Filiaal van baggergroep DEME loopt voorop in selecte club van industriële pioniers

De race naar de zeebodem: hoe België een hoofdspeler werd in de diepzee

© Dos Winkel

De diepe, blauwe oceanen herbergen een ongekende schat aan biodiversiteit, maar ook de laatste onontgonnen grondstoffen van de planeet. De race naar de oceaanbodem is volop bezig en België zit in de kopgroep. Woensdag 24 juni organiseert de Kamercommissie Energie, Leefmilieu en Klimaat een hearing over diepzeemijnbouw en de Belgische rol en verantwoordelijkheid.

Kort samengevat:

  • De diepe, blauwe oceanen herbergen een ongekende schat aan biodiversiteit, maar ook de laatste onontgonnen grondstoffen van de planeet. De race naar de oceaanbodem is volop bezig, en België zit in de kopgroep.
  • De Belgische pioniersrol is toebedeeld aan het bedrijf Global Sea Mineral Resources (GSR), een filiaal van baggergroep DEME. GSR kreeg dankzij de formele steun van de Belgische regering een concessie voor exploratie in de Stille Oceaan, voor een gebied dat vijfmaal zo groot is als België. De helft daarvan moet het bedrijf delen met de Cookeilanden.
  • GSR verkent nu al jaren de mogelijkheden om zogenaamde metaalknollen te oogsten en wil eindelijk tot exploitatie overgaan.
  • Experts en milieubewegingen vrezen voor onherstelbare schade.
  • Bovendien dreigt de Belgische staat medeverantwoordelijk gesteld te worden als het misloopt bij een operatie. En dat risico is er, want diepzeemijnbouw, vijf kilometer onder het wateroppervlak, zal altijd riskant blijven. Een parlementair debat over de Belgische deelname aan de uitbating van diepzeerijkdom in de Stille Oceaan is nodig.


Toen de American Phosphate Company alle vogelmest op het koraaleiland Clipperton bijeen had geschraapt en er geen guano meer te halen viel, liep het leeg. Ook de mannen van het Mexicaanse garnizoen vertrokken. Hun sloep verging buiten de kust. Alleen de vuurtorenwachter, drie vrouwen en enkele kinderen bleven achter op Clipperton, of Isla de la Pasión, zoals het ook bekendstaat. Ze konden niet terug naar het Mexicaanse vasteland, zo’n duizend kilometer verderop, want daar woedde de revolutie.

De vuurtorenwachter transformeerde tot tiran. Maar een van zijn slavinnen sloeg hem in 1917 met een hamer de kop in. Net op dat moment verscheen een Amerikaans kruisschip aan de einder, dat de overlevenden verloste en terugbracht naar het vasteland. Nu leefden er enkel nog kokoskrabben op het eiland. Hun pantsers kleuren de atol oranje, naar het schijnt.

Meer dan 2 miljoen km2 zeebodem is onder contract voor exploratie. Industriëlen willen ook daar metalen ontginnen.

Clipperton is een spat in de oneindige oceaan. Maar hoe onooglijk ook, dit ringvormige eiland ten westen van Mexico was altijd al omstreden. Want iets dat tot niets dient, dat kan niet.

Frankrijk zei dat het Clipperton had ontdekt en lijfde de atol in de jaren 1930 in. Clipperton hoorde bij Tahiti, vond Parijs, al lag dat ruim 5000 kilometer ver naar het Westen. Tijdens de oorlog van 1940-1945 “leende” de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt de atol, zonder de Fransen iets te vragen, en hij liet er militaire installaties aanleggen.

Over dat project bestaat een top secret document van bijna driehonderd bladzijden dik, met integrale passages en kaarten die door de censor zijn afgeplakt. Maar: geen letter over wat er mogelijk rond Clipperton in de diepzee zat. Niemand dacht toen dat er ooit metalen uit de bodem van de oceaan gehaald zouden worden. Dat is vandaag wel even anders.

Het laatste ongerepte gebied

Landen hebben meer dan de helft van de zee ingepalmd als territoriale wateren onder hun nationale rechtsmacht. Verder zee-inwaarts liggen de internationale wateren, de high seas. Als je het vanuit de lucht bekijkt, tweedimensionaal, dan bestaat 70 procent van het aardoppervlak uit zee. Reken je de diepte erbij, dan wordt het pas echt indrukwekkend. Dan maken de internationale wateren 95 procent van de watermassa van de oceaan uit.

Lang gold de theorie van de Mare Liberum, een principe dat de Hollander Hugo De Groot in 1609 formuleerde. Die stelde dat iedereen op zee vrij mocht handelen. Tegenwoordig is dat vrij strikt geregeld. Na decennia van internationaal overleg zijn aan verschillende maritieme zones ook verschillende juridische statuten toegekend.

Een aparte zone heet Het Gebied, The Area. Het staat onder beheer van de Internationale Zeebodemautoriteit (International Seabed Authority, ISA), een VN-orgaan met zetel in Kingston, Jamaica. Via dit orgaan kregen Het Gebied en zijn natuurlijke rijkdommen een uniek statuut: ze zijn het gemeenschappelijke erfgoed van de mensheid. Het zijn wel gewone stervelingen die Het Gebied namens de mensheid beheren. Wat ze doen, is dus voer voor discussie.

Nogal wat ondernemingen halen delfstoffen uit hun relatief ondiepe, nationale wateren voor de kust. In de Belgische wateren, uit het Belgisch Continentaal Plat, worden bijvoorbeeld zand en grind gewonnen. Maar nu komt ook Het Gebied, ver buiten de kust, onder druk te staan. Anno 2020 is mijnbouw daar nog geen realiteit, het is wel een flinke trend.

© Dos Winkel

Industriëlen willen beginnen delfstoffen uit de diepzee te onttrekken. Anders komen we metalen tekort komen die onontbeerlijk zouden zijn voor een transitie naar duurzaamheid, is het argument

Meer dan 2 miljoen km2 is onder contract voor exploratie. Industriëlen willen ook daar metalen van de zeebodem ontginnen. Zij zijn maar met een half dozijn ondernemingen, maar ze willen absoluut beginnen met de extractie van de delfstoffen uit de diepzee. Dat is nodig, zeggen de industriëlen, omdat we straks anders metalen tekort komen die onontbeerlijk zouden zijn voor een transitie naar duurzaamheid. Uiteraard hopen ze aan de extractie ook te verdienen.

Sinds 2001 zijn er concessies, voor momenteel 18 geïnteresseerden. Tot dusver mogen ze niet ontginnen, maar enkel exploreren.

Als ze hun plannen voor ontginning uitvoeren, dan koloniseren deze industriële spelers de allerlaatste ongerepte gebieden van de planeet. Terwijl de oceaan met haar leven en gestel en systemen een nog grotendeels onbekend terrein is, uncharted territory, staat wel vast dat diepzeemijnbouw er onherstelbare schade zal aanbrengen. ‘Dit zijn de meest intacte ecosystemen van de planeet’, heeft marinebioloog Craig Smith eens gezegd.

Volgens Smith zal één enkele mijnbouwactiviteit in dit milieu een gebied van 500 km2 raken en een indirecte impact hebben op een gebied dat vijf keer zo groot is. ‘En dat gedurende een jaar,’ aldus Smith, ‘terwijl zo’n activiteit tot 30 jaar kan duren.’

Maar de mijnbouwers van de diepzee tekenen hun projecten al uit. Voor de Atlantische en de Indische Oceaan, onder andere. Maar ze kijken hoofdzakelijk naar één wingebied in de internationale wateren tussen Hawaï en Mexico, dat de ingewijden kennen als de Clarion-Clipperton Fracture Zone (CCZ). Die is genoemd naar twee langgerekte breuklijnen in de oceaanbodem; het roemruchte eiland Clipperton ligt buiten die CCZ.

De Clarion-Clipperton Zone lijkt maar een vlek op de aardbol. Maar leg haar over de landkaart van Noord-Amerika en dan overspant ze de 48 continentale staten van de Verenigde Staten, over de volle breedte van het Amerikaanse continent, van oost tot west.

Dat komt niet allemaal voor extractie in aanmerking, er zijn ook gebieden voor ontginning gevrijwaard. Maar de International Seabed Authority heeft deze Zone verkaveld en sinds 2001 heeft ze kavels in concessie gegeven aan momenteel 18 geïnteresseerden. Tot dusver mogen zij er niets ontginnen, ze mogen enkel aan exploratie doen.

Momenteel zijn 11 contracten toegekend aan ondernemingen. Vier daarvan zijn dochterondernemingen van grote bedrijven. Zij streven naar ontginning. Eén van die vier strevers is een Belgische privéonderneming: DEME-GSR. Die moest zich wel door de Belgische staat laten sponsoren om aanspraak te kunnen maken op een concessie.

De baggeraars

België was een laatkomer. Het verscheen in de diepzeemijnbouw in 2012, toen een reeks concessies al was uitgedeeld.

Bijna tien jaar later opereren Belgen in de frontlinie. In de spits staat de Belgische onderneming Global Sea Mineral Resources (GSR). De firma GSR is nu een filiaal van DEME, Dredging Environmental and Marine Engineering, een Belgische baggergroep van wereldformaat.

De knollen die men wil opvissen, zijn geologische creaties. Ze klitten samen aan een tempo van enkele millimeters per miljoen jaar.

GSR heeft als contractant een concessie in de Clarion-Clipperton Zone. Het onderzoekt hoe ze daar zogenaamde mangaanknollen of nodules kan ophalen. Zulke knollen zijn overal op de oceaanbodem te vinden. Ze liggen ook in ondiepe zeeën en in sommige meren, maar de CCZ zou er dik bezaaid mee zijn.

De knollen passen in een handpalm. Ze bevatten mangaan maar ook andere metalen zoals nikkel, koper en kobalt.

Technici zeggen dat ze de polymetallische knollen zullen harvesten, ‘oogsten’. Maar die term misleidt, alsof de knollen een gewas zijn en voor het oprapen liggen. Mensen zouden zo zelfs kunnen denken dat ze wel vanzelf teruggroeien. Maar polymetallische knollen zijn geologische creaties. Ze klitten samen aan een tempo van enkele millimeters per miljoen jaar. Elke nodule kan meerdere miljoenen jaren oud zijn.

Waar de meeste knollen liggen, in zogenaamde abyssale vlakten, is de oceaan 4 à 5 kilometer diep. Je slurpt ze dus niet zomaar omhoog naar een werkschip op zee. Het bovenhalen van de knollen, als het er ooit van komt, wordt best hachelijk.

De ingenieurs weten dat uit ondervinding. Voorjaar 2019 kreeg Global Sea Mineral Resources te maken met serieuze tegenslag. GSR trok toen op expeditie naar het gebied om een prototype van een robot te testen, de Patania II (zie ook kader). Enkele maanden eerder was de machine in thuisbasis Antwerpen onthuld, op de tonen van triomfantelijke muziek van Coldplay. Het toestel had toen al enkele proefritten gemaakt in slijkputten op het land. Voor de expeditie had GSR een Noors serviceschip gehuurd, de Normand Reach.

De Patania: met een robot naar de bodem

De Patania, zo heet de robot van Global Sea Mineral Resources (GSR). De Belgische firma, een filiaal van de baggergroep DEME, wil deze machine circa 4000 meter diep in de Stille Oceaan inzetten om ‘mangaanknollen’ van de oceaanbodem te verzamelen. De naam die ze bij DEME voor de robot bedachten, zegt iets over hun ambitie. De Patania is voor zover bekend de snelste rups van het dierenrijk. De robot zal inderdaad hard moeten werken. Bij GSR gaan ze ervan uit dat ze jaarlijks 3 miljoen ton knollen moeten oprakelen vooraleer de kosten zijn gedekt en deze activiteit begint op te brengen.

GSR bouwde een kleine versie van de robot in 2017 en testte die datzelfde jaar in de haar toegekende concessie. Deze Patania I moest enkel uitproberen hoe het is om in de modder van de diepzee te werken. GSR kent de staat van het terrein. De firma heeft het met een onderwater-drone laten fotograferen door de firma G-TEC. Het tuig is laag over de bodem gevlogen en heeft er 50.000 foto’s gemaakt. Zo weet GSR dat het terrein licht geaccidenteerd is, met niet al te steile hellingen. Het weet ook waar de meeste knollen liggen.

De Patania I haalde tijdens de test in 2017 een maximumsnelheid van 0,65 meter per seconde of 2,34 km/h en legde in totaal 14km af. In 2018 werd de Patania II gebouwd. Dit is een pre-prototype van de collector waarmee GSR uiteindelijk knollen wil oprakelen. De Patania II is 12 meter lang, 4,5 meter hoog en 4,5 meter breed. Hij meet 35 ton op het droge, 15 ton in het water. De finale Patania III zal vier keer groter zijn dan het pre-prototype.

Begin 2019 moest een test met de Patania II in de concessie worden stopgezet na een defect aan de streng die het commando-schip met de robot verbindt. De test zal in 2021 worden overgedaan. De robot zou dan als een tractor in een veld van 340 meter lang heen en weer rijden, aan 1,8 kilometer per uur, telkens over een strook van 50 meter, en er ‘mangaanknollen’ oprakelen. Het reservoir kan 3 ton knollen bevatten. Als het reservoir vol is, worden de knollen aan een keerpunt overboord gestort. Er worden geen knollen naar het commandoschip gezogen. In de realiteit zal de Patania III een gebied van 250 km2 moeten afwerken om de minimumproductie van 3 miljoen ton te halen. Het rupsvoertuig zal dus niet teveel mogen stilstaan.De private onderneming Global Sea Mineral Resources en haar eigenaar de DEME-groep zijn de voorbije jaren uit diverse bronnen met publiek geld gesubsidieerd voor de ontwikkeling van de Patania.

Een overzicht:

  • 2014, Frankrijk, innovatie-wedstrijd: 282.500 euro voor Nodulier2022 van SDI (GSR in samenwerking met OceanflORE en G-TEC)
  • 2015, Vlaanderen (IWT): 5.999.801 euro met 50 procent subsidie, voor GSR in samenwerking met Dredging International
  • 2016, Vlaanderen (VLAIO): 6.269.038 euro met 27 procent subsidie, voor GSR in samenwerking met Dredging International
  • 2017, Europese Unie, in het kader van het programma MarTera Era-Net Cofun: 4.203.083 euro met 30 procent subsidie, in samenwerking met de Duitse partners Geomar en Saltation, voor het COMPASS-project
  • 2013-2016, EU Framework 7 Programme (FP7), project MIDAS (Managing impacts of Deep-Sea Resource Exploitation): IHC en DEME zijn bij het programma betrokken maar halen er geen fondsen uit
  • 2014-2018, EU FP7, Blue Mining (budget 14,7 miljoen euro met 10 miljoen euro van de EU): 422.450 euro voor Dredging International NV
  • 2016-2020, EU Horizon2020, Blue Nodule (budget 7,9 miljoen van de EU): 982.250 euro voor Dredging International NV, 455.812,5 euro voor Global Sea Mineral Resources

Voor het MiningImpact-2 programma (2018-2021) heeft de Europese Unie een budget van 18 miljoen euro met 100 procent subsidie uitgetrokken, in het kader van het Joint Programming Initiative Oceans. Hier treden GSR en Geomar (Duitsland) samen op. Maar GSR is formeel: ‘Hiervan komt geen cent naar ons.’


De expeditie was in fasen gepland, met eerst een technische test van de apparatuur. Daarna zou de robot in de Belgische en Duitse concessiegebieden onderzeese proeven doen. Een grote groep vorsers zou de test observeren. Zij wilden nagaan of de Patania sediment van de bodem zou loswoelen en of het sediment zich als een wolk zou verspreiden, en ze zouden rond het knollenveld nagaan hoe die wolk zich zou gedragen.

Maar tijdens de allereerste technische test liep de missie spaak. Niet omdat de Patania II dienst weigerde, wel vanwege een defect aan de “navelstreng”, de umbilical, die schip en robot verbindt. Zo’n streng is een bundel van kabels en leidingen.

De umbilical die GSR gebruikt, is maar vijf centimeter dik. De streng wordt met een lier ontrold, stuurt stroom en commando’s naar de robot in zee en krijgt van diep daar beneden data van sensoren en beelden terug. Maar in maart 2019 ging er iets fout aan de umbilical of de lier en viel de robot zonder stroom.

In San Diego, aan de Amerikaanse westkust, stonden vorsers van de Universiteit Gent klaar om na die eerste functionaliteitstest door de Normand Reach te worden opgepikt. Samen met andere collega’s zouden ze de tweede fase van de expeditie uitvoeren. Maar GSR verwittigde hen dat die fase, de waarnemingen van de impact, was geschrapt.

De andere vorsers behoorden tot een internationaal consortium. Ze waren aan boord van het Duitse onderzoeksschip de Sonne. Zij zouden ook de sedimentpluim observeren.

GSR was gedwongen een nieuwe planning te maken. De firma dacht lang dat het testprogramma voor het eind van 2020 kon worden overgedaan. Maar ook dat plan schuift op, vanwege de COVID-19-crisis, aldus GSR. De firma zou het nu pas in 2021 opnieuw proberen.

België in het bad

België werd tien jaar geleden door twee ondernemingen in de diepzeemijnbouw getrokken. De spilfiguur bij DEME is Kris Van Nijen. Hij begon in 2010 met wat hij een Playing Field Analysis noemt, een grondige verkenning van wie er zoal met deze nieuwe bedrijfstak bezig was.

Zijn naaste Belgische partner was de Luikse firma G-TEC, gespecialiseerd in zeegeologie en opgericht door ingenieur Lucien Halleux. G-TEC voerde geregeld opdrachten uit voor DEME. Alles wijst erop dat DEME de Luikse firma met een bijzondere missie naar de frontlijn stuurde.

2012 was een kanteljaar. Op 23 april richtte G-TEC een filiaal op met één uitgesproken doel: het moest in de internationale wateren ‘op de bodem van de Stille Oceaan één of meerdere concessies verwerven met het oog op latere exploitatie’. Het filiaal heette G-TEC Sea Mineral Resources, afgekort GSR. Formeel stond GSR toen nog los van DEME.

Om een concessie te krijgen in de internationale wateren, richtte G-TEC Sea Mineral Resources een aanvraag aan de Internationale Zeebodemautoriteit ISA. Volgens de ISA-procedure moest GSR als Belgische onderneming door België gesponsord worden. Maar dat kwam gauw in orde.

GSR schreef in de aanvraag aan de ISA dat België zelf geen mijnbouw had en ‘bijzonder happig (is) om het potentieel van de diepzeemijnindustrie voluit te ontwikkelen’. België was inderdaad bereid G-TEC Sea Mineral Resources te steunen. Op 8 mei 2012 verwittigde Johan Vande Lanotte (sp.a), toen vicepremier en minister van Economie en de Noordzee in de Belgische regering, de Internationale Zeebodemautoriteit dat België zijn volle steun gaf aan de aanvraag van GSR. ‘Wij bereiden ook Belgische wetgeving voor om onze verantwoordelijkheid als sponsorstaat op te nemen’, aldus zijn brief, die op 31 mei bij de ISA aankwam.

In een tweede brief, van 21 juni 2012, verstuurd door vicepremier en minister van Buitenlandse Zaken Didier Reynders (MR) en door minister Vande Lanotte, werd het Belgische sponsorship voor GSR herhaald. In hun brief wezen Reynders en Vande Lanotte erop dat België de VN-verdragen voor de internationale wateren en hun bodemuitbating had geratificeerd.

Daarmee verwezen ze naar de Law of the Sea uit 1982 en haar uitvoeringsbesluiten uit 1994. België ratifieerde pas eind 1998. Op basis van deze verdragen, schreven de beide ministers, nam België het nu op zich dat de onderneming (GSR) de verdragen zou respecteren.

De administratieve molen maalde snel in dit dossier. Maar de ondernemers van de baggergroep DEME hadden goede connecties met de vicepremiers Vande Lanotte en Reynders, en dat heeft mogelijk een rol gespeeld.

Marc Stordiau, tot 2006 afgevaardigd bestuurder van DEME, had in een informele groep van raadgevers van Vande Lanotte gezeten. En op het kabinet van Didier Reynders ging in 2012 Alexia Bertrand als adviseur aan de slag. Zij is de dochter van Luc Bertrand, een van de toplui van de holding Ackermans & Van Haaren die indirect de DEME-groep controleert. In 2015 werd ze kabinetschef van Reynders.

Die zomer werd de aanvraag van GSR in Kingston behandeld. Vertegenwoordigers van GSR konden er hun project verdedigen bij de ISA. Onder hen Lucien Halleux, de oprichter van G-TEC.

In juli, na ‘6 closed meetings’ van de Legal and Technical Commission van de ISA, kreeg GSR’s aanvraag gunstig advies. En uiteindelijk, op 23 juli, kende de ISA-Raad aan G-TEC Sea Mineral Resources een gebied toe van 148.665 km2 (dat is vijf keer België) in de Clarion-Clipperton Zone. Daar mocht de firma aan exploratie van polymetallische nodules gaan doen.

De helft van dit gebied zou daadwerkelijk naar GSR gaan, de andere helft werd voorbehouden voor een ontwikkelingsland, zo voorzag de procedure het. De keuze viel op de Cookeilanden, een eilandstaat in het zuiden van de Stille Oceaan. Die keuze was overigens ook geen louter toeval, zo zal blijken.

Baggergroep DEME en GSR: de cijfers en de vetes

Dredging Environmental and Marine Engineering (DEME) zette de voorbije twee jaar telkens 2,6 miljard euro om. De groep is een specialist van het uitbaggeren van vaargeulen en land reclamation, het opspuiten van nieuw land. Maar DEME bouwt en beheert ook windmolenparken in zee, behandelt vervuilde sedimenten en legt mariene infrastructuur aan. Daarmee werd DEME absolute wereldtop.

DEME is eigendom van de Belgische bouwonderneming CFE, die op haar beurt wordt gecontroleerd door de holding Ackermans & Van Haaren.

Baggeren is keiharde business. Er zijn weinig specialisten en de wereldmarkt is relatief klein, met in 2018 een omzet van 5 miljard euro. Daardoor wordt er voor elk contract hard gevochten. De Belgische concurrenten DEME en Jan De Nul werken soms samen, zoals voor het uitbaggeren van het Suez-kanaal. Maar vaker maken ze elkaar het leven goed zuur.

De vete leidde er onder meer toe dat Jan De Nul in 2016 aan het Belgische gerecht informatie doorspeelde omtrent een verdachte operatie van DEME in Rusland. DEME had een contract binnengehaald in Sabetta in de Poolcirkel, ten koste van De Nul. Maar volgens de informatie van De Nul had DEME daarvoor meer dan 4 miljoen euro smeergeld betaald. De firma Jan De Nul is zelf overigens ook voor corruptie in opspraak gekomen, in Argentinië bij voorbeeld toen een zakenpartner 600.000 dollar betaalde om een lucratief contract te doen verlengen.

Binnen de DEME-groep is Global Sea Mineral Resources belast met het project van de diepzeemijnbouw. Deze onderneming behoort tot de offshore-tak van DEME. Offshore realiseert nu 43 procent van DEME’s omzet. Deze tak heeft de voorbije tien jaar een serieuze vlucht genomen voor DEME ten koste van de baggertak. Het aandeel van het baggeren in DEME’s omzet is sinds 2009 gehalveerd.

DEME heeft duidelijk veel intensiever in diepzeemijnbouw geïnvesteerd dan rivaal Jan De Nul. Dit wordt the next frontier. Sinds 2014 heeft DEME ook het kapitaal van GSR zelf gespekt, eind 2019 nog eens met 20 miljoen euro vers geld. Het kapitaal van GSR bedraagt nu ruim 33 miljoen euro. GSR is een kostenpost zolang dit filiaal niet echt aan diepzeemijnbouw mag doen.

Maar Global Sea Mineral Resources houdt meerdere ijzers in het vuur. Het bezit vandaag de exclusieve exploratierechten voor twee concessies van elk ongeveer 75.000 km2 in de Clarion‐Clipperton Zone. Één concessie die het zelf kreeg van de Internationale Zeebodemautoriteit, en één concessie die het samen met de Cook Islands Investment Corporation (CIIC) in de wacht sleepte. GSR heeft ook exploratierechten voor nodules in een gebied van 20.000 km2 in de Exclusieve Economische Zone van de Cookeilanden.

Deme gaat in knollen

De baggerfirma DEME trok naar de diepzee volgens een plan met complementaire luiken. Ze paalde haar toekomstige werkterrein af, begon nieuwe apparatuur te bouwen en beklonk belangrijke allianties.

General manager Kris Van Nijen reisde vanaf 2010 de aardbol rond om met specialisten van de diepzee te praten. Van Nijen had al heel zijn loopbaan in baggerwerken gezeten. Maar nu begon hij een voor hem compleet nieuw domein te verkennen.

Elk bedrijf dat zichzelf respecteert, ligt natuurlijk permanent op vinkenslag om opportuniteiten te grijpen als die zich voortdoen. En hier was er één: de winning van mineralen uit de oceaan. Maar wat zou DEME precies doen? De mogelijkheden waren legio.

Geologen kennen drie types van minerale afzettingen in zee:

  • er zijn abyssale vlakten met polymetallische knollen,
  • onderzeese “geisers” met daarbovenop afzettingen in de vorm van actieve of gedoofde schouwen,
  • en korsten in gebieden met een grote vulkanische activiteit (met hoge concentraties kobalt, platina en zeldzame aardmetalen).

Stilaan achterhalen biologen dat deze knollen, schouwen en korsten vol leven zitten. Maar ze krijgen pas economische waarde wanneer ze ‘grondstoffen’ worden genoemd. De industrie duwt nu volop in die richting.

Van 2010 tot ongeveer 2013 praatte Kris Van Nijen met iedereen die ergens zeebedeigendommen of concessies met mineralen had. Hij vernoemt Nautilus Minerals (dat in januari 2011 een uitbatingscontract voor sulfideschouwen tekende met Papoea-Nieuw-Guinea), Neptune Minerals (ook in 2011 opgericht), TransTasman (met een ijzerzandproject voor de kust van Nieuw-Zeeland) en Chatham Rock (fosfaat uit de zee bij Nieuw-Zeeland).

Ook de andere baggerfirma’s uit de Lage Landen maakten in deze periode hun entree in de diepzeemijnbouw. Boskalis bijvoorbeeld, uit Nederland, werd aandeelhouder van Chatham Rock. Jan De Nul, de grote Belgische concurrent van DEME, zou voor Nautilus het schip de Jules Verne bouwen. Maar dat ging uiteindelijk niet door.

DEME besliste ten slotte dat het polymetallische nodules in de diepzee wilde verzamelen. Dat bleef technisch gesproken binnen DEME’s bereik. ‘Je zuigt die knollen van op grote diepte op en dat is eigenlijk baggertechnologie’, aldus Van Nijen.

DEME’s keuze viel, toeval of niet, samen met het project dat G-TEC Sea Mineral Resources had ingediend bij de Zeebodemautoriteit in Kingston. GSR kreeg zoals gezegd in juli 2012 groen licht van de ISA, en in januari 2013 ondertekenden beide partijen daarvoor het contract.

Voorkennis over concessie

De Belgische firma G-TEC Sea Mineral Resources (GSR) vroeg in 2012 niet zomaar een kavel in de Clarion-Clipperton Zone, ze vroeg uitdrukkelijk om USA-3 en kreeg ze ook. Deze concessie was nog vrij én voor de Belgen geen onbekend gebied.

De voorgeschiedenis leidt terug naar de jaren 1970. Toen waren verscheidene industriële consortia opgericht om in de Stille Oceaan aan diepzeemijnbouw te doen, in een gebied dat volgens Amerikaanse bronnen van ‘maximum commercial interest’ was.

De Belgische mijnbouwgroep Union Minière stapte in 1974 in het consortium Ocean Mining Associates (OMA). OMA stond onder leiding van Deepsea Ventures en Tenneco (USA) en andere deelnemers waren de staalgroep US Steel (USA) en een filiaal van ENI (Italië). Ter herinnering: de Koude Oorlog was nog aan de gang en de VS konden niet overal grondstoffen vandaan halen. Ze waren wel het machtigste land van het rijke Westen maar stonden tegenover de Sovjet-Unie en de Derde Wereld. Het westerse kamp kon moeilijk aan de grondstoffen van de Sovjet-Unie. Het moest ook Zuid-Afrika als leverancier mijden omdat de Derde Wereld tegen het Zuid-Afrikaanse Apartheidsregime ageerde.

Eén uitkomst bood de diepzee, en zeker ‘de internationale wateren in de Stille Oceaan tussen Midden-Amerika en Hawaï waar drie mijl diep de bekendste bron (‘supply’) van mangaanknollen te vinden is’, zoals een Amerikaans rapport vermeldt.

Precies in dat gebied kreeg OMA de zone USA-3 in concessie. De stalen die OMA er verzamelde, kwamen in handen van Umicore, zoals Union Minière sinds 2001 heet. En toen GSR zich klaarmaakte om aan de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA) een CCZ-concessie te vragen, had Umicore aan GSR toegang tot de gegevens over USA-3 gegeven.

GSR kon zo aan de Zeebodemautoriteit verzekeren dat er een overvloed aan polymetallische knollen lag. De ISA gaf vervolgens een gebied van 148.665 km2 aan GSR in concessie om er aan exploraties te doen. De concessie werd in twee gesneden: GSR behield de helft, de andere helft werd later toegekend aan de associatie van GSR met de Cookeilanden.

Op de kaart bestaat USA-3 nu uit zes zones die volgens een zebra-patroon aansluiten, van west naar oost: A1-B2-A3-B4-A5-B6. GSR heeft de B-stroken, GSR-met-de-Cookeilanden heeft de A-stroken. Op basis van de beschikbare studies betoogde GSR in 2012 dat de commerciële waarde van A en B gelijk is.


Geheime partner

De Belgische staat trad bij de Internationale Zeebodemautoriteit (ISA) op als sponsor van G-TEC Sea Mineral Resources. Maar ook de Belgische onderneming Umicore en de Universiteit Gent steunden haar aanvraag voor een concessie als partners.

Umicore is een materialen- en recyclagegroep, met een lange (ook koloniale) voorgeschiedenis als mijnbouwonderneming, die tot 2001 bekend was onder de naam Union Minière. Dat had bovendien al in de jaren 1970-1980 enige ervaring met de exploratie van de diepzee opgedaan, als lid van een Amerikaans consortium.

Aan de Universiteit Gent waren marien biologen zoals An Vanreusel bezig met onderzoek van de oceanen, en ook marien geologen van het Renard Centre. Dat is vernoemd naar Alphonse Renard, die eind de jaren 1800 als een van de allereerste vorsers op polymetallische knollen had gewerkt. GSR verwees in de aanvraag aan de Zeebodemautoriteit overigens expliciet naar de verdiensten van Alphonse Renard.

© Dos Winkel

Proeven op de zeebodem moeten uitwijzen hoe de mineralen die zich daar bevinden, commercieel ontgonnen kunnen worden.

Maar in de aanvraag was sprake van nog een partner, waarvan GSR de naam niet wenste te onthullen. Bij de Belgische overheid was de naam bekend, maar daarbuiten niet. G-TEC Sea Mineral Resources meldde aan de ISA dat deze industriële partner (‘niet Umicore’) alle kosten van zijn diepzeeproject zou dragen.

Lucien Halleux was als baas van G-TEC bij alles betrokken. Hij e-mailt nu: ‘Een project van die omvang is zonder partnerships niet mogelijk, maar voor elk industrieel project ondertekenen de deelnemers vertrouwelijkheidsakkoorden en ik wil die akkoorden niet verraden.’ Hij gebruikt letterlijk het Franse woord trahir.

Wend u tot GSR, is de raad van Halleux. Kris Van Nijen van GSR: ‘De ambitie van Lucien (Halleux, red.) was om dit project te kickstarten. Maar hij besefte ook dat hij het als G-TEC alleen niet kon ontwikkelen. Hij heeft een voorzet gegeven, vóór ons, en wij hebben die opportuniteit overgenomen.’

Maar wie was deze geheime partner? Vermits de Belgische regering zich als sponsor garant stelde voor GSR, had de publieke opinie toch het recht dat te weten, of niet? UMICORE was het niet. Was het soms de kabelproducent Bekaert? Die naam liet Alain Bernard, afgevaardigd bestuurder (CEO) van DEME, zich enkele keren ontvallen. Of was DEME zelf de geheimzinnige industriële partner?

DEME en G-TEC leken voor elkaar voorbestemd. Ze draaiden rond elkaar als bidsprinkhanen in de paartijd. Want in 2014 slorpte DEME de firma G-TEC Sea Mineral Resources op en veranderde het de naam in Global Sea Mineral Resources (GSR). Samen met de firma kreeg DEME uiteraard ook het contract voor de ‘Belgische concessie’ in de Clarion-Clipperton Zone te pakken.

Weer drie jaar later verdween ook G-TEC zelf als onafhankelijk bedrijf. GeoSea (nog een filiaal van DEME) nam het in november 2017 gedeeltelijk over: GeoSea-DEME met 72,5 procent van het kapitaal, de Waalse investeringsmaatschappij SRIW met de rest.

België aansprakelijk?

In het begin wisten buiten de ministeriële kabinetten en de betrokken firma’s maar weinig mensen in België van dit hele dossier. Het kwam niet in de media, in het parlement liepen wel gesprekken over het internationaal zeerecht, maar de Belgische wet over ‘prospectie, exploratie en exploitatie van rijkdommen van de zee- en oceaanbodem en de ondergrond in de internationale wateren’ moest nog worden geschreven.

Minister Vande Lanotte vroeg in oktober 2012 advies over een wetsontwerp aan de Raad van State en pas in de lente en de zomer van het jaar nadien bogen de parlementairen zich daarover. Sommigen vernamen toen met verbazing dat GSR intussen, in januari 2013, al een contract voor vijftien jaar gesloten had met de ISA.

Een vraag van toen die tot vandaag valabel blijft, is: wat als GSR het te bont maakt? Wat als deze firma bij voorbeeld een milieuramp veroorzaakt? Is België dan aansprakelijk?

De nieuwe Belgische wet moest dat uitklaren, maar die wet werd pas in augustus 2013 in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd, gevolgd door een Koninklijk Besluit in oktober. ‘Ongewoon’, vindt jurist Klaas Willaert, die zich aan de Universiteit van Gent in de Law of the Sea verdiept. ‘Normaal is er een nationaal wetgevend kader, op basis waarvan de Staat een borgstellingscertificaat kan verlenen. Eens een bedrijf over een dergelijk certificaat beschikt, kan het vervolgens een aanvraag indienen bij de ISA.’

In het geval van GSR werd de volgorde omgekeerd. Volgens Klaas Willaert blijft België volgens het internationaal recht als sponsorstaat medeverantwoordelijk, maar de Belgische wetgeving wentelt alle aansprakelijkheid af op de contractant.

Johan Vande Lanotte graaft zoveel jaren later in zijn geheugen om die “omgekeerde volgorde” te duiden. Hij betreurt dat België ‘laat was met het uitvoeren van het ISA-verdrag’. Maar, e-mailt hij, ‘het is altijd mijn standpunt geweest dat als er een omvattende internationale reglementering is, het verkeerd is als lidstaat van een groter geheel eigen regels uit te vaardigen. Het UNCLOS-verdrag (het VN-zeerechtverdrag, red.) was een belangrijke internationale realisatie en als land hebben we ons altijd binnen die logica ingeschreven.’

GSR, aldus Vande Lanotte, kreeg de Belgische steun ‘omdat het een ernstig Belgisch bedrijf leek, dat nadien uiteraard de ISA regels zou moeten naleven’. DEME-GSR denkt er ook zo over: extra wetgeving hoeft niet als je al het wetgevend kader van de ISA hebt.

Weer een nieuw filiaal

Terwijl Kris Van Nijen veel tijd stak in gesprekken met andere ondernemingen, bouwde DEME voor de nieuwe bedrijvigheid een apart organigram uit. In 2011 deed de groep daarvoor een volgende zet. Het kondigde de oprichting van een joint venture aan, samen met de Nederlandse firma IHC Merwede. Ze werden beiden voor 50 procent eigenaar.

Ze noemden de nieuwe firma OceanflORE, waarbij ORE staat voor Ocean Reserve Extraction.

Toen OceanflORE werd opgericht, was IHC Merwede ook expertise aan het opdoen in diepzeemijnbouw. De Nederlandse firma werkte namelijk ook in Zuid-Afrika, onder meer als contractant van de mijnbouwgroep De Beers. Die haalde voor de kust van Namibië diamant van zo’n 150 meter diepte uit zee.

OceanflORE werd in september 2012 officieel in Nederland geregistreerd. Maar voordien al, in december 2011, hadden toplui van DEME en OceanflORE bij de International Seabed Authority de secretaris-generaal Nii Odunton ontmoet. ‘De general manager van DEME die ook bestuurder is van OceanflORE’ was erbij, staat in een e-mail van de federale overheidsdiest Buitenlandse Zaken.

Dat moet CEO Alain Bernard geweest zijn. Bernard nam toen wel eens het woord over DEME’s diepzeeplannen, en werd dan geflankeerd door Hugo Bouvy, bestuurder van OceanflORE.

Als je hen hoorde, was diepzeemijnbouw een urgentie. Omdat de wereldbevolking én de materiële welvaart groeiden, waren er meer grondstoffen nodig. Maar volgens rapporten van toen strekten de voorraden van een aantal noodzakelijke metalen op het land nog maar tien, vijftien of twintig jaar. Terwijl er in de oceaan grote afzettingen van die metalen lagen. Dat was hun redenering. Dus moest begonnen worden met de uitbating van die zeemineralen.

Bouvy kende de geologie van die zeemineralen niet precies. Hij sprak over een korst op het zeebed van 75, misschien wel 100 meter dik, ‘in elk geval zeer aanzienlijk’. Bernard suste dat ze voorzichtig te werk zouden gaan: ‘Wij kunnen chirurgisch baggeren.’

OceanflORE zou volgens Kris Van Nijen zijn technologie en uitrusting aanbieden aan ondernemingen met concessies voor diepzeemineralen. Maar dat kwam niet van de grond.

OceanflORE werkte volgens eigen verslagen wel aan aangepaste technologie, zoals een systeem om mineralen uit de zee naar het oppervlak te zuigen (een riser). In Frankrijk werd daarvoor weer een ander dochterbedrijf van DEME ingeschakeld, de Société de Dragage International (SDI). Met nog een derde partner erbij, G-TEC SAS, deden ze mee aan een wedstrijd van de Franse regering voor technologische innovatie.

Hun project werd bekroond. Het heette Nodulier2022. Bedoeling was apparatuur voor op de zeebodem te bouwen. Maar de echte details bleven bedrijfsgeheim. Lucien Halleux van G-TEC weet niet meer welke toelage Nodulier2022 van Frankrijk kreeg, ‘de maximumtoelage bedroeg 200.000 euro’. Maar volgens een jaarverslag van GSR kreeg het Nodulier-project een toelage van 282.500 euro.

Het was de eerste van een reeks subsidies (zie kader hierboven). Van een eindverslag aan Frankrijk is er geen spoor. Was dat dan niet nodig? Halleux: ‘Het gaat hier om industriële research, zulke rapporten zijn vertrouwelijk en staan niet op het internet.’ Of de toelage gebruikt is en hoe, dat weten tot nu toe enkel de betrokken industriëlen.

Cookeilanden in het vizier

OceanflORE werd voor DEME ook een voorpost in het gebied van de Stille Oceaan. DEME had daar de Cookeilanden in het vizier. Het knoopte vriendschappelijke banden aan met dat land, maar ging ook invloed uitoefenen op de regels voor de offshore mijnbouw in de Stille Zuidzee.

De eerste contacten werden ten laatste in 2012 gelegd. Kris Van Nijen deed in augustus van dat jaar op Fiji mee aan een workshop van het Deep Sea Minerals-programma (DSM). Dit programma was in 2011 gestart. Het ging uit van de regio-organisatie voor het ruime gebied, het Secretariat for the Pacific Community.

De Europese Unie steunde het programma met geld (4,4 miljoen euro) en expertise. Voor de EU speelde mee dat ze haar grondstoffenvoorziening wilde diversifiëren. Ze wilde minder afhankelijk zijn van enkele dominante leveranciers. Daarom groeide ook haar belangstelling voor de delfstoffen in het gebied van de Stille Oceaan.

Kris Van Nijen nam deel aan de workshop in zijn hoedanigheid van general manager van OceanflORE. Maar van dat bedrijf was een adres in Singapore opgegeven, namelijk 371 Beach Road #24-08 Keypoint. Daar hadden verscheidene andere bedrijven uit de DEME-groep hun kantoor. Voor DEME was Singapore vertrouwd terrein, het had er grote baggercontracten.

OceanflORE had ook kennisgemaakt met Paul Lynch, die op de Cookeilanden Commissaris bevoegd voor zeebodemmineralen was. In februari 2013 zagen ze elkaar terug. Lynch regelde toen een meeting met Tom Marsters, de vicepremier van de Cookeilanden. De meeting vond opnieuw plaats in Singapore. Later dat jaar sloot Global Sea Mineral Resources een eerste formele overeenkomst met de Cook Islands Investment Corporation (CIIC), een staatsonderneming.

DEME-GSR maakte zich nu op voor de dubbelslag. De groep had beslist in te zetten op de nodules in de internationale wateren. Maar, zegt Kris Van Nijen over de exploitatie: ‘Als je inzet op de internationale wateren, dan moet je je ook afvragen: komt daar ooit een wetgevend kader voor? Wat als dat er niet komt, wat dan met mijn investeringen? Dus heb ik naar alternatieven gekeken.’

Zo’n alternatief was het winnen van knollen in de Exclusieve Economische Zone van de Cookeilanden. DEME-GSR stelde daarom aan de Cookeilanden een ruil voor: zij zouden in de CCZ de andere helft van de GSR-concessie krijgen; GSR zou daar het werk doen voor de Cookeilanden, maar vroeg in ruil om in de EEZ van de Cook Islands de nodules te mogen ontginnen.

De Cookeilanden waren vatbaar voor het plan. Met DEME’s voorstel kregen zij toegang tot de internationale wateren, en, zegt Van Nijen, ‘wij tot de EEZ. Zo krijg je een de-risking. Want stel dat we in de toekomst niet aan exploitatie mogen doen in de internationale wateren, dan kan ik de 100 miljoen die ik geïnvesteerd heb mogelijk bij de Cookeilanden inzetten.’

De uitvoering van dit plan nam enkele jaren in beslag. GSR diende samen met de CIIC en met de Cookeilanden als sponsorstaat een aanvraag voor een concessie in bij de ISA. De vergunning werd in juli 2014 toegekend na de gebruikelijke geheime beraadslaging door de Legal and Technical Commission van de ISA. Dan duurde het nog twee jaar tot de CIIC bij de ISA het contract voor de exploratie van haar concessie in de Clarion-Clipperton Zone ondertekende.

GSR voerde inmiddels exploratiecampagnes uit. Die leidden in 2014, 2015 en 2017 naar het eigen concessie-gebied in de CCZ waar onder meer stalen werden genomen en het onderzeese terrein uitgebreid werd gepeild en gefotografeerd. Maar de campagne van 2018 leidde naar de concessie van de Cookeilanden in de CCZ voor gelijkaardige verkenningen. En voor de recentste exploratie, in september-oktober 2019, trok GSR een eerste keer naar de Exclusieve Economische Zone bij de Cook Islands, waar het een concessie van ongeveer 20.000 km2 heeft gekregen.

GSR voerde deze laatste campagne uit voor CIIC-Seabed Resources, een joint venture die het in juli 2016 met de CIIC van de Cook Islands heeft opgericht. De directeur van de joint venture is momenteel GSR’s Kris Van Nijen, die alomtegenwoordig lijkt te zijn.

GSR zal eind 2020 ‘zo’n 100 miljoen euro in het project gestoken hebben, puur risk capital’ uit eigen middelen.

Of OceanflORE de regelgeving voor de Stille Zuidzee of landen in de regio heeft proberen te beïnvloeden, blijft de vraag. Zeker één andere westerse onderneming heeft dat wel gedaan, de Amerikaanse wapenfabrikant Lockheed Martin. Lockheed had dankzij een sponsorship van het Verenigd Koninkrijk al een concessie in Het Gebied bekomen, en hoopte via de eilandstaat Fiji nog aan andere concessies te geraken. Daarom was het nuttig dat de regionale wetgeving dat toeliet.

Die wetgeving werd door verscheidene westerse organen onder handen genomen, zoals het Commonwealth onder Britse leiding èn het Deep Sea Minerals-programma (DSM), met steun van de Europese Unie. Dit DSM-programma bood Fiji aan om gepaste wetgeving te schrijven. En daar kwam een DSM-consultante onbeschaamd voor Lockheed tussen.

Dezelfde consultante werkte in naam van het Britse Commonwealth ook voor de Cook Islands aan de zeewet. Tussen de aanpak van Lockheed Martin en van DEME-GSR zijn er dus overeenkomsten. Ook de Belgische groep heeft immers de Cook Islands belobbyd.

Op naar de ontginning

En nu is het wachten. GSR mag testen en exploreren, maar niet meer dan dat. De regels voor exploraties staan op papier sinds 2001. Maar er zijn nog geen regels voor exploitatie, voor het effectieve ontginnen of afgraven van de zeebodem.

Aan zo’n Mijncode wordt gewerkt. De discussies gaan traag bij de Internationale Zeebodemautoriteit.

Vanuit het publieke belang bekeken is het goed dat ze hun tijd nemen. Maar bij de privéonderneming GSR en bij haar eigenaar DEME zijn ze ongeduldig. ‘Wij zijn hiermee gestart in 2013-2014, met de belofte dat er in 2016 een wetgevend kader voor exploitatie zou komen’, zegt general manager Kris Van Nijen. Zo’n kader wordt bij de ISA ten vroegste in 2021 aangenomen.

Terwijl het wetgevend werk in Kingston traag vorderde, werkte GSR door. De firma schoof van de eerste verkennende fase door naar een omvangrijke haalbaarheidsfase (begroot op 325 miljoen US$). Zo komt het dat GSR eind 2020 volgens Kris Van Nijen zo’n 100 miljoen euro in het project gestoken zal hebben, ‘puur risk capital’ uit eigen middelen. ‘En dan stopt het voor ons. Tot er een wetgevend kader is. Zodat ik wat ik uitgeef ook kan terugverdienen.’

Als de geplande test met de Patania II lukt, werken de ingenieurs daarna voort op basis van de resultaten van die test. Maar GSR en DEME investeren pas opnieuw wanneer ze de vergunning om nodules te mijnen in handen hebben.

GSR’s exploratievergunning duurt vijftien jaar en loopt tot 2028. Het plan ligt klaar om door te schakelen, de posten zijn berekend. Het project kost 4 miljard US$. De zwaarste posten zijn de apparatuur (bijna 600 miljoen US$), de schepen (bijna 700 miljoen US$) en vooral de verwerkingsfabriek op het land (2,4 miljard US$). De lopende kosten van de offshore operaties (op 1250 zeemijl van de kust) komen op 325 miljoen US$ per jaar, de lopende jaarlijkse kosten van de on-shore fabriek op 688 miljoen US$.

Om die kosten te dekken, moet een massa polymetallische knollen worden bovengehaald. Kris Van Nijen: ‘Met een productie van drie miljoen ton knollen per jaar is het project commercieel haalbaar.’

aanricht

 

Om de keten compleet te maken, denken GSR en DEME aan dit model: zij leveren de grondstof (de knollen) aan een fabriek aan land, maar een specialist moet die fabriek bouwen en managen. Dat is ook het model voor DEME’s offshore windmolenparken. ‘Wij zijn geen elektriciens of metaalfabrikanten, wij zijn baggeraars’, aldus Kris Van Nijen. GSR zoekt wel samen met Umicore naar een procédé om uit de polymetallische knollen metalen te raffineren. De twee ondernemingen sloten daarvoor in juni 2017 een eerste samenwerkingsakkoord, waarvan het voorlopig einde voorzien was tegen september 2019.

GSR en DEME laten geen gelegenheid onverlet om goodwill te scheppen. Dat bleek overduidelijk in 2018, tijdens de aanloop naar de (mislukte) test met de Patania II. GSR publiceerde toen een milieu-effectenrapport als een prospectus met details van de test. Dat moest ook volgens de regels van de International Seabed Authority. De impact voor de fauna, schreef GSR, zou beperkt blijven: er zouden nodules en wat habitat worden weggehaald, er zou hinder zijn van opwaaiend sediment, mogelijk zouden er toxische stoffen vrijkomen, er zou licht- en geluidspollutie zijn. De ISA had nauwelijks opmerkingen bij de prospectus. Volgens GSR had de ISA daarvoor drie externe experts geraadpleegd.

Daarmee was dit zaakje afgehandeld geweest, als de milieubeweging zich er niet mee had bemoeid. De organisatie Seas at Risk bond de kat de bel aan, waarna in België ook Natuurpunt, World Wildlife Fund (WWF) en de Bond Beter Leefmilieu in actie kwamen, spoedig geflankeerd door Greenpeace.

Zij vonden de Belgische overheid niet consequent. Die promootte de bescherming van de oceaan, maar steunde tezelfdertijd bedrijven die naar actieve ontginning van de delfstoffen in de diepzee streefden. En nu eisten de organisaties een publieke consultatie over de prospectus van GSR.

Hun eis vond gehoor in de federale regering. In het voorjaar van 2018 organiseerde toenmalig minister van Economie Kris Peeters (CD&V) een conferentie over het Belgische standpunt ten aanzien van diepzeemijnbouw. Daarna kondigde Staatssecretaris voor de Noordzee Philippe De Backer (Open Vld) de consultatie aan. Ze vond plaats in juli en augustus en de administraties van Economie en Leefmilieu deden de coördinatie.

Er was wel discussie of de consultatie wettelijk wel hoefde. ‘In de Belgische wet ontbrak een wettelijke basis voor het organiseren van een consultatie’, e-mailt Patrik Schotte van de FOD Economie. GSR wrong tegen omdat volgens haar een consultatie in de exploratiefase niet verplicht is. Nadien draaide GSR bij. En vandaag haalt Kris Van Nijen de consultatie van 2018 aan als een na te volgen voorbeeld. ‘België vervult zo een kartrekkersrol’, vindt hij. ‘Ik heb liever dat de lat hoog ligt, zodanig dat het moeilijker wordt voor al degenen achter mij om in te stappen.’

Wat niet is uitgeklaard, is hoe de testen van GSR worden gemonitord. Dat was niet duidelijk op te maken uit de prospectus van GSR. Zo ontstond de indruk dat de vorsers van het Europese onderzoeksprogramma MiningImpact-2 de monitoring voor hun rekening nemen.

Maar de hoofdverantwoordelijke van dat programma, de Duitse chemicus Matthias Haeckel, laat er geen twijfel over bestaan. Haeckel, aan de telefoon vanuit Hamburg: ‘Wij doen een onafhankelijke wetenschappelijke vaststelling van de impact die de knollencollector in de diepzee heeft. Ons werk staat los van de monitoring van de collectortest waartoe GSR wettelijk verplicht is.’

Wit konijn

GSR hoopt actief polymetallische knollen te mogen exploiteren. Maar niemand weet of die exploitatie er komt. De tegenstand groeit.

De kersverse Biodiversiteitsstrategie van de Europese Unie pleit voor grote voorzichtigheid. En begin 2018 nam het Europees Parlement een resolutie aan waarin het de Europese Commissie opriep een moratorium op diepzeemijnbouw in te stellen. Dat betekent dat commerciële uitbating van de diepzeeconcessies verboden zou zijn tot ‘de gevolgen voor het mariene milieu, de biodiversiteit en de menselijk activiteiten op zee voldoende bestudeerd en onderzocht en alle mogelijke risico’s bekend zijn’.

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
De milieubeweging bundelt internationaal haar krachten voor de diepzee in de Deep Sea Conservation Coalition (DSCC). Zij wil de bedreiging voor het leven in de diepzee beperken en de gezondheid van de ecosystemen in de diepzee voor de toekomst veiligstellen. Voor de coalitie geldt vóór alles het voorzorgsprincipe, dat zegt dat er geen commerciële uitbating van de oceaanbodem mag gebeuren als niet is bewezen dat deze uitbating géén onomkeerbare schade aanricht aan de oceaan en de oceaanbodem. Zij ijveren ook voor een maatschappelijke omslag die de vraag naar metalen doet dalen.

GSR én de International Seabed Authority vullen het voorzorgsprincipe anders in. Kris Van Nijen: ‘Dat principe zegt dat je je project stap voor stap moet ontwikkelen. Want hoe gaan we in hemelsnaam bewijzen wat de impact van diepzeemijnbouw is als we geen testen doen?’ Maar als zelfs de definities zo uiteenlopen, dan kan de discussie niet anders dan stroef verlopen.

Een geruststelling: België is dan toch geen bananenrepubliek. Ja, er wordt in achterkamers gekonkelfoesd. Ja, sommige politici spelen met ondernemers onder één hoedje. Maar de milieubeweging werkt hard om gehoord te worden, en de Belgische overheid neemt in dit dossier haar verantwoordelijkheid.

De workshop van juni 2018 over de Belgische wet op diepzeemijnbouw ging breed: behalve de industrie zijn er ook onderzoekers, overheden, milieuactivisten en niet-gouvernementele organisaties bij betrokken. En het overleg is pas einde mei 2020 afgesloten, toen een samenvattende nota naar de betrokken ministeriële kabinetten is gestuurd. De nota besluit onder meer dat er in het maatschappelijk middenveld géén draagvlak voor diepzeemijnbouw is. Op basis van dit overleg kan worden uitgemaakt of de wet moet worden aangepast.

De Belgische diplomatie staat voor een moeilijke keuze. Aan één kant trekt ze aan een ambitieus verdrag over de biodiversiteit in de internationale wateren. Maar, zo e-mailt Antoine Misonne van de FOD Buitenlandse Zaken, ze stelt tegelijk vast dat uitbating van de diepzee ‘per definitie vernietigend is voor het mariene milieu’.

Voor GSR is nu de prioriteit dat er snel juridische zekerheid komt om de polymetallische knollen te mogen bovenhalen.

Buitenlandse Zaken probeert uit dat dilemma te raken. België heeft in een zogenaamde non-paper aan de Zeebodemautoriteit maatregelen voorgesteld. Het voornaamste voorstel is dat milieuplannen van contractanten een onafhankelijke wetenschappelijke evaluatie moeten ondergaan. Aan alle Belgische ambassades bij sleutelspelers van de Zeebodemautoriteit is opgedragen dat ze steun zoeken voor deze voorstellen. Een ander Belgisch voorstel om de wetenschappelijke expertise van de Legal and Technical Commission van de ISA te vergroten, door daar meer biologen te doen zetelen, zou bij de ISA zijn opzijgeschoven.

Maar GSR-DEME gebruikt de Belgische diplomatie ook. De onderneming grijpt daarvoor onder meer de Belgische missies aan naar de vergaderingen van de International Seabed Authority. Kris Van Nijen van GSR en Johan Vande Lanotte reizen de laatste jaren mee met de Belgische delegatie, Vande Lanotte als raadgever van GSR.

En in februari 2019 gaf Guy Sevrin, de toenmalige Belgische ambassadeur in Jamaica, tijdens de Council-meeting van de ISA het woord aan Alain Bernard (tot kort daarvoor de CEO van DEME). Bernard verdedigde niet het Belgisch belang, maar het particuliere belang van zijn eigen onderneming. Hij zei uitdrukkelijk te hopen dat tegen juli 2020 een wettelijk kader voor ontginning aangenomen zou zijn.

Voor GSR is nu de prioriteit dat er snel juridische zekerheid komt om de polymetallische knollen te mogen bovenhalen in de Clarion-Clipperton Zone. Dat zal in 2020 niet meer gebeuren.

Vraag is of GSR binnenkort een wit konijn tevoorschijn tovert om een exploitatievergunning te forceren. In de Law of the Sea staat een clausule met een achterpoort voor een spoedprocedure. Die bepaalt dat een bedrijf dat de voorwaarden van zijn exploratiecontract heeft vervuld, een aanvraag voor exploitatie kan doen. De ISA heeft dan twee jaar de tijd om de regulering op punt te stellen.

Nu is GSR naar eigen zeggen ver gevorderd met zijn werkplan voor de exploratiefase. GSR zou er dus aan kunnen denken de tweejarenclausule in te roepen. In de praktijk moet België dan als sponsorstaat de uitbatingsvergunning vragen. Stel dus dat GSR deze clausule wil benutten, gaat België dan volop met de privéonderneming mee? Of stopt het en bedankt het voor de eer om de sponsor van de Belgische diepzeemijnbouw te zijn?

Dit is het eerste deel van een reeks over de rol van België in de diepzeemijnbouw. Deel 2 volgt en beschrijft de impact die diepzeemijnbouw zal hebben voor de gemeenschappen die leven van de zee en voor de oceanen.

Deze artikelenreeks krijgt de steun van het Fonds Pascal Decroos. Voor dit artikel is een uitgebreide analyse van documenten gebeurd en zijn de sleutelfiguren geïnterviewd uit de industrie, de academische wereld, de milieubeweging, de overheid en de politiek. Dank aan allen die dit artikel tot stand hielpen komen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2630   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver, journalist en onderzoeker

    Raf Custers is onderzoeker bij Gresea (Groupe de Recherche pour une Stratégie Economique Alternative). In 2013 publiceerde hij het boek Grondstoffenjagers.