Dood van een Oriëntalist

Wie vandaag pleit voor verdraagzaamheid en inclusie, loopt al gauw tegen een muur van angst en onbegrip. En toch. Misschien weten we beter hoe we tot een doorleefde dialoog tussen diverse groepen kunnen komen, dan we aan onszelf in sombere tijden durven toegeven? Getuige daarvan dit verhaal van oriëntalist Barbara Segaert die zich, samen met haar man Farid Hemdane, en met een diploma Arabistiek op zak, jaren geleden vestigde in Borgerhout. In één verhaal, een tijdsgewricht.

Ik heb geleurd met mijn diploma Arabistiek, na het beëindigen van mijn studies in 1989, bij exportbedrijven, nieuwsredacties en migrantenwerkingen. De Vlaamse arbeidsmarkt had geen boodschap aan een werknemer met mijn profiel. Na een leerstage in Algerije, waar ik, ten tijde van de val van de muur in Oost-Europa, getuige was van de omwenteling van socialisme naar liberalisme, trachtte ik een plaats te veroveren op de arbeidsmarkt in mijn thuisland.

Aan het werk

De aanhouder wint. Na maanden klussen in de horeca, bood de Syrische verantwoordelijke van de Kamer van Koophandel België-Luxemburg-Arabische landen in Brussel mij een betrekking als redacteur van het bedrijfsmagazine. Mijn kennis van het Engels, opgedaan als kind van een expat in de VS, gaf de doorslag.

Zo kwam ik terecht in een internationale werkomgeving met Arabische migranten als collega’s. De Palestijnse collega stond in voor de exportvisa, de Jordaniër begeleidde de handelsmissies, de Libanees (de enige die de islam actief praktiseerde) zou later op de Belgische ambassade in Koeweit  terechtkomen.

In februari 1990 kwam mijn Algerijnse echtgenoot naar België. We trouwden na zijn aankomst (de Belgische consul van Algiers stuurde me nog een uittreksel van het Algerijns burgerwetboek om me te waarschuwen niet in Algerije te huwen). Het was de enige optie om zijn verblijf in België te regulariseren (we kregen controlebezoeken van de wijkagent om na te gaan of het geen ‘marriage-en-blanc’ betrof).

Ik leefde in een wereld vreemd aan de Belgische maatschappij en zag ze door de ogen van een outsider. Mijn job en huwelijk gaven me een mondiale kijk op de wereld vooraleer de term ‘globalisering’ ingang had gevonden in de Belgische mindset.

We hadden een bescheiden huisje gekocht omdat we op de huurmarkt niet terecht konden wegens wantrouwen jegens migranten. Onder dit gesternte werd onze zoon geboren.

Trouwen in België

De achtjarige oorlog tussen Iran en Irak (1980-1988) was net beëindigd en de achtjarige burgeroorlog in Algerije (1992-2000) kondigde zich aan. De eerste democratische verkiezingen, die aanvankelijk het optimisme van een Arabische Lente ‘avant-la-lettre’ hadden geïnspireerd, brachten een islamitische partij aan de macht. Dit werd door het Algerijnse leger in de kiem gesmoord. De invasie van Irak in Koeweit in 1990 werd gevolgd door VN-sancties, die zwaar wogen op de inkomsten van de Kamer waardoor wij als werknemers moesten inleveren.

Intussen kwam het Vlaams Blok van de grond in Borgerhout waar we woonden. We hadden een bescheiden huisje gekocht omdat we op de huurmarkt niet terecht konden wegens wantrouwen jegens migranten. Onder dit gesternte werd onze zoon geboren. We wachtten ons ervoor hem, in het heersende sociale klimaat, een Arabische naam te geven.

Zijn vader had intussen werk gevonden in de haven, ver beneden zijn capaciteiten. Dat betekende voor hem het einde van een tienjarige carrière als scheepswerktuigkundige in de lange omvaart, een prestigieuze functie in een land dat van gasuitvoer leeft. Met de ‘democratisering’ en ‘liberalisering’ van het land was ook een syndicale beweging op gang gekomen en hij had zich, voor zijn ‘overkomst’ ontpopt als een gewaardeerde onderhandelaar voor de arbeidsrechten van het zeevarend personeel.  Als allochtone arbeider in een milieu met veel aanhang voor het Vlaams Belang, mocht hij een kruis maken over zijn carrière.  

Heel even had de kans reëel geleken om voor een Belgisch energiebedrijf als expat uitgezonden te worden naar Afrika. Zo hadden we nog samen kunnen migreren en elders een bestaan uitbouwen, maar dat mocht niet zijn. Hij had de Belgische nationaliteit nog niet…

Op vakantie

De man die de wereld had rondgevaren vanuit een land met een strikt uitreisbeleid (zelf had ik dit aan den lijve ondervonden toen ik na mijn verblijf weer naar huis wilde keren; omdat ik intussen een verblijfsvergunning als ‘resident’ had viel ik onder de lokale regels die van burgers een uitreisvisum vereist wanneer zij het land verlaten), wordt geconfronteerd met administratieve beperkingen op zijn bewegingsvrijheid.

Onze eerste vakantie samen in Europa — een autoreis naar Italië — wordt een processie van Echternach langs consulaten die pas een visum wilden verlenen als eerst de andere landen waar we door zouden reizen dit hadden gedaan. Paspoortproblemen op de nachttrein naar Zwitserland, waar zijn broer zou trouwen, leverden gestapo-achtige impressies op wanneer we door Duitstalige grenswachters van de trein worden geplukt voor verhoor onder de ogen van bejaarde medereizigers waarmee we de couchette-wagon delen. Motivatie tot naturalisatie te over …

Paspoortproblemen op de nachttrein naar Zwitserland, waar zijn broer zou trouwen, leverden gestapo-achtige impressies op wanneer we door Duitstalige grenswachters van de trein worden geplukt voor verhoor.

Algerijnse familieleden en vrienden kunnen ons enkel bezoeken als wij ons schriftelijk garant stellen voor hun huisvesting en medische zorgen. Met ons ‘certificat d’hébergement’ kunnen ze de procedure van visumaanvraag opstarten en als ze die hebben doorworsteld en hier geraken (de prijs van een vliegtuigticket kost enkele maandlonen) is het niet voor even … Het belast onze relatie en ons bescheiden inkomen, maar zij hebben recht op verlof van de oorlog.

Die mag ik voor De zevende dag ‘en direct’ op televisie komen toelichten. Bij gebrek aan beter word ik tot expert gebombardeerd. De familie blijft een bron van informatie.

We bezoeken Algiers in de winter van 1992 en worden er geconfronteerd met een militaire noodtoestand, een situatie van permanente dreiging van een interne vijand, het Front Islamique du Salut (FIS), de geradicaliseerde vleugel van de democratisch verkozen islamistische partij en staatsterreur (overal machtsvertoon van gemaskerde veiligheidstroepen op tanks; ‘ninja’s’ gedoopt door de inwoners). De bewegingsvrijheid is aan banden gelegd door de avondklok. De uitzonderingstoestand zou jaren aanhouden.

Ironisch genoeg worden we jaren later geconfronteerd met een déjà-vu wanneer militairen gemeengoed worden in het straatbeeld in Europa, na aanslagen van moslimterroristen in Parijs in 2015. Farid heeft ook zelf aan den lijve mogen ondervinden wat het betekent onder schot te worden gehouden door gemaskerde agenten van het Bijzonder Bijstandsteam toen hij per vergissing werd geïdentificeerd met de dader van een gewapende overval op het café op de hoek van onze straat.    

De jongeren zoeken hun heil in het buitenland. Een broer vervoegt de broer die zich in Zwitserland heeft gevestigd en blijft hangen na het verstrijken van zijn toeristenvisum. Hij wordt als illegale arbeider opgepakt en teruggestuurd. Het restaurant van de zus in Parijs wordt de draaischijf van de Algerijnse diaspora. Daar worden verhalen uitgewisseld over het leven onder terreur in het thuisland en het leven als tweederangsburger in Europa. Ondertussen groeien onze kinderen op tussen twee werelden …    

Stedelijk beleid

In Borgerhout

Ik begon werk te zoeken dichter bij huis, ook om meer aanwezig te zijn voor onze zoon die het lager onderwijs aanvatte. Farid had, dankzij de Amerikaanse opdrachtgever voor wie zijn firma in onderaanneming werkte, een betere positie verworven, maar het was wel nachtwerk.

Eind jaren negentig, nadat de hoop op vrede in Palestina met de Oslo-akkoorden, die even een opleving van de economie van Gaza en de Westelijke Jordaanoever had teweeggebracht, opnieuw de bodem werd ingeslagen en de tweede intifada zich aankondigde, had ik het ook stilaan bekeken op de Kamer van Koophandel.   

Ik trad in dienst van een Antwerps projectontwikkelingsbedrijf en ging Arabische les geven in het stedelijke avondonderwijs. Er volgde een periode van werken en lesgeven, maar ook van reizen en schrijven in en over de Arabische wereld.

Ik polste mijn leerlingen Arabisch naar hun motivatie en verbaasde me over hun antwoord. Velen waren migranten van Marokkaanse origine van de tweede generatie die les kwamen volgen om aansluiting te vinden bij hun ‘roots’. Zij waren zich niet bewust van het feit dat hun Berberse achtergrond weinig uitstaans had met het klassieke Arabisch, de taal van de koran en dat beide bevolkingsgroepen vaak tegenover elkaar stonden (in Algerije spraken de inheemse Berbers neerbuigend over de Arabieren als nazaten van de islamitische veroveraars die Noord-Afrika kort na het ontstaan van de islam onderworpen).

Mijn leerlingen Arabisch, van Marokkaanse origine, wilden zich conformeren aan de eisen van onze maatschappij door zich een herkenbare identiteit aan te meten, die we hen ten dele hebben opgedrongen.

Zij wilden zich conformeren aan de eisen van onze maatschappij door zich een herkenbare identiteit aan te meten, die we hen ten dele hebben opgedrongen. Het stadsbestuur vroeg om een duidelijk aanspreekpunt voor Arabische en Afrikaanse minderheden. Het Afrikaans Platform en de Federatie van Marokkaanse Verenigingen werden als enige spreekbuis voor de meest uiteenlopende gemeenschappen erkend. Een gebrek aan kennis en interesse voor deze diversiteit leidde tot oppervlakkige definiëring van dit amalgaam. Een simplistische interpretatie van de islam, in zijn meer conservatieve connotatie, was daar het gevolg van.

Geen wonder dat we een decennium later worden geconfronteerd met een generatie islamisten die een reductionistisch beeld hebben van hun religie. We hadden er ook voor kunnen opteren om de berbercultuur een plek te geven (volgens de 19de eeuwse Franse politieke filosoof Tocqueville, die het koloniale bestuur in Algerije van bij aanvang adviseerde, bood de berbercultuur meer mogelijkheden om een democratisch bewind te vestigen).

Het stadsbeleid had inmiddels een nieuw programma ontwikkeld, gesubsidieerd door het Vlaamse Sociaal Impuls Fonds, voor de bestrijding van kansarmoede (toegenomen met de instroom van migranten), de kentering van de stadsvlucht (jonge middenklasse-gezinnen vestigden zich meer en meer in de rand) en het keren van het xenofobe politieke klimaat. Door een gecombineerde aanpak van stedelijke problemen op vlak van huisvesting, onderwijs, welzijn en cultuur, wilde men de leefbaarheid van de stad verbeteren. Ik vervoegde het programma- & evaluatieteam en leerde de stad van onderuit, vanuit de marge, kennen …

We ontwikkelden een doelgroepenbeleid met specifieke acties voor, onder andere, jongeren (er was rond 2000 amper sprake van een Antwerps jeugdbeleid), generatiearmen en allochtonen … We waren dus medeverantwoordelijk voor de invoering van de nominale segregatie tussen autochtoon en allochtoon volgens een uitgangspunt dat ik nooit begrepen heb. Op basis van welke criteria worden alle inwoners van andere origine, ongeacht hun sociale positie of opleidingsniveau, ingedeeld in een aparte categorie die speciale aandacht behoeft? Op basis van hun cultuur of hun geloof? Mijn atheïstische echtgenoot met hoger opleidingsniveau valt hier ook onder. Mijn zoon, als telg van een gemengd koppel en exponent van de ‘tweede generatie’ ook …

We waren dus medeverantwoordelijk voor de invoering van de nominale segregatie tussen autochtoon en allochtoon volgens een uitgangspunt dat ik nooit begrepen heb.

Ik heb me daarop bij het team vervoegd dat zich met sociaal-artistieke projecten inliet. Met cultuur als wapen (een positievere insteek om gestigmatiseerde groepen te benaderen) werkten we aan sociale cohesie op het terrein (de contacten die we hadden en de dynamiek die we teweegbrachten hadden van nut kunnen zijn in deze tijden van radicalisering en terrorisme). We trachtten de gevestigde blanke cultuursector open te breken.

Het Sociaal Impulsprogramma liep ten einde op het moment dat 9/11 als een bom insloeg. De eerste acties die werden afgebouwd waren cultuur en jeugd. Onder druk van een verrechtsing van het bestuur (waartegen toenmalig schepen van cultuur te weinig verzet bood maar hij was niet echt een adept van cultuur met kleine ‘c’ en focuste eerder op prestigeprojecten zoals het Museum Aan de Stroom),  kwam er een heroriëntering van het budget dat voorrang gaf aan maatregelen op vlak van veiligheid (harde resultaten tegenover softe aanpak). Ik verloor mijn betrekking terwijl de politiehelikopters hun intrede deden (telkens er een over Borgerhout vloog zag ik mijn salaris vliegen).

In het onderwijs

Ik zocht mijn heil in het onderwijs en ging aan de slag als leerkracht talen in een Steinerschool (veel begenadigde leerlingen - velen ook met leerstoornissen-, maar geen allochtonen). Ik slaagde er na een semester in de leerlingen opnieuw te boeien voor de Engelse en Franse talen. Ik leerde hen hoe taal meer is dan techniek en een sleutel geeft tot andere culturen en wereldbeelden, zoals ik dat zelf had ondervonden door de studie van de Arabische taal.

Ik heb hen in de steek gelaten voor een opdracht aan de universiteit. De collega’s namen me dat kwalijk, terwijl de leerlingen mijn keuze begrepen (één van hen gaf me een oud Hebreeuws boek cadeau).

Als wetenschappelijk coördinator bereidde ik een internationale zomercursus voor over de interreligieuze en interculturele dialoog tussen christendom, jodendom en islam. Ik nodigde de Frans-Algerijnse islamoloog Mohammed Arkoun en de Amerikaanse islamkenner John Esposito uit, wiens werk ik met veel aandacht volgde. De interesse van de academische wereld voor de islam, ingegeven door de naschok van 9/11, zat in de lift. Het publieke debat verschoof van islam als cultuur naar islam als religie maar de argumentatie bleef dezelfde. De zomercursus opende op het stadhuis met toespraken van religieuze leiders.

Kardinaal Danneels verkondigde dat de islam nood heeft aan een Franse revolutie en de zelfverklaarde leider van de Europese islam, Tariq Ramadan bekritiseerde de houding van neutrale tolerantie die in het Westen overheerst t.a.v. de islam. De kardinaal werd teruggefloten door islamkenners, Ramadan werd ervan beschuldigd met een dubbele tong te spreken en de boodschap van de Moslimbroederschap uit te dragen.

De derde generatie migranten manifesteert zich op religieuze gronden en eist gelijkwaardig burgerschap. De autochtone meerderheid ontkent praktijken van achterstelling en partijdigheid en verschanst zich achter een discours van integratieonwil, gebrekkige scholing en taalbeheersing. 

De derde generatie migranten manifesteert zich op religieuze gronden en eist gelijkwaardig burgerschap (op papier zijn ze Belg, in de praktijk worden ze als minderheid behandeld). De autochtone meerderheid ontkent praktijken van achterstelling en partijdigheid en verschanst zich achter een discours van integratieonwil, gebrekkige scholing en taalbeheersing.

De religieuze explicitering van decennialang genegeerde socio-economische en culturele segregatie, wordt met wantrouwen en onbegrip beantwoord. De manifestatie van de islam lokt het gevestigde katholieke establishment uit zijn kot en ook het secularisme komt onder vuur. Dit levert voer voor onderzoek en nu gaan ook sociologen, economen en politicologen zich toeleggen op de studie van religie in de maatschappij.

Scholen worden geconfronteerd met een gekleurde bevolking en ons universitair centrum biedt mogelijkheid tot reflectie over de aangewezen aanpak via studiedagen voor katholieke en islamitische godsdienstleerkrachten. De katholieke scholen (die nog steeds instaan voor 80% van het onderwijsaanbod) kennen een instroom van moslimleerlingen. De godsdienstleerkracht stelt zich vragen bij het onderwijzen van het katholieke geloof aan moslims.

Vanuit onze persoonlijke seculiere onderwijservaring sturen Farid (wiens vader, door de Witte Paters opgeleid, schooldirecteur werd in de Frans laïcistische traditie) en ik (mijn moeder weigerde haar drie dochters naar de nonnen te sturen) onze zoon naar het publieke onderwijs.

In de Arabische wereld

Mijn carrièreswitch kwam op tijd (betere verloning dan in het secundair onderwijs) want Farid verloor zijn betrekking in 2003 wegens rugproblemen. Ondanks aanhoudende inspanningen om zich te heroriënteren op de arbeidsmarkt zou hij zes jaren werkloos blijven. Een opleiding als leerkracht en een mandaat in de lokale politiek zouden uiteindelijk nieuwe wegen openen.

Dit liet me ondertussen toe studiereizen te maken in opdracht van mijn werkgever; naar Sint-Petersburg voor een interreligieuze ontmoeting, naar Boekarest en Sofia in het licht van een project over de toetreding van Roemenië en Bulgarije tot de EU, naar Damascus en Beiroet in het kielzog van onze eerste leerstoelhouder …

© Barbara Segaert

Met Sadik Al-Azm

Sadik Al-Azm was een (kantiaans) filosoof, telg uit de Ottomaanse kaste die als bestuurders over Syrië werden aangesteld voor de onafhankelijkheid van het land. Hij groeide op in een paleis in de soek van Damascus. Als jonge universiteitsprofessor kwam hij in aanvaring met het bestuur naar aanleiding van een artikel waarin hij de negatie van de Arabische nederlaag in de Yom Kipoeroorlog tegen Israël hekelde. Het kwam tot een rechtszaak (vandaag zou hij worden gelyncht), wat hem het etiket van enfant terrible van het establishment opleverde, een titel die hij heel zijn leven eer heeft aangedaan.

Voor hij ons als leerstoelhouder vervoegde in 2004 had hij als opgemerkt spreker op de Frankfurter Buchmesse, waar de Arabische wereld dat jaar in de focus stond, hoge ogen gegooid met een uiteenzetting over de globalisering van de Rushdie-affaire. Zijn bekendheid in Europa begon te groeien. Dit vertaalde zich in de toekenning van de Leopold Luckasprijs aan de universiteit van Tübingen voor zijn inspanningen op vlak van toenadering tussen culturen. Ik vergezelde hem op de uitreiking en ontmoette er onder meer de bekende theoloog Hans Kung.

In zijn ontvangstrede hield hij een memorabel pleidooi voor toenadering tussen soennieten en sjiieten. Nederland bekroonde hem datzelfde jaar met de Erasmusprijs die hij deelde met Fatima Mernissi, de Marokkaanse sociologe wiens boeken over feminisme in de Arabische wereld ik indertijd had verslonden. De uitreiking werd door zijn intieme vriend Nasr Abu Zayd bijgewoond, de Egyptische korantheoloog, die wegens zijn vernieuwende interpretatie was verbannen en onderdak had gekregen aan de universiteiten van Leiden en Utrecht. 

Sadik bracht me ook, toen ze op doorreis was in Brussel, in contact met zijn vriendin Nawal es-Sadaawi, de Egyptische vrouwenarts, voorvechtster in de strijd tegen vrouwenbesnijdenis, wiens roman ‘Mijn reizen rond de wereld’ mijn echtgenoot mij voor mijn verjaardag had geschonken met de dedicatie ‘vivement que les femmes s’émancipent’. Sadik bracht aldus mijn studies tot leven …

Aan de universiteit in Antwerpen doceerde hij een cursus over het maatschappelijke debat in de Arabische wereld, dat door toenmalig VRT-correspondent voor het Midden-Oosten, Mark Ooms, in boekvorm werd geredigeerd.

In ijltempo nam hij ons mee door de debatten die het Midden-Oosten in de tweede helft van de 20ste eeuw hadden beheerst, van de generatie intellectuelen van de sixties, over het debat voor onafhankelijkheid, het oriëntalismedebat (op gang getrokken door Edward Saïd, waarmee hij een polemische correspondentie onderhield en die met zijn bestseller ‘Orientalism’ brandhout had gemaakt van de postkoloniale westerse benadering van de studie van de islamwereld), tot het fundamentalismedebat en de Rushdiecontroverse.

Zijn eruditie bestond erin dit voor ons aanschouwelijk te maken door parallellen te trekken met debatten die tegelijkertijd in de westerse wereld de toon zetten. Hij zette ons wereldbeeld op zijn kop door onze eurocentrische conditionering te doorbreken (hij verwees in dit verband naar een discussie die hij ooit op een conferentie had bijgewoond over de benaming ‘Midden Oosten’ die door Europa aan de regio was opgelegd en moest worden herdacht vanuit de eigen geostrategische positie).

Hij animeerde ook een cursus over de islam voor de studenten, waarvan hij telkens terug kwam met de verzuchting dat hij hen eerst wegwijs moest maken in hun eigen christelijke cultuur alvorens over de islam te kunnen doceren.  

Bij zijn vertrek spraken we af dat ik bij hem op studiebezoek zou komen en zo kreeg ik het voorrecht om in de werkelijkheid deel te nemen aan het maatschappelijke debat in Damascus en Beiroet. Hij bracht me in contact met lokale onderzoekers van de universiteit van Damascus en de American University van Beiroet die ik naderhand voor conferenties in Antwerpen zou kunnen uitnodigen. We verplaatsten ons in zijn aftandse Citroën 2CV en overal waar hij kwam werd hij aangesproken door de man in de straat.

Op doorreis van Damascus naar Beiroet, door de Golanhoogte, vertelde hij me over zijn wedervaren in Libanon tijdens de oorlog, en hoe hij zijn bibliotheek in veiligheid had weten te brengen door de boeken per ambulance naar Damascus over te brengen.

Iedereen, van de parkingbewaker tot de hotelreceptionist, was vertrouwd met zijn boeken en allen hadden ze een mening over de hete politieke hangijzers in het Midden-Oosten. Op doorreis van Damascus naar Beiroet, door de Golanhoogte, vertelde hij me over zijn wedervaren in Libanon tijdens de oorlog, waarvan het land zich nu stilaan herstelde, en hoe hij zijn bibliotheek in veiligheid had weten te brengen door de boeken per ambulance naar Damascus over te brengen.

Onze dialoog zou zich daarna nog voortzetten toen hij door het ‘Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences’ in Wassenaar in 2006 voor een studieverblijf werd uitgenodigd, om daarna op te lossen in de troebelen van de naderende oorlog in Syrië (het laatste wat ik van hem vernam was dat hij zich had aangesloten bij de regering in ballingschap, een initiatief van verzet van Syrische intellectuelen in een poging de burgeroorlog een halt toe te roepen).

We worden opnieuw elk in onze eigen respectievelijke biotoop geconfronteerd met de ‘clash der beschavingen’. Terwijl de Syriërs worden geterroriseerd door een seculier regime, gaat ons universitair centrum, met de tweede leerstoelhouder, de Franse historicus en eminent religiespecialist, René Rémond, het debat aan over de verhouding tussen religie en samenleving in een geseculariseerd Europa en scheiden onze wegen.

In de politiek

In 2005 was het politieke avontuur van Farid begonnen, dat zou leiden tot zijn aanstelling als voorzitter van de districtsraad in Borgerhout na de verkiezingen van oktober 2006. Wat begon als een onschuldig tijdverdrijf met gelijkgestemden geïnteresseerd in de lokale politiek, groeit uit tot de oprichting van een Borgerhoutse vleugel van de Vlaamse links-liberale partij (die geen lang leven zal beschoren zijn). Wanneer die vervolgens in coalitie gaat met de socialisten (waarbij Farid als kandidaat naar voren wordt geschoven) behalen ze de overwinning van de historische verkiezingen die komaf maken met het overwicht van Vlaams Belang. De nederlaag is het grootst in Borgerhout waar de partij vijftien jaar eerder ontstond.

Na een persoonlijke campagne, die meer weg had van een individuele kruistocht voor meer verdraagzaamheid en inclusie, langs Marokkaanse kruideniers en Pakistaanse nachtwinkels, kwam Farid als verkozene in aanmerking voor een schepenzetel. 

Na een persoonlijke campagne, die meer weg had van een individuele kruistocht voor meer verdraagzaamheid en inclusie, langs Marokkaanse kruideniers en Pakistaanse nachtwinkels, kwam Farid als verkozene met het op één na hoogste aantal stemmen van alle verkozenen over alle partijen heen in aanmerking voor een schepenzetel. Maar het overleg tussen de partijen over de verdeling van posten, herschikte de kaarten die de kiezer op tafel had gelegd en hij krijgt slechts een ‘nominale’, — zij het zeer zichtbare maar onbezoldigde — functie als voorzitter van de districtsraad (een nieuwe functie als moderator van het debat tussen meerder- en minderheid, niet te verwarren met de lucratieve functie van districtsraadvoorzitter wat overeenkomt met de burgemeester van het district).

Wel krijgt hij de belofte halverwege de regeerperiode te wisselen met een collega in de Raad voor de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (OCMW). Enerzijds wordt zijn politieke bevlogenheid beloond en zie ik het als een erkenning van zijn talent als bemiddelaar, ooit gestart in Algerije als vakbondsvertegenwoordiger, anderzijds wordt hem slechts een ondergeschikte positie toegekend.

Farid wordt zo een van de weinige (of de enige?) werkloze politieke vertegenwoordigers, wiens karige uitkering wat wordt aangedikt met inkomsten uit mandaten. De post bij het OCMW zal zich ook niet materialiseren vanwege een gebrek aan collegialiteit na het uiteenvallen van de partij en tegenwerking van andere partijvertegenwoordigers die zijn politieke mondigheid niet konden appreciëren (hij mag anderzijds wel bemiddelen bij een gelijkaardige affaire met een groene politica in het district). De partijpolitieke realiteit, die aan de gewone burger voorbijgaat, is ontluisterend.

In de media

Als ‘allochtoon’ voorzitter van de districtsraad van ‘Borgerokko’ is hij wel gegeerd wild voor de pers en hij gaat geen interview uit de weg. Hoogtepunten in zijn mediatieke ‘carrière’ vormen een dossier in het magazine van Le Monde gewijd aan de ‘nakende’ scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië en de verslaggeving in de Vlaamse media over een vermeend alcoholverbod in Marokkaanse restaurants in Borgerhout. Het eerste heeft geleid tot deelname aan een debat in het ‘Théatre du Rond Point’ op de Champs Elysées in het gezelschap van toekomstig premier Elio Di Rupo (waarvan de Parijse familieleden met volle teugen hebben genoten), het tweede gaf ons inzicht in de werking van de Vlaamse pers.

Een banale constatatie van de buurvrouw dat het pizzarestaurant op de hoek, uitgebaat door een Marokkaan, waar zij en haar collega’s van de school graag kwamen, van de ene dag op de andere geen alcohol meer serveert, zette een kettingreactie in gang. 

Een banale constatatie van de buurvrouw dat het pizzarestaurant op de hoek, uitgebaat door een Marokkaan, waar zij en haar collega’s van de school graag kwamen, van de ene dag op de andere geen alcohol meer serveert, zette een kettingreactie in gang. Haar schoonbroer, journalist bij een toonaangevend weekblad, wijdt er een klein artikel aan en vermeldt er ook Farid in als voorzitter van de districtsraad.

De dag van publicatie rinkelt onze telefoon onophoudelijk en wordt Farid voor het VRT-ochtendnieuws op de radio geïnterviewd. Is het een geval van oneigenlijke sociale druk vanuit de Marokkaanse gemeenschap die haar eigen wetten oplegt? Is dit geen aanfluiting van de integratie en druist dit niet in tegen onze waarden en normen? Andere media pikken dit op en ’s middags verschijnt Farid op Het Nieuws van VTM en ’s avond op het VRT Journaal.

De cameraploeg van de nieuwsdienst is nog niet de deur uit of twee agenten van de staatsveiligheid bellen aan om Farid te ondervragen over zijn bronnen.

Na datum richt de Stad Antwerpen een meldpunt in en wordt Farid op straat aangesproken (op weg naar zijn VDAB cursus voor werklozen) door ‘autochtonen’ op zijn moed om tegen zijn eigen gemeenschap in te gaan en door ‘allochtonen’ op zijn bijdrage tot verdere stigmatisering van hun gemeenschap.  Dit toont maar aan hoe, niet gehinderd door een gebrek feiten, ‘objectieve’ verslaggeving zich leent tot uitvergroting van speculaties gebouwd op vooringenomen standpunten die een wig tussen gemeenschappen drijven … (en de staatsveiligheid over genoeg tijd beschikt om zich met zulke kwesties in te laten).

Ten oorlog

We reisden in april 2006 naar Algiers. De laatste keer dateerde van 1992 toen we onze zoon, die toen een jaar oud was, aan de familie voorstelden. Toen was de burgeroorlog net uitgebroken, nu likten de mensen hun wonden. Er werd hevig gediscussieerd over de politieke verzoening die de herintegratie van de strijders voorstond. Families waren uit elkaar gereten met broers die elkaar hadden bekampt, strijdend voor het leger of voor de rebellen. De dagelijkse angst om in schermutselingen tussen beide om te komen (burgers werden langs beide zijden geterroriseerd) was nog niet verwerkt.

Gesprekken over de burgeroorlog werden afgeleid naar de ravage die een recente aardbeving had aangericht; het was makkelijker om over natuurrampen te praten dan over de misdaden van het regime. Het leven in de hoofdstad was tot staan gebracht en de inertie tekende zich af op de fysieke omgeving. Sommige wijken waren vervallen tot een staat van desintegratie die aan de Gazastrook deed denken. Wat een contrast met een bezoek jaren later, toen ik met een vriendin in 2014 de familie bezocht en me erover verbaasde hoe een ongecontroleerde bouwwoede om zich heen had gegrepen en een nieuwe gearabiseerde en geïslamiseerde generatie was opgestaan, die de oorlog niet had beleefd en zich vrijelijk bewoog op weekenduitstapjes naar de kust of de bergen. Onze familie voelde zich vervreemden van het land waarin ze geboren en getogen was en erfenisperikelen tussen zussen en broers (waarbij de mannen zich beriepen op de heersende islamitische wetten om een groter aandeel in te pikken) hadden een wig in de familierelaties gedreven.

© Mars Distribution

Ondertussen is de situatie van de christenen in het Midden-Oosten onhoudbaar geworden en is de boodschap van solidariteit met de Arabieren, met wie de inheemse christenen hun cultuur delen, verloren gegaan. 

Een ontmoeting met de katholieke bisschop van Algiers, Monseigneur Henri Teissier, leerde ons hoe christenen, Arabieren en berbers samen weerstand hadden trachten te bieden aan de terreur (zoals dit later vorm kreeg in de film ‘Des hommes et des dieux’, gewijd aan het lot van de monniken van Tibhirine). Ik pleitte ervoor dat ons universitair centrum een workshop zou wijden aan de situatie van christelijke minderheden in het Midden-Oosten, wat we in december 2007 dan ook deden i.s.m. Johan Leman van KULeuven en Felice Dassetto van UCL.

We verruimden het perspectief naar moslimminderheden in Europa en betrokken daarbij experts, die vandaag nog de teneur van het debat aangeven, zoals Tariq Modood uit het Verenigd Koninkrijk en Rachid Benzine uit Frankrijk (als een re-enactment van het debat tussen Arkoun en Esposito dat we 4 jaar eerder hadden georganiseerd). De openingsrede werd gehouden door Mgr. Teissier en zijn tegenhanger van de Libanese Maronitische gemeenschap.

Ondertussen is de situatie van de christenen in het Midden-Oosten onhoudbaar geworden en is de boodschap van solidariteit met de Arabieren, met wie de inheemse christenen hun cultuur delen, verloren gegaan.

Ook Europa stelt zich partieel op. Bij de recente vluchtelingeninstroom uit Syrië worden er vanuit België zelfs specifieke hulpacties voor christenen opgezet, die onze steun blijkbaar eerder verdienen dan hun islamitische medebroeders … Maar de islam heeft het dan ook verkorven in onze contreien en wordt aangewezen als de motor voor terrorisme die ook jongeren van hier aanzet te gaan strijden voor het kalifaat in Syrië en Irak.

In memoriam

Ik begon aan deze tekst vanuit de betrachting om via mijn persoonlijk en professioneel parcours wat licht te werpen op hoe het zo ver is kunnen komen met onze multiculturele samenleving.

Ik had de titel figuurlijk bedoeld, maar nu ik de laatste regels schrijf komt die in een nieuw daglicht te staan met het plotse overlijden van de promotor van mijn thesis, Urbain Vermeulen, de man die de studie van de Arabische wereld op het Vlaamse academische curriculum plaatste …   

Barbara Segaert

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift