkomen dat bij de tweede controle mijn fototoestel en bij de derde de voicerecorder in bewaring gegeven moeten worden, stel ik voor mijn hele rugzakje daar te laten.

Dan was het wachten:

In de gekoelde vergaderzaal zit een militair te wachten. Hij geeft me een hand, we zetten ons. Ik ben klaar voor het gesprek, want ik wil eindelijk weten of ik nu al dan niet formele toestemming heb om de tribale gebieden te bezoeken en wanneer en hoe dat bezoek dan kan doorgaan. Voordat ik zelf het gesprek kan openen, staat de man op en verlaat de zaal. Ik wacht. Een andere militair komt binnen, groet, en verlaat de zaal. De brigadier die uiteindelijk binnenkomt en zich gemoedelijk bij me zet, is duidelijk: ‘Het zal moeilijk zijn. We houden je niet tegen omdat we tegen journalisten zijn. Integendeel, we zouden je heel graag tonen welke resultaten we geboekt hebben de voorbije jaren. Maar jouw veiligheid is onze eerste zorg, en dus moeten we de procedures respecteren. En eigenlijk ben je daarvoor te laat. Hoe lang blijf je?’

Brigadier Rehan: ‘We houden je niet tegen omdat we tegen journalisten zijn. Integendeel, we zouden je heel graag tonen welke resultaten we geboekt hebben de voorbije jaren’

Dat ik mijn aanvraag meer dan vier maanden geleden gedaan heb, helpt niet. ‘Niet bij ons, dat is je vergissing.’ En dat ik alleen ben, dat is ook een probleem, want ze kunnen toch geen helikopter inleggen voor één man alleen? En wat die helikopter betreft: ze verwachten ook slecht weer. Het luchtruim boven de Hindu Kush gaat dicht, zoveel lijkt wel zeker. Op de vraag of dit een definitief neen is, antwoordt brigadier Rehan dat hij alles zal proberen dat in zijn macht ligt. ‘Ik ben een infanteriesoldaat. Die vechten tot op het einde. En als ze je hun woord geven, is dat een kwestie van eer. Maar ik beloof je geen zekere uitkomst.’ Brigadier Rehan schrijft zijn telefoonnummer op een briefje. ‘Bel me als je nieuws wilt, maar ik laat je ten laatste vrijdag weten wat het verdict is.’

Die avond nodigt de External Information Wing me uit voor een etentje in het blijkbaar gekende restaurant 1969. Het is eigenlijk bedoeld voor de hoofdcorrespondenten van Reuters, BBC, AFP, EFE (het Spaanse nieuwsagentschap), RT en Tass, maar ik ben ook welkom. Het voelt een beetje als een troostprijs, maar aangezien ik toch moet eten en ook wel benieuwd ben wat ik kan opsteken van de meer doorgewinterde collega’s hier, ga ik in op de uitnodiging. Mazhar en zijn collega’s moedigen me aan om mijn verhaal te doen aan hun directeur, waarop de andere aanwezigen meteen laten weten dat zij ook maar al te graag naar Noord- of Zuid-Waziristan, Kurram, Khyber, Bajaur, Mohmand of Orkzai willen -maar er nooit de toelating voor krijgen. De Spaanse collega, voegt eraan toe dat zijn aanvraag al 2,5 jaar loopt, zonder uitzicht op antwoord.

***

‘Misschien zal Waziristan moeilijk zijn’, had de ambassademedewerkster al gewaarschuwd. ‘Maar Swat is wellicht wel mogelijk.’ Ik heb daar altijd op geantwoord dat ik mijn aanvraag gedaan heb voor twee verschillende plaatsen in zeven Gederally Administrated Tribal Agencies en dat de Swat-vallei daar geen deel van uitmaakte. Ik had Swat trouwens al eens bezocht in 2011, niet lang nadat de militairen daar schoon schip gemaakt hadden en de overmoedige Taliban er verslaan en verdreven hadden. Ik heb er toen gepraat met de vader van Malala Yousufzai, en het blijft eeuwig zonde dat de notities van die reportagereis in Brussel gestolen zijn, maar dat doet hier niet terzake.

Ik wou naar de echte tribale gebieden. ‘De grensregio’, waarvan Obama in maart 2009 zei dat hij voor het Amerikaanse volk ‘de gevaarlijkste plek ter wereld’ geworden was. En hij bedoelde niet voor Amerikaanse toeristen, maar voor iedereen, want de grensgebieden waren sinds de inval in Afghanistan van 2001 en als gevolg van onder andere hun bijzondere, door de Britten in 1877 ingevoerde statuut, de terrorismecentrale van de wereld geworden. Na jaren van werken rond de oorlogen in Afghanistan, het extremisme in Pakistan en de opstand in Kasjmir, wou ik mordicus naar het geografische epicentrum van dat verhaal.

Dat verhaal van terroristisch en extremistisch geweld, zei Khurram Dastgir Khan in een eerder interview, toen hij nog minister van Buitenlandse Handel was, heeft Pakistan ‘ongeveer 100 miljard dollar gekost over de laatste tien jaar. Daarbij houden we rekening met de directe kosten van aanslagen en vernielde infrastructuur, maar ook met groei, toerisme, investeringen en export die verloren gingen.’

‘De chaos die dag in Torkham staat symbool voor de manier waarop grenzen in dit deel van de wereld werken. Ze zijn heilig en vloeibaar tegelijk, en ze zijn vooral een bijkomende bron van inkomsten voor degenen die ze bewaken.’

En, ik geef toe, ik word al heel lang aangetrokken door de onmetelijke en woeste natuur, de getande bergen, de geitenpaadjes over de kam, de zeldzame waterputten, de clusters van compounds rond een moskee. Ik heb er zo veel over gelezen, ik ben er verschillende keren over gevlogen -en dat zicht is adembenemend-, maar ik heb er maar één keer echt van kunnen proeven, in 2001.

In de inleiding van mijn boek Opstandland beschreef ik die ervaring zo: ‘Er zijn weinig plaatsen waar leegte zo panoramisch vormgegeven werd als in de bergen tussen Pakistan en Afghanistan. Cyrus de Grote en Alexander de Grote passeerden hier, op weg naar India, en na hen volgden zowat alle veroveraars die over de Euraziatische vlakten en bergketens trokken: Genghis Khan, Timoer de Manke, Baboer, Shah Jahan die vooral voortleeft in zijn Taj Mahal, de Britse koloniale legers… De geschiedenis maakt de Khyberpas nog legendarischer dan het uitzicht, en dat is al adembenemend. Op zaterdag 14 juli 2001 vergezelde ik een colonne kleurrijke Pakistaanse vrachtwagens die de haarspeldbochten van die Khyberpas namen in omgekeerde richting van de veroveraars… De grenspost van Torkham was voor ons echter gesloten. Net als voor de honderden Afghanen die hun land wilden verlaten of die gewoon hun schamele handelswaar op de Pakistaanse markt wilden brengen. De Pakistaanse regering had die zomer beslist dat de slagboom alleen nog open zou gaan voor wie westwaarts wou, weg uit de overbevolkte vluchtelingenkampen, terug naar huis… De chaos die dag in Torkham staat symbool voor de manier waarop grenzen in dit deel van de wereld werken. Ze zijn heilig en vloeibaar tegelijk, en ze zijn vooral een bijkomende bron van inkomsten voor degenen die ze bewaken. De vrachtwagens met Afghaanse vluchtelingen mochten uiteindelijk door. De kinderen zwaaiden vrolijk als ze verder de steenwoestijn van de Safedbergen inreden. De ouderen staarden zwijgend voor zich uit. De kans is groot dat ze twee maanden later alweer hun slaap- en bidmatten bij elkaar rolden om de bergen oostwaarts over te steken.’

***

Donderdag kwam, zonder nieuws. Ik probeerde verschillende keren het gsm-nummer van minister Dastgir Khan. Zonder resultaat. Meer: zonder dat de bel overging. Hij was intussen natuurlijk ook al geen minister van Defensie meer, want de zittende regering wordt in Pakistan kort voor de verkiezingen vervangen door een interimregering om de kans op verkiezingdsfraude zo klein mogelijk te maken.

Vrijdag kwam, zonder nieuws. Ik probeerde verschillende keren het telefoonnummer van brigadier Rehan te bellen. Zonder resultaat. Het woord van zo’n soldaat is blijkbaar zo betrouwbaar als zijn belofte tot het einde te vechten.

Ik had woensdagnamiddag beslist om niet in de saaie bureaucratenstad Islamabad te zitten wachten op een toelating die er 99 procent zeker toch niet zou komen, en zou daarom alvast naar Peshawar gaan: de hoofdstad van de grotendeels Pasjtoense provincie Khyber Pakhtunkwa, in Pakistan afgekort tot KPK. Interessant detail: sinds 28 mei bestaan de FATA wettelijk niet meer, maar zijn ze ten volle deel van Pakistan en de provincie KPK. 

In Peshawar sprak Gie met een tiental mensen over de integratie van de FATA in Pakistan. Mocht hij die tribale gebieden uiteindelijk bezoeken?  

 

Ik wou naar Peshawar, niet om in een soort wanhoopspoging op eigen houtje de woeste bergen in trekken -ik ben geen zelfmoordjournalist- maar omdat ik zeker was in Peshawar meer mensen te vinden die me de realiteit op het terrein goed zouden kunnen beschrijven. Ik was namelijk ook op zoek naar inzicht in die plotse, maar decennialang gevraagde grondwetswijziging. En naar de Pasjtoense protestbeweging die begin dit jaar plots massaal mobiliseerde tegen zowel het geweld van Taliban en andere extremisten, als tegen de bezetting, controles en verdwijningen onder het Pakistaanse leger.

Omdat ik een journalistenvisum heb, moet ik voor Peshawar een toelating krijgen. In 2011 kon ik niet naar het Pakistaanse stuk van Kasjmir omdat ik géén journalistenvisum had. Het lijkt erop dat de uitkomst vastlegt -geen toestemming- ongeacht al dan niet gezette stappen vooraf.

Ik contacteerde de directeur van SRSP, de enige Pakistaanse ontwikkelingsorganisatie die ook binnen de FATA werkzaam was en die ik dinsdagavond al ontmoet had, zo’n honderd kilometer ten noorden van Islamabad, met de vraag of ik een paar van hun gemeenschapsprojecten in of rond Peshawar kon bezoeken. Maar ik kreeg een telefoontje terug dat ik daarvoor toestemming nodig had van ISRP, aangezien heel de provincie Khyber Pakhtunkwa als “gevoelig gebied” beschouwd wordt.

Ik geloofde het niet, contacteerde Mazhar, en inderdaad: omdat ik een journalistenvisum heb, moet ik voor zo’n regio een toelating krijgen. En zeggen dat ik er te elfder ure nog op aangedrongen had in Brussel om uitdrukkelijk ‘journalist’ te vermelden op het visum, dat alleen het vage ‘visit’ vermeldde. In 2011 kon ik namelijk niet naar het Pakistaanse stuk van Kasjmir omdat ik géén journalistenvisum had. Het lijkt erop dat de uitkomst vastlegt -geen toestemming- ongeacht al dan niet gezette stappen vooraf.

Gelukkig hebben journalisten minder last van officiële regels dan ngo’s, en dus sprak ik af met een lokale journalist die me twee dagen op sleeptouw nam naar een universitaire koffiebar en een Pasjtoens vrouwenhuis, naar tribale maliks (ouderlingen) en academische analisten. Ik stelde tijdens die twee dagen overigens vast dat het meer dan uitstekend weer was in het noordwesten van het land. Open luchtruim, brigadier Rehan!

Donderdagavond brengt Shakil me naar een hotel, en dat blijkt bij wonderlijk toeval hetzelfde hotel te zijn waar ik in de zomer van 2001 logeerde toen ik voor het eerst met zoon en fotograaf Brecht op reis was in de regio. Ik ben hartelijk welkom, en krijg voor de amper veertig euro ook ontbijt en schoenenpoets ’s ochtends -en dat laatste is een heel welkome attentie na een dag rondstappen in het stof van Peshawar. Maar bij het maken van de kopie van paspoort en visum, blijkt de afspraak plots niet te kunnen doorgaan. Geen buitenlanders toegelaten in dit deel van de stad, jammer maar helaas, wij kunnen er ook niets aan doen. Hij bedoelt natuurlijk: geen journalisten toegelaten. Want dat ik een buitenlander was, had hij al gezien toen ik binnenstapte. Ik heb dan wel een grijze baard, niemand neemt me voor een Pasjtoen.

***

Ik heb voor de rest van mijn verblijf niets meer gehoord van de militaire informatiedienst, niet van de External Information Wing of van welke betrokken instantie ook. Niet over Waziristan en evenmin over Swat als plan B. Op vraag van de ambassade hadden de mensen van EIW de eerste dagen wel interviews geregeld met de minister (ad interim) van Binnenlandse Zaken en met Sartaj Aziz, een van Pakistans meest gerespecteerde staatsmannen, die de voorbije jaren aan het hoofd stond van het comité dat de inkanteling van de FATA in Khyber Pakhtunkwa voorbereidde en voorstelde.

Terwijl Gie in Islamabad wachtte op goed nieuws van de militaire informatiedienst, bleek er een juridisch-politieke bom te zijn ontploft:

Maar na het ISRP bezoek en het journalistendiner van woensdag: geen woord, geen sein, geen nieuws, en zeker geen toelating. Ik heb nochtans geen glas omgestoten, mijn bord niet laten vallen, niet gespuugd op de naan. Kortom: ik heb mij gedragen, maar ook dat mocht niet baten.

Ik ben bijna 63, zit 28 jaar in het vak, en leer nog elke dag bij. Quod erat demonstrandum.

Ik geef het natuurlijk niet graag toe, maar ik ben wellicht toch wat naief geweest toen ik het gevraagde visum kreeg. Ik heb wel gevraagd om bevestiging dat ik daarmee ook de toelating had om te doen wat ik gevraagd had, te gaan waar ik heen wilde, maar ik heb nagelaten dat op papier te vragen. Ik ben bijna 63, zit 28 jaar in het vak, en leer nog elke dag bij. Quod erat demonstrandum.

Dat betekent niet dat er geen stevige reportage staat in MO*magazine. Niemand anders bericht over Pakistan, een land met 210 miljoen inwoners en meteen ook het tweede grootste moslimland, na Indonesië. Het land was sinds de komst van Sovjetsoldaten naar Afghanistan in 1979 de draaischijf in het opzetten, ontwikkelen, internationaliseren en militariseren van “geradicaliseerde jihad 2.0” als een nieuwe en mondiale ideologie. Er zijn tientallen redenen waarom we ons zouden moeten interesseren voor wat de Pakistani willen en hopen, doormaken en vrezen. Wat in Pakistan – en niet in het minst in die ontoegankelijk gemaakte en gebleven grensregio in het noordwesten van het land – gebeurt, is ook voor ons belangrijk.

Hoewel hij de tribale gebieden niet bereikte, maakte Gie aan het einde van zijn reis een snelle roundup - met stekelige voetnoot — over de huidige situatie in Pakistan:

Het hele dossier over Pakistan en het jaar van de Pasjtoen lees je hier.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur