Belgisch-Indiaas econoom pleit voor een economie gebaseerd op universele rechten

Topeconoom Jean Drèze: ‘Solidariteit is geen eenrichtingsverkeer’

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Jean Drèze: ‘Er is wellicht geen land ter wereld waar de arme meerderheid met zoveel gemak en onverschilligheid aan de kant geschoven wordt als India.’

Hij kent de bevoorrechte wandelgangen van de academische wereld, maar ook de bikkelharde realiteit van het Indiase platteland. Econoom Jean Drèze werd geboren in Leuven, maar woont al bijna 40 jaar in India. Daar hielp hij bij de realisatie van een reeks basisrechten voor honderden miljoenen mensen in armoede. Een portret van een bevlogen pleitbezorger van onderzoek dat de wereld wil veranderen.

‘De meeste mensen zijn zelfzuchtig. Tenminste, dat is wat je zou kunnen concluderen als je de heersende economische theorie zonder veel voorbereiding of kennis doorneemt.’

Zo opent Jean Drèze zijn essay over Ontwikkeling en de keuze voor algemeen belang. Onze economie is, althans in theorie, gebaseerd op individuen die op rationele gronden voor hun eigenbelang kiezen. Maar Drèze gelooft dat échte mensen met minstens evenveel redelijke argumenten ook kiezen voor het publieke belang en het gemeenschappelijke goed.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Dat hij zelf de belichaming is van die stelling, wil hij niet gezegd hebben. Eigenlijk wil hij zo weinig mogelijk over zichzelf zeggen. Dat siert hem, maar het is niet helemaal terecht.

Amartya Sen vindt dat ook. De Indiase econoom en filosoof kent Jean Drèze goed. Toen Sen in 1998 de Nobelprijs voor Economie ontving, zei hij onder andere: ‘Rond het midden van de jaren ‘80 werkte ik intensief samen met Jean Drèze, een jonge Belgische econoom met uitzonderlijke vaardigheden en een opmerkelijke toewijding. Mijn beoordeling van honger en ontbering is in grote mate schatplichtig aan zijn inzichten en onderzoek. Hetzelfde geldt voor mijn recentere werk over ontwikkeling, dat ik grotendeels samen met hem deed.’

Met de typische monkelhumor en zelfrelativering die Sen en Drèze delen, voegde de Nobelprijswinnaar daar nog aan toe: ‘Niet alleen heb ik veel geleerd van zijn vindingrijke initiatieven en vasthoudende degelijkheid, maar je kan ook moeilijk een betere werkverdeling maken dan die waarin Jean het meeste werk doet en ik een groot deel van de erkenning krijg.’

Hetzelfde gevoel voor humor doordesemt Drèzes reactie op de Burgerschapsprijs 2021, die hij krijgt van de Stichting P&V. ‘Het leek me best ironisch’, grinnikt hij. ‘Ik krijg een burgerschapsprijs uit België, nadat ik mijn Belgische burgerschap opgegeven heb. Ik begrijp natuurlijk wel dat het om “goed” burgerschap gaat, een inzet voor het algemeen belang. Of ik zoveel waardering verdien, weet ik niet. Maar ik beloof dat ik mijn best zal doen om er vanaf nu naar te leven!’

Met de burgerschapsprijs kan Jean Drèze een project naar keuze in India steunen, dat in de lijn ligt van de missie van de Stichting P&V. Hij koos voor Mobile Creches, een baanbrekende organisatie die zich inzet voor het recht van uitgesloten kinderen in India op zorg en ontwikkeling. Jean Drèze: ‘Mobile Creches (MC) heeft een leidende rol gespeeld bij de oprichting van crèches op bouwplaatsen voor de kinderen van bouwvakkers, evenals bij de campagne voor het recht op voorschoolse ontwikkeling en bescherming van alle Indiase kinderen. Wij zijn ook medestanders geweest in de campagne voor het recht op voedsel. MC’s werk is een blijvende bron van inspiratie.’

Gratis maaltijden

Jean Drèze werd in 1959 geboren in Leuven. Hij studeerde wiskundige economie aan Essex University en trok daarna naar India. Daar schreef hij een doctoraat over de economische kosten-batenanalyse.

In de late jaren ‘80 werkte hij in Londen samen met Amartya Sen en doceerde hij aan de London School of Economics. Drèze woonde destijds in een kraakpand aan Clapham Road, samen met daklozen. ‘Daar leerde ik wat solidariteit écht betekent’, merkt hij op.

‘Op een avond ontstond er brand in een van de kamers. Ik ging meteen op zoek naar een telefoon om de brandweer te waarschuwen. Een paar daklozen zagen een man die zijn roes uitsliep aan de andere kant van het vuur. Zij gingen letterlijk door het vuur om hem te redden. Ik geloof niet dat ik dat ooit had kunnen doen.’

‘De gratis maaltijden zorgden voor meer inschrijvingen op school en voor betere schoolresultaten.’

Met uitzondering van die korte Londense uitstap, verblijft Drèze sinds 1979 onafgebroken in India. In 2002 ruilde hij zijn Belgische paspoort in voor Indiaas burgerschap. Hij doceerde in Delhi, Allahabad en Ranchi en deed heel veel veldonderzoek, vooral in de deelstaten Jharkhand, Bihar, Chhattisgarh and Uttar Pradesh.

Zijn onderzoek en activisme droegen in belangrijke mate bij tot verschillende grote sociale programma’s in India. Zo besliste het Opperste Gerechtshof op 28 november 2001 dat elke openbare of publiek gesteunde lagere school aan alle leerlingen elke middag een gratis warme maaltijd moest aanbieden.

Drèze had voor die zaak belangrijk onderzoek verricht en mee campagne gevoerd. ‘120 miljoen lagereschoolkinderen krijgen nu dagelijks zo’n maaltijd. Heel veel arme vrouwen werken bovendien nu als koks. De gratis maaltijden zorgden voor meer inschrijvingen op school, met name van meisjes, voor betere aanwezigheden en betere schoolresultaten.’

Daarnaast kwam er gesubsidieerde minimumvoedselvoorziening via een openbaar distributiesysteem. De Wet op de Nationale Voedselzekerheid (National Food Security Act) bereikt in totaal zo’n 800 miljoen mensen. Daarmee is ze wellicht het grootste sociale programma van de wereld. Ten slotte kwamen er zwangerschapsvoorzieningen voor alle zwangere vrouwen. En vergis je niet: dat zijn er jaarlijks zo’n 25 miljoen.

Naast zijn strijd voor voedselzekerheid werd Drèze wijd en zijd bekend als een van de architecten van de Nationale Wet over Gegarandeerde Tewerkstelling op het Platteland (National Rural Employment Guarantee Act). De wet uit 2005 geeft elk gezin op het platteland dat geen werk of inkomen vindt recht op 100 dagen tewerkstelling in een publiek project.

Het werk gebeurt tegen een minimumloon. Dat loon moet binnen de 15 dagen uitbetaald worden. ‘Mijn rol in het formuleren en realiseren van de NREGA wordt door de media schromelijk overdreven’, zegt Drèze met zijn kenmerkende bescheidenheid.

Dankzij de NREGA kunnen jaarlijks meer dan 50 miljoen Indiase gezinnen hun gezinsinkomen een beetje opkrikken. Ongeveer de helft van diegenen die werk opnemen zijn vrouwen. ‘Belangrijk’, voegt Drèze toe, ‘is dat de uitvoering van de wet ook opwaartse druk creëert voor loonarbeid op het platteland. Op die manier zorgt ze niet alleen voor bijkomend betaald werk, maar ook het hele jaar door voor beter betaald werk.’

Verder dan de campus kijken

Drèze is niet alleen wetenschapper, hij is ook een scherpe en een empathische observator van de ongenadig harde en verdeelde samenleving waarin hij leeft. In de inleiding van zijn jongste boek Sense & Solidarity (Rede en Solidariteit, 2017) beschrijft hij de realiteit van wie aan de onderkant van de Indiase maatschappij moet overleven.

‘Als je bij het aanbreken van de dag op Kanke Road, een brede laan in Ranchi, bent, zie je beelden die je nooit vergeet. Honderden jonge mannen, velen van hen uitgemergeld of verward, duwen hun fietsen voort die elk meer dan 200 kilo steenkool torsen. Ze hebben dan al 20 of 30 kilometer in de duisternis afgelegd en hopen hun gesmokkelde waar te verkopen in Ranchi. Dat laat hen net toe hun gezin te voeden.’

‘Economen vind je idealiter niet alleen aan universiteiten, in ministeries of grote bedrijven, maar ook onder het brede publiek.’

Aan dat beeld voegt hij een citaat van de Britse schrijver George Orwell toe. Daarmee maakt hij zijn acute bewustzijn van ongelijkheid en privilege duidelijk: ‘Jij en ik en de hoofdredacteur van de literaire bijlage van The Times, en de dichters en de aartsbisschop van Canterbury en kameraad X, die Marxisme voor kinderen schreef, wij allen danken de relatieve zekerheid van ons bestaan aan arme drommels in de ondergrond, zwart tot in hun ogen, met hun kelen vol kolenstof…’

‘Economen vind je idealiter niet alleen aan universiteiten, in ministeries of grote bedrijven, maar ook onder het brede publiek: actief binnen het middenveld, vakbonden, politieke partijen, alternatieve media, de vredesbeweging, of als freelancers’, schrijft Drèze elders. ‘Maar’, vervolgt hij, ‘economen houden er over het algemeen van goed betaald te worden voor hun werk. Dus komen ze meestal terecht in kringen van macht en privileges’.

Onderzoek voor actie

Van macht of privilege is geen spoor te bekennen bij Drèze. Als ik hem eind oktober spreek, zit hij in een katoenen hemd met korte mouwen – het is zeker 25°C – in een eenvoudige kamer, die gelukkig wél een goed wifinetwerk heeft.

Eigenlijk woont hij in Ranchi, Jharkhand, maar hij is nu voor even in Jagdalpur, Chhattisghar. Om de 3 à 4 maanden brengt hij tijd door met zijn partner, Bela Bhatia. Die werkt als juriste in een van de armste en meest gepolariseerde regio’s van India. Achter Drèze kleuren de witgekalkte muren langzaam oker. Als ik naar zijn successen en realisaties peil, zie ik hem in mijn verbeelding zelf lichtjes blozen.

Wereldwijd is hij een van de meest gewaardeerde ontwikkelingseconomen. Hij publiceerde baanbrekend werk samen met Nobelprijswinnaars als Amartya Sen en Angus Deaton, of met vooraanstaande economen als Nicolas Stern. Dat zegt veel over de rigoureuze ernst en academische kwaliteit van Drèzes eigen onderzoek.

Of de sociale programma’s, zoals de wet op voedselzekerheid of het recht op werk, misschien “zijn Nobelprijzen” zijn? Drèze lacht. ‘Die wetten zijn niet mijn verdienste, ze zijn het resultaat van brede samenwerkingen en van volgehouden campagnes.’

Bovendien ziet hij zichzelf – in tegenstelling tot de “volbloedintellectuelen” naar wie ik verwijs – toch eerder als een man van toegepast onderzoek, met een focus op concrete veranderingen. Hij is een passioneel pleitbezorger van research for action: economisch onderzoek dat de wereld wil verbeteren. Dat is academisch niet minder veeleisend, maar maatschappelijk wel vruchtbaarder. Hoopt hij.

Om als econoom zinvol te praten over de realiteit in India, met zijn enorm rijke diversiteit maar ook zijn gapende ongelijkheden, heb je volgens Drèze meer nodig dan evidence: data, statistieken of RCT’s.

Randomized Controlled Trials of RCT’s zijn zowat de heilige graal van de huidige ontwikkelingseconomie. Daarin worden bepaalde interventies uitgeprobeerd, terwijl in vergelijkbare contexten onderzocht wordt wat er gebeurt zonder die ingrepen. Esther Duflo en haar man Abhijit Banerjee kregen er de Nobelprijs Economie voor in 2019.

‘Ik ben niet tegen het gebruik van cijfers en RCT’s’, zegt Drèze, ‘maar ze vormen maar één manier om de werkelijkheid te leren kennen.’ Zelf koos hij al lang voor actiegericht onderzoek dat ook belang hecht aan experience: de kennis en inzichten van betrokkenen, maar ook de ervaring die de onderzoeker opdoet.

‘Wie lange gesprekken met alleenstaande weduwen voert, begrijpt wat er allemaal kan misgaan bij het uitvoeren van de magere en ontoereikende pensioenplannen van de overheid. Op een statistiek lijkt 5 procent niet-bereikte mensen uit de doelgroep een kleine en wellicht aanvaardbare fout van het systeem. Maar wie tijd doorbrengt met de getroffenen, denkt daar anders over.’

In een voetnoot bij het bovenstaande citaat over de aantrekkingskracht van hoge lonen, noteert Drèze dat zelfs economen die kiezen voor een simpele levensstijl niet ontsnappen aan de zuigkracht van de machtscentra. ‘Een bekende econoom wordt al snel gebombardeerd met uitnodigingen om keynotes te houden op internationale conferenties, boeklanceringen te doen van werken die geschreven werden door invloedrijke mensen, herdenkingsbijeenkomsten voor te gaan, overheden te adviseren en lid te worden van ontelbare raden van bestuur.’

Toch slaagt Drèze erin om voortdurend op het terrein te zijn. Tussen de mensen. En vooral: zo veel mogelijk zoals de mensen voor wie hij zich inzet: de honderden miljoenen armen, de Dalits (of kastelozen) en Adivasi (inheemsen), de uitgeslotenen.

‘Er is wellicht geen land ter wereld waar de arme meerderheid met zoveel gemak en onverschilligheid aan de kant geschoven wordt als India’, stelt hij met spijt vast. En dus moet er harder dan elders aan inclusie, rechtvaardigheid en gelijke kansen gewerkt worden.

Eieren, kaste en klasse

‘Hebt u vanochtend een eitje genomen bij het ontbijt?’ De vraag waarmee ik het interview open, klinkt wellicht als een koetjes-en-kalfjesintro, maar niet voor Jean Drèze. Hij glimlacht: ‘Neen, niet vanochtend. Maar het gebeurt wel geregeld, ja.’ En dan – want hij weet waarop ik hint: ‘Ik ben vegetariër, maar dat belet me niet om eieren te eten. Het is trouwens maar een kleine groep opperkastehindoes die daar bezwaar tegen maakt.’

Toch weegt dat bezwaar in heel wat Indiase deelstaten zwaar genoeg om eieren van het middagmenu te houden van miljoenen schoolkinderen. Drèze begrijpt wel de zorgen van veganisten en dierenrechtenactivisten. ‘Ik ga de industriële kippenkwekerijen niet verdedigen’, zegt hij. ‘Maar ik vind anderzijds niet dat je dierenrechten kan of moet beschermen door de kwaliteit van de voeding van arme kinderen aan te vallen.’

Uiteindelijk is het verzet tegen eieren in de schoolmaaltijden een kwestie van kaste en klasse, gelooft Drèze. Wie tot de geprivilegieerde opperlaag van het land behoort, kan het zich veroorloven de behoeften van de arme meerderheid te negeren.

Wat Drèze zo belangrijk vindt aan de strijd om eieren op het menu of gekookt eten op de reftertafel te krijgen, is niet alleen de voedingswaarde ervan, maar ook het sociale belang. ‘Het verzet van opperklasse-ouders tegen Dalitvrouwen die het eten bereiden is intussen weggeëbd. Idem voor het verzet tegen het feit dat kinderen van verschillende kasten samen aan tafel gaan. Dat is duurzame, maatschappelijke winst’, gelooft hij.

‘Wat mensen echt verbindt is een gedeelde ervaring van repressie of marginalisering.’

Op de vraag hoe hij betrokken raakte bij de grote campagnes voor voedselzekerheid en het recht op werk, heeft hij niet echt een antwoord. Dezelfde aarzelende stilte volgt op de vraag waarom hij gekozen heeft voor zo’n uitgesproken sobere levensstijl. Die stiltes zijn ditmaal geen kwestie van bescheidenheid, maar drukken de overtuiging uit dat ‘gedeelde ervaringen veel belangrijker zijn in iemands keuzes en traject dan individuele introspectie’.

Drèze was geëngageerd voordat hij naar India kwam, zegt hij. Een erfenis van de generatie van de jaren ‘70: ‘Ik kreeg het geloof in de maakbaarheid van de wereld van thuis uit mee. Dat groeide tijdens mijn middelbareschooltijd, dankzij veel gesprekken én acties met medeleerlingen en goede leerkrachten.’

In India werkte hij in het begin op de campus van het Indian Statistical Institute. Tegelijk was hij met enkele vrienden ook betrokken bij sociaal werk in een nabijgelegen slum. Het leek hem dan ook evident om naar die slum te verhuizen en het leven te delen van de mensen bij wie hij zich zo betrokken voelde. ‘Zo komen keuzes tot stand: al doende.’

‘Ik ben geen buitenstaander’

Gaandeweg kwam Drèze ook tot het inzicht dat het sturen van je leven vanuit gedeelde ervaringen eigenlijk ook van belang is voor academisch of toegepast onderzoek. ‘Het gaat niet om het alleenstaande genie, maar om een team dat ideeën uittest en uitdiept. Om het proces dat gaandeweg bijgesteld wordt, de vragen die opgeworpen worden. Het is dan ook heel belangrijk om daarbij altijd naar de betrokkenen te luisteren.’

Door zowel zijn persoonlijke leven als zijn academische werk onder te dompelen in de ervaringen en noden van de arme meerderheid in India, is Drèze echt onderdeel geworden van het nationale meubilair. Als ik vraag of hij, als relatieve buitenstaander, soms bruggen kan slaan tussen kasten, religieuze gemeenschappen of regionale identiteiten, onderbreekt hij me: ‘Ik ben geen buitenstaander.’

Gevolgd door een wat twijfelender: ‘Natuurlijk ben ik nooit helemaal deel van de arme meerderheid. Alleen al het feit dat ik Engels spreek, behoedt me voor machtsmisbruik en uitsluiting.’

Het belang van rechten

‘Wat mensen echt verbindt,’ zegt Drèze, ‘is een gedeelde ervaring van repressie of marginalisering’. Laat die stelling ruimte voor wat wij meestal “internationale solidariteit” noemen? Hij twijfelt. ‘Solidariteit is geen eenrichtingsverkeer. En ik denk toch dat ze een behoorlijke mate van nabijheid vereist.’

Wat mensen vanuit België wél kunnen opbrengen, volgens hem, is empathie: je proberen in te leven in de zorgen, de onzekerheden en de dromen van mensen aan de andere kant van de planeet. En je daarvoor inzetten.

Wat uiteindelijk telt, opper ik op basis van zijn curriculum, is niet zozeer het medeleven van wie het goed heeft, dan wel de rechten die de armen verwerven. Zijn rechten dé sleutel voor sociale ontwikkeling, vraag ik daarop. Drèze aarzelt. ‘Dé sleutel voor sociale ontwikkeling bestaat niet, vrees ik. Maar in een land als India, waar de armen genegeerd worden, zijn rechten wél van doorslaggevend belang. Je kan rechten namelijk afdwingen.’

‘We steken nu veel tijd en energie in het verdedigen van onze verworvenheden, in plaats van verder te kunnen opbouwen.’

Op dit moment is hij erg bezig met onderwijs, een thema dat als een rode draad door zijn academische en actieve leven loopt. ‘Het is onbegrijpelijk hoe weinig bezorgdheid er is over de sluiting van scholen door COVID-19. Je kan dat alleen verklaren omdat de kinderen van de hogere middenklasse veilig afstandsonderwijs blijven genieten. De stemmen van die klasse klinken het luidst in de media. Intussen is online onderwijs ondenkbaar voor arme kinderen en blijven zij dus met lege handen achter.’

Overigens stelde Drèze, net als andere onderzoekers, vroeger al vast dat ook in normale tijden onderwijs verwaarloosd wordt. De kans dat een klas zonder leerkracht zit op een plattelandsschool is elke dag ongeveer 50 procent. ‘India investeert liever in infrastructuur dan in zijn menselijke talent.’

CC Gie Goris (CC BY-NC 2.0)

Jean Drèze: ‘Het regime van premier Modi slaat in elk geval een flinke deuk in het geloof dat we de wereld ten goede kunnen veranderen.’

Hindoenationalisme

Er is ruimte, gelooft Drèze, om een campagne te lanceren voor het Recht op Gezondheid. Het belang daarvan is tijdens de coronacrisis duidelijk geworden, zegt hij. ‘De gezondheidszorg in India is ongelijk, verkokerd en veel te veel geprivatiseerd. Net zoals bij het onderwijs is het resultaat onaanvaardbaar slecht, vooral voor wie zich privézorg niet kan veroorloven.’

‘Er zijn best wel wat groepen en bewegingen die zich inzetten voor betere en toegankelijke gezondheidszorg. Maar wat we nodig hebben is één front, over alle tegenstellingen heen.’

Ik ben proMO*

Met MO* zorgen wij voor écht nieuws over echte mensen in heel de wereld. Wil je ook ons unieke journalistieke project mogelijk maken? Word dan proMO*. Als proMO* word je lid van onze community, krijg je ons magazine en kan je gratis aan onze events deelnemen. Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Geweldig! Ik word proMO*

Is een breed en verenigd front nog mogelijk, nu de hindoenationalisten al 7 jaar aan de macht zijn en in toenemende mate langs cultureel-religieuze breuklijnen polariseren? ‘Het regime van premier Modi slaat in elk geval een flinke deuk in het geloof dat we de wereld ten goede kunnen veranderen. Ik ben nog wel hoopvol, maar met minder vertrouwen in een goede afloop.’

‘Tussen 2001 en 2014 zagen we een stapsgewijze opbouw van wat een systeem van sociale bescherming had kunnen worden. Vandaag zitten we in het defensief’, zucht Drèze. Het budget voor de warme middagmaaltijden op school werd in 2015 bijna gehalveerd. In 2021 werd er opnieuw gekort. ‘We steken nu veel van onze tijd en energie in het verdedigen van wat al verworven was, in plaats van verder te kunnen opbouwen.’

Het is niet dat de hindoenationalistische regering níéts doet voor de armen, voegt Drèze toe. Ze voorzag subsidies voor huisvesting, gasverbruik en de bouw van toiletten. ‘Nuttig, zeker. Maar eerder gericht op het winnen van de volgende verkiezingen dan op het uitbouwen van een echte sociale bescherming op langere termijn.’

Een andere benadering van politiek die hem veel meer ligt, vindt hij terug bij Dr. Ambedkar, voorvechter van de Dalits en hoofdauteur van de Indiase grondwet. Dit citaat uit 1949 is Drèze dierbaar: ‘Zonder gelijkheid produceert vrijheid de suprematie van een minderheid over de meerderheid. Gelijkheid zonder vrijheid zou het individuele initiatief smoren. En zonder broederschap kunnen vrijheid en gelijkheid geen vanzelfsprekende zaken worden.’

Hij leerde het werk en het denken van Ambedkar pas laat kennen. ‘Tot ik in 2002 naar Allahabad in de deelstaat Uttar Pradesh verhuisde, had ik eigenlijk nauwelijks over hem gehoord. Maar toen ik in de bib zijn Annihilation of Caste vond, was ik overweldigd.’

Tweeënhalve liefdesbrieven

Nu het opbouwen van een vrije, rechtvaardige en gelijkwaardige samenleving niet langer enkel een strijd tegen structurele ongelijkheid en verdeeldheid is, maar ook een gevecht om de culturele verbeelding van burgers en maatschappij, wil ik weten of Jean Drèze weleens teruggrijpt naar poëzie, in goede of slechte tijden.

Hij lacht. Poëzie staat veraf van economie, natuurlijk. Maar aan zijn decennium in Allahabad – ‘waar iedereen een beetje dichter is’ – hield hij toch enkele gedichten over. Of eerder: enkele doha’s, een middeleeuwse versvorm die populair is in het Hindi en het Urdu.

Drèze deelt enkele van zijn favoriete doha’s, met veel verontschuldigingen voor het verlies aan diepgang, referenties en ritme dat gepaard gaat met een snelle vertaling. De eerste kan gelezen worden als programmatisch voor een bekende econoom die de schijnwerpers mijdt: ‘Wat geeft het dat je groot bent? Kijk naar de [hoge] palmboom, die geeft geen schaduw aan de reiziger en als hij vrucht draagt, blijft die buiten bereik.’

Een tweede is filosofischer: ‘Op mijn vraag voor een lang leven, kreeg ik vier dagen. Twee werden doorgebracht in verlangen, twee in afwachten.’ Misschien, voegt Drèze toe, ‘kan je het tweede deel hier ook vertalen als: twee dagen werden besteed aan dromen, twee aan wachten tot ze zouden uitkomen’. De activist in hem besteedt zijn dagen liever aan campagnevoeren en het veranderen van het systeem.

De derde, ten slotte, is haast mystiek: ‘De hele wereld leest geschriften, maar niemand werd er wijs van. Diegene die tweeënhalve liefdesbrieven begrijpt verwerft alle wijsheid.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur