Mexico, het land van de massagraven

Op zondag 6 juni 2010 werd het vijfenvijftigste lijk uit de La Concha-mijn in Taxco in de Mexicaanse staat Guerrero opgehaald. Het was het laatste. Met dit beeld opent journaliste Marcela Turati haar boek “Kruisvuur”. Turati legt het verhaal bloot van de massagraven in haar land. Verslag van een oorlogscorrespondent in eigen land.

Eneas De Troya (CC BY 2.0)

 

De reddingswerker klauterde door de schacht omlaag naar de stinkende stapel op de bodem; tree voor tree daalde hij 150 meter af in de verlaten mijn. De op zijn helm gemonteerde lamp verlichtte de muur van de schacht en ving in de leegte zwevende silhouetten op die door de stralen werden gevangen, en rotsen met strepen bloed.

Aanbidders van Santa Muerte

Op de bodem van de oude mijnschacht trof hij geen grond aan, maar een plas stilstaand water waaruit een berg vormen oprees die aan varkensruggen deden denken. Maar het waren mensen. Een stapel menselijke resten die ergens tussen glanzend en dof verkeerden, met de zeepachtige textuur van de ontbinding.

‘Hun polsen waren op hun rug gebonden, bruin plakband bedekte hun ogen, hun ondergoed zat in hun mond gepropt of in een zak die rond hun hoofd was vastgebonden’

Hun gezichten droegen de grimas van de angst. En stuk voor stuk vertoonden ze het handelsmerk van de georganiseerde misdaad: hun polsen waren op hun rug gebonden, bruin plakband bedekte hun ogen, hun ondergoed zat in hun mond gepropt of in een zak die rond hun hoofd was vastgebonden tijdens de marteling.

De reddingswerker bracht een week in mei in de groeve door, in die vochtige grot waarlangs rechte gangen liepen waar een kille tocht doorheen trok. De temperatuur was tien graden onder nul.

Overdag maakten zijn collega’s en hij de lijken los van elkaar, ze voegden de delen samen en stopten ze in witte zakken, die ze daarna in een blauwe plastic bak legden die door weer andere collega’s met behulp van een katrol omhoog werd gehesen.

Korsten aarde bedekten tatoeages, de enige identificatie die deze lijken nog restte in die anonieme massa. Er was het lijk met de draak, de aanbidders van Santa Muerte, degenen wier huid voorzien was van de namen van de vrouwen die ze hadden bemind, degene met de clown met één enkele traan.

Een van de lichamen was van een onlangs verdwenen gevangenisdirecteur. Twee van de menselijke resten waren skeletten, drie waren gemummificeerd, en van nog eens drie ontbrak het hoofd.

Op zondag 6 juni 2010 werd het vijfenvijftigste lijk uit de La Concha-mijn in Taxco in de staat Guerrero opgehaald. Het was het laatste. Met dit beeld opende ik mijn boek Fuego cruzado (Kruisvuur), dat ik in 2010 schreef om de werkelijkheid vast te leggen waarover ik als journalist verslag moest uitbrengen toen ik tegen wil en dank oorlogscorrespondent werd zonder mijn eigen land te verlaten.

Onzichtbare slachtoffers

Ik nam me voor het geweld aan de kaak te stellen dat zich in Mexico voltrok en steeds normaler werd: de moorden en de buitenrechtelijke executies, de verdwijningen, de massamoorden, de massale uittochten uit angst, de uitwerking die alle moord en doodslag had op de bevolking, sinds president Felipe Calderón in 2006 de ‘oorlog tegen drugs’ had verklaard, met de bedoeling de krijgsmacht in te zetten tegen de ‘narco’s’, maar wiens strategie tot een toename leidde van onzichtbaar geweld.

Ik nam me voor het geweld aan de kaak te stellen dat zich in Mexico voltrok en steeds normaler werd: de moorden en de buitenrechtelijke executies, de verdwijningen, de massamoorden.

Deze massagraven in de populaire toeristische stad Taxco waren maar een onderdeel van onze dagelijkse dosis gruwelen. Het leek misschien een geïsoleerd nieuwsfeitje dat lastig was te generaliseren, maar het stond wel voor de gruwelijkheden van eigen bodem.

Geen mens voorzag dat zes jaar later de ontdekking van clandestiene graven een vast verschijnsel zou zijn geworden in het nieuws, dat dagelijks opnieuw bevestigde dat het vermoorden van mensen en het verbergen van hun lijken een soort nationale sport, zo niet een epidemie waren geworden.

Op dat moment voorzag ik eveneens absoluut niet dat mijn verslaggeving ertoe zou leiden dat ik me ging toeleggen op gerechtelijke zaken.

Vanaf 2008 wijdde ik me aan het schrijven over de slachtoffers van geweld die onzichtbaar waren gemaakt: mensen die in de officiële verslaglegging onvermeld bleven, behalve om hun de schuld te geven van hun eigen dood omdat ‘ze snode plannen hadden’, of omdat ‘ze op het verkeerde moment op de verkeerde plaats waren’.

Getuige en gids

Na dat jaar begon ik mensen te interviewen die de wanhoop nabij waren omdat ze niet wisten waar een familielid was van wie iemand had gezien dat hij of zij werd ontvoerd, of die doodeenvoudig niet was thuisgekomen, en die spoorloos verdwenen was. In de totale verwarring hadden ze geen idee tot wie ze zich moesten wenden en hoe ze de zoektocht op touw moesten zetten, terwijl de autoriteiten geen vinger uitstaken.

Ik kwam er algauw achter dat in diverse delen van het land deze families elkaar opzochten en hun eigen groepen hadden opgezet met anderen wie hetzelfde drama was overkomen. Ik bezocht workshops waar ze informatie uitwisselden, leerden wat hun rechten waren, en acties op touw zetten om van zich te doen spreken. Ik legde hun tochten vast door het doolhof vol schijndeuren waarvan de bureaucratie zich vast had voorgenomen ze niet te onderzoeken.

Moeders probeerden door een kijkgat te gluren om te zien of ze een kledingstuk, een tand of een tatoeage zagen waaraan ze een dierbare konden herkennen.

Ik legde getuigenis af van hun onvermoeibaar ingediende verzoeken bij alle overheidsinstanties om gespecialiseerde reddingsploegen op te zetten om naar hun dierbaren te zoeken, en om wetten aan te nemen die gedwongen verdwijningen strafbaar zouden stellen.

Ik vergezelde de moeders op hun marsen, die later uitliepen op complete karavanen, protestkampen of hongerstakingen.

Ik schreef over hun bezoeken aan lijkenhuizen, waar ze foto’s van skeletten moesten bekijken om te zien of ze bepaalde trekken herkenden, aan begraafplaatsen waar ze om informatie vroegen over ongeïdentificeerde lijken die in massagraven lagen, aan braakliggende terreinen die wijd en zijd bekendstonden als plekken waar lijken werden gedumpt, en aan deze of gene overheidsinstantie, waar ze bleven vragen om het aanleggen van een nationale databank van ongeïdentificeerde lijken en een nationale dna-databank om te voorkomen dat ze overal waar ze de verdwijning van hun familieleden aangaven bloedmonsters moesten afgeven.

In eigen handen

boerries nehe (CC BY-NC 2.0)

 

Ik ontmoette deze vrouwen als er weer een ontdekking van een clandestien graf was gemeld. Ze vroegen altijd om informatie over opvallende kenmerken van de lichamen, ze wilden foto’s zien, ze probeerden door een kijkgat te gluren om te zien of ze een kledingstuk, een tand of een tatoeage zagen waaraan ze een dierbare konden herkennen zodat ze die mee naar huis konden nemen om te begraven.

In de loop van de tijd begonnen ze overal waar lijken in het geheim waren begraven de autoriteiten te vragen deze op te graven en om daarbij gebruik te maken van lijkenhonden, gespecialiseerde technologie, echoscopie of georadar, en om plekken op te sporen waar de grond was omgewoeld.

Later zag ik hoe ze die dingen zonder toestemming deden, met hun blote handen in de aarde graaiden en eigenhandig lijken opgroeven.

Naarmate deze gruwelijke kant van ons land werd blootgelegd, werd mijn journalistieke werk allengs meer een kwestie van het registreren van lijken, menselijke resten en massagraven.

Ik was me nooit bewust geweest van deze kwestie: in mijn complete formele opleiding tot aan de universiteit had ik nog nooit gehoord dat de massale verdwijning van mensen in Mexico als oorlogswapen werd gebruikt. Ik dacht dat dat alleen in Chili en Argentinië gebeurde.

Vrouwen van de vuile oorlog

In 2000, het jaar van de democratische overgang, toen de PRI (de Institutioneel Revolutionaire Partij) de verkiezingen verloor na 71 jaar aan de macht te zijn geweest, was ik een beginnend verslaggever die de opdracht had gekregen om over de protesten op straat te schrijven.

Een van die opdrachten was een verslag te schrijven over de demonstratie van een groep oude, in het zwart geklede vrouwen: zij waren de moeders van de jonge mensen die in de jaren zeventig waren gevangen gezet en verdwenen, ten tijde van de zogenoemde ‘vuile oorlog’. Deze vrouwen eisten dat de archieven zouden worden geopend, zodat ze de verblijfplaats van hun kinderen konden achterhalen.

De moeders van de jonge mensen die in de jaren zeventig waren gevangen gezet en verdwenen eisten dat de archieven zouden worden geopend, om de verblijfplaats van hun kinderen te achterhalen.

Twee jaar later zette de regering een afdeling op die FEMOSPP (speciaal parket van het Openbaar Ministerie voor sociale en politieke bewegingen uit het verleden) heette, met de opdracht de zogenoemde ‘misdaden uit het verleden’ te onderzoeken en te bestraffen.

Deze instantie registreerde 532 mensen die men in de jaren zeventig en tachtig had doen verdwijnen, waarvan de meerderheid in Guerrero, een deelstaat met een aantal van de allerarmste regio’s van het land en een centrum van guerrilla-activiteiten en klaprooskwekerijen.

Het democratische elan leidde ertoe dat de straatprotesten herleefden, waarbij deze moeders -die bekendstonden als Las Doñas van het Eurekacomité- hun historische oorlogskreet ‘Ze zijn levend meegenomen, en wij willen ze levend terug’ aanhieven; het leidde er ook toe dat voormalige guerrillastrijders die de onderdrukking hadden overleefd zich weer publiekelijk vertoonden en openbaarmaking eisten van de officiële dossiers waarin was vastgelegd wanneer hun vermiste kameraden voor het laatst waren gezien.

Ook boerengemeenschappen die indertijd op verdenking van sympathie voor de guerrillastrijders waren vernietigd, begonnen nu te eisen dat hun doden opgespoord en opgegraven zouden worden.

Historische last

In 2001 was ik voor het eerst aanwezig bij een opgraving: die van de beroemde guerrillastrijder en leider van de Partido de los Pobres, Lucio Cabañas, die in 1974, in de onrustige regio Guerrero door legerofficieren was vermoord.

Mijn eerste artikel over een gerechtelijk onderzoek begon aldus: Ze waren al tien uur aan het graven en hadden een diepte bereikt van 1 meter 20 toen forensisch wetenschapper Carlos Jácome een ‘historische last’ op zijn schouders voelde.

Onder de kwast waarmee hij aarde verwijderde, kwam langzaam een schedel tevoorschijn, daarna een kaak met drie tanden en een stukje stof.

Onder de kwast waarmee hij aarde verwijderde, kwam langzaam een schedel tevoorschijn, daarna een kaak met drie tanden en een stukje stof. Het leek erop dat dit Lucio Cabañas Barrientos was, een ex-guerrillastrijder die precies 27 jaar daarvoor in het geheim was begraven op het kerkhof van Atoyac.

Ze troffen in het graf geen kist aan, noch een lege, noch eentje vol stenen, zoals de geruchten gingen; er was eenvoudigweg aarde op het lichaam van Cabañas geschept. En het waren menselijke resten, en niet die van een paard, zoals mensen hadden vermoed, omdat dat de ultieme spotternij zou zijn van de kant van een overheid die op wrede wijze campesinos liet vermoorden.

‘Het is duidelijk een menselijke schedel,’ liet Jácome weten tijdens de ingelaste pauze die avond, toen families en sympathisanten keer op keer in de rij langs de resten waren gelopen terwijl ze de onderwijzer-comandante ‘Viva’ toeriepen en vol passie een heldenballade zongen.

boerries nehe (CC BY-NC 2.0)

 

Forensische wetenschappers

Jácome was de eerste forensisch wetenschapper die ik ontmoette. Indertijd was hij een team aan het formeren van onafhankelijke forensisch antropologen en had deze hoogst merkwaardige voicemailboodschap: ‘Als ze zijn vermoord en begraven, zal ik ze vinden’, met op de achtergrond cumbia-muziek.

Ter plekke trof hij verse skeletten aan, en rondom gewapende narco’s die het geen prettig idee vonden dat hij de botten zou opgraven die zij probeerden te verbergen.

Op een keer, toen we hadden afgesproken samen koffie te drinken, stelde hij me voor aan een vriendin met wie hij enthousiast had zitten praten over de schoonheid van een precolumbiaanse schedel die ze net had gevonden. Ik had het gevoel dat ik zat te luisteren naar een gesprek tussen twee buitenaardse wezens.

Ik hield contact met deze boeiende persoonlijkheid. Op een dag hoorde ik dat hij het land had moeten verlaten omdat er in Mexico niet genoeg werk was voor mensen met zijn beroep.

Later keerde hij terug en zette hij een onafhankelijke groep forensisch wetenschappers op, maar kort daarop moest hij noodgedwongen het land opnieuw uit: ditmaal omdat de mensenrechtencommissie van de overheid hem de opdracht had gegeven een oud graf te openen, maar toen hij ter plekke verscheen trof hij verse skeletten aan, en rondom gewapende narco’s die het geen prettig idee vonden dat hij de botten zou opgraven die zij probeerden te verbergen.

Mexico was aan het veranderen. Dat begonnen we toen pas te merken.

Alejandro Martínez Dueñas

In tegenstelling tot wat we allemaal hoopten na de invoering van de onvolprezen democratie, werd de praktijk van de gedwongen verdwijning van mensen niet samen met het PRI-regime begraven. Vanaf het moment dat de zogenaamde democratische regering van start ging, was mij meteen duidelijk dat het probleem zou voortbestaan, maar indertijd besefte ik niet hoe veelbetekenend dat was.

Alejandro’s zus Diana Martínez organiseerde in de zes jaar dat president Fox van de PAN (de Nationale Actiepartij) aan de macht was voortdurend bezettingen, marsen en demonstraties.

Hieronder staat hoe ik dat in een artikel heb verwoord: Een jonge, onbekende vrouw die niet gekleed was in zwarte rouwkleren, voegde zich bij de demonstraties die werden gehouden door de Doñas van het Eurekacomité, die vanaf de jaren zeventig elke nieuwe regering opnieuw hebben gevraagd de verblijfplaats van hun kinderen te achterhalen.

Ze hield een grote kleurenfoto omhoog van een lachende man van in de twintig, in een modern voetbalshirt, die erg afstak tegen de zwart-witportretten van jonge mensen uit de jaren zeventig, met ouderwetse kapsels en een ernstige gezichtsuitdrukking, die de oude vrouwen droegen.

De naam van deze nieuwe verschijning in de schimmenwereld van de verdwenenen was Alejandro Martínez Dueñas, die volgens zijn familie in Colima was ontvoerd door de federale inlichtingendienst (AFI), was gemarteld en daarna opgenomen in een ziekenhuis om zijn wonden te laten behandelen. Achteraf hoorde zijn familie dat hij aan onderzoek was onderworpen omdat hij bankbiljetten zou hebben vervalst. Maar dat is nooit aangetoond.

Alejandro’s zus Diana Martínez organiseerde in de zes jaar dat president Fox van de PAN (de Nationale Actiepartij) aan de macht was voortdurend bezettingen, marsen en demonstraties, en ze woonde zelfs enige tijd in een tent, die ze neerzette voor de deur van een aantal overheidsgebouwen, met name dat van de PGR (het kantoor van de procureur-generaal van Mexico), die de coördinatie van dat onderzoek onder zijn hoede had moeten nemen.

Gustavo (CC BY 2.0)

 

Ze bestormde de Senaat en de Kamer van Afgevaardigden, en versperde de president, de procureur-generaal, de gouverneur van Colima en wie er verder maar verantwoordelijkheid droegen in deze zaak, de weg, om te proberen informatie los te krijgen over haar broer, wiens lichaam nooit aan haar was teruggegeven.

Ook toen de PRI niet meer aan de macht was, hielden de verdwijningen aan.

Misdaad onbestraft

Degenen die betrokken waren bij het politieke apparaat dat in de jaren zeventig en een deel van de jaren tachtig mensen liet verdwijnen, werden in feite nooit ter verantwoording geroepen. In de vijf jaar van zijn bestaan zag de afdeling van het Openbaar Ministerie die speciaal was ingesteld voor het bestraffen van misdaden uit het verleden, geen kans ook maar één persoon veroordeeld te krijgen.

De ex-presidenten tijdens wier regime het merendeel van de verdwijningen plaatsvond, stierven van ouderdom in hun eigen bed; beambten binnen de politie en de krijgsmacht die ervan werden beschuldigd dat ze betrokken waren bij de onderneming om het land van subversieve elementen te zuiveren, bleven actief in sectoren van de overheid die met veiligheid samenhangen, of namen zelf ontslag (en niemand weet hoevelen van hen zich bij de georganiseerde misdaad hebben gevoegd).

Al die ongestraften zetten de toon voor wat zou volgen. Wat er later gebeurde, vanaf het begin van de ‘oorlog tegen drugs’, was het logische voortvloeisel uit dat gebrek aan onderzoek, het uitblijven van straf, dat opnieuw inzetten van overheidsbeambten die experts waren in het laten verdwijnen van mensen, en het hand in hand gaan van misdadigers en regering.

Arme, jonge, knappe migrantenvrouwen

Er zijn diverse voortekenen geweest van wat er nog zou komen. Zo kwam er in 1993 in Ciudad Juárez een golf verdwijningen op gang van arme, jonge, knappe vrouwen uit migrantengezinnen, meisjes die bij maquiladoras werkten; 2 van slechts enkele van hen werden de lijken aangetroffen op een stuk braakliggend terrein. Een van de meest in het oog springende ontdekkingen vond plaats in 2001, op de ‘Campo Algodonero’, waar de lijken van acht vrouwen werden aangetroffen.

Thomassin Mickaël (CC BY 2.0)

 

Deze zaak verleende acht jaar later haar naam aan de eerste veroordeling die werd uitgesproken door de Comisión Interamericana de los Derechos Humanos (CIDH), oftewel de Inter-Amerikaanse Commissie voor de Mensenrechten, van de Mexicaanse staat, vanwege deze moorden op vrouwen, waarin duidelijk werd dat het niet-onderzoeken van meldingen over verdwenen personen de stap is die voorafgaat aan het vermoord terugvinden van deze vrouwen.

Het niet-onderzoeken van meldingen over verdwenen personen is de stap die voorafgaat aan het vermoord terugvinden van deze vrouwen.

Eveneens in 2009 veroordeelde hetzelfde internationale hof Mexico voor de gedwongen verdwijning van Rosendo Radilla, een buurtwerker uit Guerrero, die plaatsvond in 1974, in een tijd dat het in Guerrero beleid was om mensen te laten verdwijnen die verdacht werden van banden met guerrillaorganisaties.

Slechts een paar jaar later beseften diezelfde advocaten en burgers die de veroordeling hadden toegejuicht, die hadden gehoopt dat er een eind zou komen aan het regime van de PRI, die vochten voor het opnemen van wetten ter bescherming van de mensenrechten in de grondwet, of die internationale wetten hadden beschouwd als een middel om in Mexico ruimte te scheppen voor verandering, dat geen van die zaken invloed had op het ontmantelen van het stelsel dat ongestraft mensen kan laten verdwijnen.

Die veranderingen hadden niet de kracht die men ze had toegeschreven, en evenmin werkten ze als een hefboom om de gewenste transformatie te bewerkstelligen. En dus gingen de verdwijningen door.

(De Mexicaanse regering heeft nog altijd niets in de praktijk gebracht van alle aanbevelingen die bij de uitspraak zijn gedaan.)

Spectaculaire massaslachtingen

In 2006 werd Felipe Calderón de tweede president van de PAN, en met hem begon de weinig succesvolle ‘oorlog tegen drugs’. Wat indertijd met name de aandacht trok, waren de seriemoorden die in sommige steden plaatsvonden, waarvan sommige omvangrijke, andere spectaculaire massaslachtingen waren, die het fenomeen van de verdwijningen totaal overschaduwde; daar had niemand het meer over omdat ze minder opmerkelijk en geluidlozer waren, en minder gemakkelijk te verteren, vanwege de verwarring eromheen.

Seriemoorden die in sommige steden plaatsvonden, waarvan sommige massaslachtingen waren, overschaduwden het fenomeen van de verdwijningen.

Een voor een verschenen er wanhopige gezinnen op de burelen van kranten om met journalisten te praten en de verdwijning van een dierbare te melden, en we begonnen informatie binnen te krijgen van organisaties die wilden dat wij verslagen publiceerden over de een of andere zaak.

Algauw werden die bezoeken steeds frequenter en begonnen deze gezinnen zich met anderen te organiseren en eigen collectieven op te zetten.

Ik vond het indertijd heel veelzeggend dat Norma Ledezma, een moeder die haar vuurdoop als advocaat had gehad op zoek naar haar eigen dochter in de periode van al deze moorden op vrouwen, de volgende generaties familieleden van verdwenen personen aan het bijbrengen was hoe ze moesten vechten.

Op die manier diende de tragische golf verdwijningen van vrouwen uit Ciudad Juárez als school voor andere moeders die hun kinderen hadden verloren en moesten leren dezelfde vaardigheden onder de knie te krijgen. Maar ditmaal waren het er duizenden, en niet tientallen. En het verschijnsel deed zich niet alleen voor aan de grens in het noorden, maar overal in het land.

Kostbare tijd verkwist

tierra radio (CC BY-NC-ND 2.0)

 

De verdwijningen van de eenentwintigste eeuw zijn van een andere orde dan de gevallen uit het verleden, waarbij mensen werden opgepakt en vervolgens verdwenen. De huidige manier van werken is voortgekomen uit de praktijken in de ‘vuile oorlog’, waarbij politieauto’s of legervoertuigen werden gebruikt om mensen mee te nemen naar een politiebureau waar ze werden vastgebonden, ondervraagd en gemarteld, waarna hun lichamen in zee werden gegooid, als ze niet op clandestiene begraafplaatsen onder de grond werden gestopt.

In de meerderheid van de gevallen worden mensen die verdwijnen op straat of in hun eigen huis opgepakt en afgevoerd door onbekende, gewapende types zonder uniform.

In de huidige oorlog in Mexico, waaraan een veelheid aan regeringstroepen en privélegertjes meedoet, is alles nevelig en vaag.

Mariniers, soldaten, of leden van gemeentelijke, staats- of federale politiekorpsen zijn weliswaar nog steeds vaak verantwoordelijk voor gedwongen verdwijningen, maar in de meerderheid van de gevallen worden mensen die verdwijnen op straat of in hun eigen huis opgepakt en afgevoerd door onbekende, gewapende types zonder uniform.

In de meeste gevallen belt niemand op om een losprijs te eisen.

Het vervolg lijkt voor al die gezinnen volgens hetzelfde script te verlopen: als ze bij een van de kantoren van de openbaar aanklager gaan melden wat er is gebeurd, weigert men daar een onderzoek te openen of ze verdoen de meest cruciale uren voordat er een onderzoek wordt gestart, en verspillen kostbare tijd voordat informatie wordt ingewonnen die nuttig zou kunnen zijn voor het opsporen van de verdwenen persoon, zoals beelden van bewakingscamera’s, het signaal van mobiele telefoons of het gebruik van creditcards.

In de afgelopen jaren heb ik moeders horen zeggen dat hun kinderen misschien nog leven (‘Ze laten ze werken,’ zeggen sommigen), maar dat de overheid ze eenvoudigweg niet wil ‘redden’. Vroeger dacht ik dat het verlangen dat zij nog in leven zijn een weerspiegeling was van hun hoop.

Er zijn maar weinig moeders die zeggen dat ze naar de resten van hun kind op zoek zijn om die te kunnen begraven en een plek te hebben om bloemen voor hem of haar neer te zetten, voor hen te bidden en een kruis op te richten. De meesten houden vol dat ze nog in leven zijn, maar worden vastgehouden.

Mexicaans tragedie

In april 2011 werden in de gemeente San Fernando in Tamaulipas, op de route naar de grens met Texas, 47 illegale begraafplaatsen ontdekt met in totaal 193 lijken.

Honderden familieleden kwamen vanuit heel het land om in het gat te kijken, in de hoop dat ze iets zouden herkennen wat hen zou helpen een verdwenen familielid terug te vinden, of ze meldden zich aan om dna af te staan, waarmee de resten konden worden vergeleken.

De ontdekking van die plek waar zich zoveel lichamen bevonden, was een aankondiging van een onder het tapijt geveegde tragedie die later een normaal verschijnsel zou worden in Mexico.

De ontdekking van die plek waar zich zoveel lichamen bevonden, was een aankondiging van een onder het tapijt geveegde tragedie die later een normaal verschijnsel zou worden in Mexico.

Indertijd schreef ik: De stank sijpelt door de muren van het lijkenhuis. Hij trekt in scholen, bedrijven, huizen, kleren, verstikt kelen, maakt mensen misselijk, dwingt hen hun neus dicht te knijpen en de pas te versnellen.

In het witte gebouw waar de stank vandaan komt, liggen opeengestapeld 71 lijken op de grond te wachten tot zij aan de beurt zijn voor een autopsie.

Op de parkeerplaats staat het soort vrachtwagen dat gebruikt wordt voor het transport van fruit, maar die nu nog eens 74 lijken bevat, gewikkeld in vuilniszakken en verzegeld met plakband waarop de plek vermeld staat waar ze zijn gevonden.

Af en toe arriveren er lijkwagens met korter geleden opgegraven lijken. Bij de laatste telling waren het er 145.

De clandestiene begraafplaatsen die zijn ontdekt in de gemeente San Fernando -tussen Reynosa en Matamoros in het noorden en Ciudad Victoria in het zuiden- tonen aan hoezeer de narco-oorlog uit de hand is gelopen.

Dagelijkse abnormaliteit

Elk graf is een bewijs voor het feit dat de dagelijkse abnormaliteit wordt afgedekt door de officiële instanties: de wegen die in handen zijn van criminelen, de dagelijkse afslachtingen, de bewust te lage inschatting van het aantal doden, de massale verdwijning van mensen, de primitieve barbaarsheid van de groepen die met elkaar overhoop liggen, de gedwongen rekrutering van jonge mensen voor deze oorlog, de onverschilligheid van de wet die medeschuldig is, en het gedwongen zwijgen van de burgers.

De mensen die bij het lijkenhuis arriveren moeten in minstens vier rijen uren staan wachten: twee voor het aangeven van een vermissing, twee voor het afstaan van bloed om dna te kunnen vergelijken.

De mensen die bij het lijkenhuis arriveren moeten in minstens vier rijen uren staan wachten: twee rijen zijn voor het aangeven van een vermissing, twee voor het afstaan van bloed om dna te kunnen vergelijken.

Terwijl mensen in de receptie voor het kantoor van de deskundigen staan te wachten, hoor je steeds dezelfde klachten: ‘Kunt u ons foto’s van de lijken geven, señorita?’ vraagt een oude boer.

‘Nee. De tijd, en de manier waarop ze zijn gestorven maken dat ze onherkenbaar zijn,’ antwoordt de receptioniste. ‘We kunnen het alleen afleiden uit beschrijvingen van hun kleren, tatoeages of kettingen. Daarom hebben we deze informatie nodig, want er zijn slechts honderd lijken gevonden, maar er hebben zich vierhonderd families gemeld.’

‘Wanneer worden we op de hoogte gesteld?’ is de gefrustreerde vraag van een vrouw die al vier dagen wacht.

‘Er zijn heel veel mensen, señora, en we moeten de pakketjes opsturen om ze te laten testen.’

Marcos Guevara (CC BY-NC-ND 2.0)

 

Het kantoor lijkt een soort vagevuur vol mensen met een afwezige gezichtsuitdrukking, waterige ogen, betraande wangen. Af en toe heerst de stilte van een wake, dan weer wordt het een soort lotgenotengroep. Niet lang daarna werd bekend dat de meeste lijken van Mexicaanse en Centraal-Amerikaanse migranten waren die op hun tocht naar de grens met de VS waren onderschept.

Preventieve moorden

In die menselijke viswateren werden de gevangenen afgevoerd naar de kampen van criminelen, waar ze werden vastgehouden in de hoop dat iemand zou betalen om hen vrij te krijgen, of ze werden ingezet om op bestelling mensen te vermoorden, drugs te vervoeren, als huis- bediende of seksslaaf. Ze werden allemaal gemarteld, sommigen tot de dood erop volgde.

Alle lijken in de graven hadden een in stukken gebarsten schedel. Ze werden met graafmachines begraven. Iedereen kon het zien. In San Fernando in Tamaulipas werden reizigers maandenlang vastgehouden, en wanneer bussen hun bestemming bereikten, bevatten ze meer koffers dan passagiers: bagage waar niemand aanspraak op maakte.

‘Waarom zijn ze gedood?’ vroeg ik op de plaats delict aan een federale onderzoeker.

Soms zijn ze zo wanhopig dat ze die jongens vermoorden om te voorkomen dat ze kunnen worden ingezet als moordenaar door het concurrerende kartel.

‘Elke man, elke jongeman die in de leeftijd is om bij de oorlog te worden ingezet, wordt beschouwd als potentiële vijand.

Soms zijn ze misschien zo wanhopig dat ze die jongens vermoorden om te voorkomen dat ze Matamoros en Raynosa bereiken, zodat ze niet kunnen worden ingezet als moordenaar door het concurrerende kartel, het Cartel del Golfo, dat het voor het zeggen heeft in de regio.

De waanzin van de strijd om de zeggenschap over de routes waarlangs mensen worden gesmokkeld. Het zijn dus preventieve moorden. Clandestiene begraafplaatsen verbergen de slachtoffers. De lijken spreken, ze klagen aan en veroordelen.

Het duurde niet lang voordat het schandaal rond de graven in San Fernando werd ondergeschoffeld door de gebruikelijke barbaarsheden die erop volgden. In Mexico overtreft elk gruwelverhaal immers het vorige.

De vragen blijven onbeantwoord: Hoe is het mogelijk dat niemand iets heeft gedaan? Hoe is het mogelijk dat die massaslachting maanden kon doorgaan? Waarom heeft de overheid mensen niet gewaarschuwd dat de wegen gevaarlijk waren? Waarom stelden de busmaatschappijen zich als medeplichtigen op door alles geheim te houden? Wat is er aan de hand in dit land?

Reusachtig massagraf

De massagraven zijn een middel om de polsslag van ons land op te nemen, want telkens wanneer er een wordt aangetroffen, stromen van alle kanten mensen toe op zoek naar hun dierbaren. De graven zijn een hulpmiddel om de omvang van het verschijnsel van de verdwijningen te meten, die volgens officiële cijfers in de afgelopen tien jaar op ruim zevenentwintigduizend worden geschat.

De omvang van het verschijnsel van de verdwijningen wordt volgens officiële cijfers in de afgelopen tien jaar op ruim zevenentwintigduizend geschat.

Zevenentwintigduizend klinkt als een nachtmerrieachtig cijfer, net als het aantal aangetroffen graven. Eens in de zoveel tijd is er weer een nieuwsbericht dat een van deze illegale graven is ontdekt. Mexico begint langzamerhand steeds meer op een reusachtig massagraf te lijken.

In 2013 organiseerde men bij de Nationale Autonome Universiteit van Mexico een studieprogramma Forensische Wetenschap, om te voorzien in de nijpende behoefte aan deskundigen die zijn opgeleid voor het opgraven van lijken.

Van tijd tot tijd laten families of organisaties protesten horen (en soms houden ze hongerstakingen) om hun eis kracht bij te zetten dat teams van internationale forensisch deskundigen als die uit Argentinië, Peru of Guatemala, en zelfs de FBI, aanwezig zijn bij het opgraven van onze tragedie. Er werd tevens een onafhankelijke groep opgezet: de EMAF (Equipo Mexicano de Antropología Forense: Mexicaans forensisch instituut).

Burgerdeskundige

Tegelijkertijd begon een groep familieleden die onvermoeibaar naar hun kinderen hadden gezocht aan een opleiding om ‘burgerdeskundige forensische wetenschap’ te worden, omdat zij het zonder de autoriteiten willen kunnen stellen, die niet alleen nalaten naar hun verdwenen familieleden te zoeken, maar ook het zoekwerk dwarsbomen, en omdat ze hun eigen onafhankelijke dna-bank willen opzetten om in staat te zijn bij elke ontdekking van botten de resultaten te kunnen vergelijken.

Eind 2014 startte een groep familieleden met elke zondag te doen wat overheidsinstanties hoorden te doen, maar nalieten: in de heuvels rond Iguala in Guerrero zoeken en opgravingen uitvoeren. Ze hebben talloze graven gevonden en ruim 120 lijken.

Het voorbeeld van de Iguala-groep leidde tot de formatie van andere groepen familieleden elders in het land, die zichzelf spoorzoekers, detectives of ratelslangen noemen, of voorlopig nog geen naam hebben bedacht.

Journalisten vergezellen deze forensische families en aan hun zijde leren we hoe je een verborgen graf identificeert.

Eneas De Troya (CC BY 2.0)

 

Gevaarlijke informatie

Ik heb me nooit in gevaar gevoeld bij het natrekken van de slachtoffers van geweld om hun daden te documenteren en te publiceren… tot de familieleden uit frustratie over het feit dat de moorden onbestraft blijven of omdat de last van een wettelijk onderzoek op hun schouders rustte, hun eigen onderzoekingen begonnen te doen.

Ze gingen gevangenissen bezoeken om de moordenaars van hun kinderen aan te spreken en te vragen waar ze hun resten hadden achtergelaten. Of ze gingen af op informatie die naar verborgen graven leidde: heuvels waaronder botten verborgen lagen, meren met lijken in de diepte, kuilen met skeletten.

Ik hoorde berichten over mensen die zover gingen dat ze de gebieden in trokken waar kartels het voor het zeggen hadden, verboden terrein, in de hoop aanwijzingen te vinden over waar hun verwanten zich bevonden (diverse mensen zijn zelf vermoord omdat ze op onderzoek gingen).

Familieleden gingen zover dat ze de gebieden in trokken waar kartels het voor het zeggen hadden, verboden terrein, in de hoop aanwijzingen te vinden over waar hun verwanten zich bevonden.

De families verzamelen stukje bij beetje informatie. Gevaarlijke informatie. En al stellen ze de politie op de hoogte, hulp krijgen ze niet.

Dus beginnen ze samen met anderen dingen te organiseren en hun eigen groepen familieleden op te zetten om op onderzoek te gaan en lijken op te graven, groepen die op Facebook foto’s plaatsen van de lijken die ze vinden, om ze te kunnen identificeren. Zij doen wat de wet nalaat.

Een van de eerste groepen families kwam in 2009 bijeen in de grensstad Tijuana, nadat het leger een afgrijselijk manspersoon aan de pers had voorgesteld: ene El Pozolero (die in werkelijkheid Santiago Meza López heet), die binnen een kartel verantwoordelijk was voor het oplossen van lijken in natronloog, een techniek die in de volksmond bekendstaat als het maken van pozole, een Mexicaanse soep.

De presentatie van El Pozolero aan het publiek was de bevestiging dat mensen die verdwenen niet zomaar werden vermoord en begraven, maar dat ze onderworpen werden aan processen waarbij hun lichaam werd gereduceerd tot zulke kleine fragmenten dat ze alle kenmerken kwijtraakten waaraan ze konden worden herkend. Al hun kenmerken. Want het is vaak onmogelijk om te bepalen of een botsplinter van een mens of een dier is geweest.

Verenigd voor de verdwenenen

Op een dag in december 2011 belde ik señor Fernando Ocegueda, een vader die op zoek is naar zijn verdwenen zoon, en oprichter van de organisatie Unidos por los Desaparecidos (verenigd voor de verdwenenen), om bij hem te informeren naar wat hij zoal had gevonden, en hij stuurde me per e-mail een foto toe. Een foto die ik niet kan beschrijven en waar ik sprakeloos van was.

‘Ik heb geen idee hoeveel mensen, alleen hoeveel stukjes: ongeveer honderd botsplinters, en dertig of veertig tanden. Ik weet het niet precies.’

Het was de afbeelding van de bodem van een kopje, waarin je wat stukjes zag liggen (van botten?) ter grootte van een tand. ‘Hoeveel mensen hebben jullie gevonden?’ vroeg ik Ocegueda.

‘Ik heb geen idee hoeveel mensen, alleen hoeveel stukjes: ongeveer honderd botsplinters, en dertig of veertig tanden. Ik weet het niet precies. […] Maar [Santiago Meza] had tegen de autoriteiten gezegd dat hij op de plek waar we die stukjes botten en de tanden vonden, zo’n vijfenveertig à vijftig mensen had begraven.’

Het kostte me uren om mijn artikel te schrijven. Ik had tijd nodig om die gruwelijkheden te verwerken. Ik schreef niet meer over lijken, maar over fragmenten van wat ooit een mens was geweest.

Opgelost in de soepkeuken

Dat onderzoek leidde tot meer ontdekkingen. Toen Santiago Meza op 25 januari 2009 door de openbaar aanklager werd ondervraagd, gaf hij de volgende reactie op de vraag naar zijn werkzaamheden: […] hij zei dat het zijn taak was om pozole te maken, met andere woorden: om lijken op te lossen in natronloog.

In het officiële rapport staat dat Meza López getrouwd is, kinderen heeft, en geboren is in Guamúchil in de staat Sinaloa, maar dat hij tegenwoordig in Tecate in Baja California woonachtig is, 45 jaar oud is, de lagere school niet heeft afgemaakt, en dat hij werkte voor Teodoro García Pimentel, bijgenaamd El Teo, lid van het kartel dat het voor het zeggen had in Tijuana.

‘Wat is uw specifieke rol binnen de criminele groep?’

‘Mijn specifieke rol binnen de organisatie is dat ik pozole moet maken, wat inhoudt dat de verschillende cellen van de organisatie lijken naar me toe brengen die moeten worden opgelost.’

‘Mijn specifieke rol binnen de organisatie is dat ik pozole moet maken, wat inhoudt dat de verschillende cellen van de organisatie lijken naar me toe brengen die moeten worden opgelost in een vloeistof die bestaat uit natronloog en water.’

‘Aan hoeveel misdaden hebt u in opdracht van El Teo deelgenomen?’

‘Rechtstreeks in opdracht van El Teo heb ik van zo’n zeventig mensen pozole gemaakt, maar in totaal van zo’n driehonderd, aangezien ik ook bevelen kreeg van El Mayel (Ismael Higuera Guerrero) en El Efra (Efraím Pérez) om pozole van lijken te maken.’

De verklaring gaat aldus verder: ‘Ik leerde hoe je pozole maakt met de poot van een stier, die ik in een emmer stopte en met wat vloeistof overgoot, waarna die poot oploste; de lichamen die ze me gaven om pozole van te maken, waren bij aankomst al dood, en die stopte ik in zijn geheel in een tank, ik strooide er veertig of vijftig kilo poeder overheen die ik in een ijzerwinkel aanschafte […] een kilo natronloog kostte me 35 peso […] een paar jonge jongens hielpen me met het maken van de pozole.

Aldus begint de beroepscarrière van iemand die zorgt dat mensen verdwijnen. Geen Mexicaan die niet walgde van het nieuws. Maar familieleden van verdwenen mensen waren er kapot van, alsof ze dodelijk gewond waren. Toen ze eenmaal de kracht hadden verzameld om zich te melden bij het kantoor van de procureur-generaal, vroegen ze of men de vastgezette man foto’s kon tonen zodat hij kon bevestigen of hij de gezichten van die mensen had gezien bij degenen die in zijn ‘keuken’ waren langsgekomen.

Hij vertelde hun dat hij er niet één herkende, omdat zijn slachtoffers altijd met een kap over hun hoofd en dood bij hem werden gebracht.

Toen ze dat nieuws eenmaal hadden verwerkt, zichzelf weer op de been hadden gekregen en waren bijgekomen van het gruwelijke idee dat hun verwanten in een tank met zuur waren opgelost, namen ze het onderzoek zelf ter hand, en ze vonden een paar antwoorden. Daarna schreef ik dit verslag: Toen de familieleden van de verdwenen mensen hoorden dat El Pozolero was gearresteerd, gingen ze naar het gebouw op het gemeenschappelijk stuk land Ojo de Agua, waar, zoals bekend was geworden, de laatste lijken waren opgelost. Daar plaatsten ze kaarsen en baden ze voor de overledenen.

Nopal Media (CC BY-NC-ND 2.0)

 

Open wonde

Señora Gómez vertelt dat ze bij elke opgraving, elk gesprek of afspraak op kantoor bij de openbaar aanklager, alle angst en verdriet herbeleeft rond de verdwijning van haar zoon, die wond die ‘nog steeds open is en maar niet wil genezen’, omdat ze niet weet waar hij is.

‘Telkens wanneer er een nieuw gebied wordt ontdekt, gaat er een nieuwe deur open. Je hoopt dat het iets nieuws oplevert, en daar ga je weer, je hele leven zoeken en zoeken.’

‘Telkens wanneer er een nieuw gebied wordt ontdekt, gaat er een nieuwe deur open. Je hoopt dat het iets nieuws oplevert, en daar ga je weer, je hele leven zoeken en zoeken. Al die dingen die je je herinnert, dagen en nachten denken, je voorstellen wat ze mijn zoon hebben aangedaan: of ze hem hebben geslagen, of ze hem te eten hebben gegeven, of ze hem hebben vermoord, of ze hem in zuur hebben gegooid,’ zegt ze, en ze wordt bang van haar eigen woorden.

‘Ik kan gewoon niet denken aan dat gedoe met het zuur. Ik stel me voor dat ze hem hebben doodgeschoten, dat hij is gevallen, en dat was het dan; dat hij niet erg heeft geleden.’

In de grensstad Tijuana bezoeken mensen de vernietigingscentra waarvan bekend is dat er talloze mensen in zuur zijn opgelost.

Als de aarde wordt omgewoeld, kun je daar een gelige, dikke vloeibare substantie zien, vermengd met aarde, waarin je bij nader onderzoek tanden, stukjes bot, botschroeven of vullingen kunt vinden, en als er in die substantie wordt geroerd, komt er een stank vrij die je maar niet kwijtraakt, die in je keel blijft hangen en nachtmerries oproept.

Toen mensen hoorden wat daar was gebeurd, trokken er families heen met bloemen, kaarsen en wijwater; in de loop van de tijd besloot een groep betrokkenen, buren en kunstenaars die plek een ander karakter te geven door de muren te schilderen, wijwater te sprenkelen, schoon te maken en mandala’s op te hangen.

Volmaakt excuus

De autoriteiten maakten maar al te graag gebruik van El Pozolero: hij was een volmaakt excuus om de verdwijningen niet nader te onderzoeken.

‘Het treurigste is nog dat autoriteiten tegen de families zeggen dat ze beter kunnen ophouden met zoeken. Dat is hun manier om onderzoek uit de weg te gaan.’

Zo lieten vertegenwoordigers van de PGR de families die lid waren van de organisatie van Ocegueda in 2014 weten dat als gevolg van het gebruik van natronloog geen van de tanden of botsplinters die op de plekken waren gevonden waar Meza López had gewerkt, geschikt waren voor wat voor proces van genetische identificatie dan ook.

Die redenatie werd algauw ook in andere staten gebruikt. ‘Hou maar op met zoeken, waarschijnlijk is hij gekookt.’ ‘Volgens Meza López waren het driehonderd mensen. Ik denk dat het er minstens negenhonderd waren,’ zegt vader en onderzoeker Ocegueda verbijsterd.

‘Het treurigste is nog dat als het om een verdwijning gaat die samenvalt met de data dat hij werkte, ze tegen de families zeggen dat ze beter kunnen ophouden met zoeken omdat de persoon in kwestie naar alle waarschijnlijkheid bij Santiago Meza terecht is gekomen. Dat is hun manier om onderzoek uit de weg te gaan.’

Verdwenen, niet vermoord

Het werd allengs moeilijker om die niet te verteren, onvoorstelbare gruwel onder ogen te zien.

De verklaring voor de verdwijningen lag niet alleen in de in zuur opgeloste lijken: ik begon ook verhalen te horen van mensen die hun verdwenen familieleden na een intensieve zoektocht op straat tegen het lijf liepen, maar niet mee naar huis konden nemen omdat ze zwaar verslaafd waren of in de greep waren van een of ander drugskartel en door andere gevangenen in de gaten werden gehouden, zodat ze niet konden ontsnappen.

boerries nehe (CC BY-NC 2.0)

 

Familieleden begonnen tot in de hoogste regionen melding te maken van het feit dat hun verdwenen dierbaren (in overgrote meerderheid mannen, en velen van hen migranten) als slaaf werden vastgehouden in werkkampen, boerderijen, onderduikhuizen of magazijnen.

En dat ze gedwongen werden om onder andere werk te doen als ‘valkenieren’ (namens criminelen zaken in de gaten houden), huurmoorden plegen, marihuana oogsten, afluisterapparatuur installeren, afpersgeld innen bij bedrijven, tunnels graven voor de smokkel van drugs naar de Verenigde Staten, onderduikhuizen schoonhouden en de gevangenen die daar werden vastgehouden te eten geven, of als seksslaaf werken.

De meeste verdwenen personen zijn mannen van tussen de negentien en de vijfendertig jaar, en velen van hen zijn mensen met een opleiding en een gespecialiseerd beroep, zoals de twaalf technici die antennes voor de telecommunicatie onderhielden en installeerden, van wie er tien in Tamaulipas en twee in Coahuila verdwenen.

In eerste instantie was het moeilijk te geloven dat de verdwenen mensen misschien niet dood waren, maar voor de kartels werkten, zelfs voor de organisaties die de families ondersteunden die zich gezamenlijk inzetten met betrekking tot de verdwijningen.

Blanca Martínez, lid van het Centrum voor Mensenrechten Fray Juan de Larios, dat de organisatie Fundem/Fundec onder zijn hoede heeft, een organisatie van families die in 2009 in Coahuila is opgericht, zegt dat die getuigenissen in eerste instantie een droom leken, maar later kwamen er aanwijzingen.

Geluidloos contact

Ouders krijgen op voor hen belangrijke dagen, zoals een verjaardag van een moeder of een trouwdag een telefoontje, en wanneer de telefoon wordt opgenomen, wordt er aan de andere kant niets gezegd.

Als dat gebeurt, beginnen de moeders ondanks de stilte te praten, omdat ze geloven dat hun kind aan de lijn is om contact te leggen ook al kunnen ze niet spreken, omdat ze worden vastgehouden en hun familie willen beschermen.

‘Het is heel wel mogelijk dat [de verdwenen mensen] zich onder ons bevinden, zonder een leiband, maar in de gaten gehouden worden omdat ze werk te doen hebben.’

De bisschop van Saltillo, Raúl Vera, die de ouders van slachtoffers in zijn deelstaat terzijde staat, gelooft ook dat de verdwenen mensen wellicht een ander doel dienen: ‘Misschien zitten ze in een concentratiekamp, waar ze dwangarbeid moeten verrichten. We hebben over mensen gehoord die zeggen dat ze zijn ontsnapt en dat ze in een kamp vastzaten waar ze getraind werden in het gebruik van wapens. Er zijn migranten die ons hebben verteld dat ze vastzaten in een onderduikhuis.’

De priester Pedro Pantoja, stichter van het Casa del Migrante de Saltillo, die mensen heeft gesproken die zo’n hel hebben overleefd, heeft hen beschreven: ‘Als ze komen, zijn ze uitgemergeld, misbruikt, getraumatiseerd, omdat ze gedwongen werden te “werken”.

Ze kunnen niet altijd praten, en als dat wel lukt, klinkt er de afschuw in door van wat ze hebben meegemaakt in die hotels, pakhuizen en opslagruimten waarin ze werden vastgehouden, en waar ze de politie in en uit zagen lopen. Sommigen werden gemarteld, anderen lijken hun persoonlijkheid volkomen kwijt te zijn.’

Volgens de directeur van het pension bij Casa del Migrante, Alberto Xicoténcatl, zijn er overlevenden van die tragedie naar hen toe gekomen: ‘Het is heel wel mogelijk dat [de verdwenen mensen] zich onder ons bevinden, zonder een leiband, maar in de gaten gehouden worden omdat ze werk te doen hebben.’

Toño Hernández (CC BY-NC 2.0)

Bisschop Raul Vera

Vrijwillige verdwijning

Het is bekend dat dat wel voorkomt. Volgens Xicoténcatl leggen de paar mensen die weer opduiken nadat ze verdwenen waren, verklaringen af die op elkaar aansluiten: ‘Ze zeggen dat ze op een onderduikadres zaten, op het platteland, in vrijwel onbewoonde gebieden, samen met andere gevangenen, zonder dat ze met elkaar mochten praten.

Ze werden dagelijks meegenomen om werk te doen. Sommigen werden daar een halfjaar vastgehouden, anderen een jaar, en dat allemaal in een permanente staat van angst, omdat ze wekelijks bij elkaar werden gebracht, waarna een van hen werd vermoord. Ze zagen kans te ontsnappen als er een operatie van de marine was, en zij in de verwarring konden wegkomen.’

Slechts heel weinig mensen die verdwijnen, duiken ook weer op, en als ze dat al doen, verdwijnen ze vaak uit angst weer uit vrije wil: ze komen thuis, vertellen hun familie dat alles in orde is, en diezelfde avond gaan ze ervandoor.

Advocaat Malú García, van de in Chihuahua gevestigde organisatie Nuestras Hijas de Regreso a Casa (Onze dochters terug naar huis), stelt dat leden van de bende Los Aztecas vanaf 2008, toen het leger en de federale politie Cuidad Juárez bezetten, de handel in drugs zagen afnemen, en zich daarna ook gingen bezighouden met vrouwenhandel.

Minstens dertig vrouwen zijn verdwenen, en de organisatie neemt aan dat ze in leven worden gehouden zolang ze voldoende geld opleveren.

Volgens Teresa Ulloa, directeur Mexico van de Latijns-Amerikaanse en Caribische tak van de Coalitie tegen Vrouwenhandel, is er in alle gebieden waar drugshandelaren om de macht strijden sprake van de verdwijning van jonge vrouwen, die waarschijnlijk door bendeleiders of hun troepen worden gebruikt als seksslavinnen.

Het is lastig om deze hypothese te bewijzen. Slechts heel weinig mensen die verdwijnen, duiken ook weer op, en als ze dat al doen, verdwijnen ze vaak uit angst weer uit vrije wil: ze komen thuis, vertellen hun familie dat alles in orde is, en diezelfde avond gaan ze ervandoor en veranderen van identiteit. Ze kunnen niet thuisblijven omdat ze bang zijn dat ze hun dierbaren in gevaar brengen; ze weten zeker dat degenen die hen gevangen hadden genomen dat opnieuw zullen doen of hen zullen vermoorden omdat ze te veel weten.

Niemand wil over die hel praten. Ze vertrouwen niemand.

lunita lu (CC BY-NC 2.0)

 

Barbaarse hel op aarde

Ik heb de zus gesproken van iemand die verdween en weer verscheen. Nadat ik haar had geïnterviewd, verwerkte ik haar getuigenis in dit artikel:

‘Mijn broer verdween toen hij 19 was. Hij werkte in de stad bij een timmermansbedrijf, en op een dag vroegen een paar vrienden van hem of hij met ze meeging met een vrachtwagen de heuvels in, en toen ze daar aankwamen met wat meubels, kregen ze te horen dat ze daar moesten blijven om te werken, ze kregen zware wapens en wagens en moesten het stadje bewaken.

Ze staan onder bevel van een comandante te midden van de bevolking, en ze moorden. Omdat ze de opdracht krijgen om te moorden. Maar mijn broer heeft nooit iemand vermoord.’

En op een keer stond hij thuis weer voor de deur, hij was ervandoor gegaan toen er een schietpartij gaande was. Hij was ontsnapt.’

Dit is de getuigenis van een jonge vrouw uit Chihuahua. Het is niet zomaar een van de vele verhalen die worden gefluisterd op bijeenkomsten van families die op zoek zijn naar hun verloren,‘opgepakte’, ontvoerde en verdwenen verwanten, de verhalen waarin wordt beweerd dat niet iedereen die verdwenen is dood is, dat sommigen nog leven, als slaaf; dit verhaal bevat feiten, plaatsnamen en beschrijvingen van criminelen.

‘Ze drongen huizen binnen, namen mensen onder schot en verkrachtten vrouwen. De mannen werden slecht behandeld, ze konden zich twee weken niet wassen, het enige wat ze te eten kregen was instantnoedels, ze werden bewapend, moesten in de stad patrouilleren en stelen.’

‘En hoe weet je dat?’ vroeg ik.

‘Dat heeft mijn broer ons verteld.’

‘Hoe?’

‘Op een dag lukte het hem om een heuvel te beklimmen en vandaar belde hij mijn vader om te zeggen dat hij in orde was, maar dat ze heel slecht werden behandeld. En op een keer stond hij thuis weer voor de deur […] hij was ervandoor gegaan toen er een schietpartij gaande was. […] Hij was ontsnapt.’

De jonge vrouw praat weliswaar zacht, maar maakt geen zenuwachtige indruk. Ze lijkt vooral haar verhaal kwijt te moeten. Ze is op een bijeenkomst van families uit het hele land die ook op zoek zijn naar hun verwanten. Hier kwam ze erachter dat wat haar is overkomen geen geïsoleerd verschijnsel is en ze heeft zichzelf bezworen niet te stoppen met zoeken naar haar grote broer die terugkeerde uit de hel en deze voor haar beschreef, maar er uit vrije wil naar moet terugkeren om zijn familie niet te veroordelen tot een wrede, barbaarse hel op aarde.

Haar broer kon niet anders dan teruggaan. Het is het laatste wat ze van hem hebben vernomen. Hij is waarschijnlijk vermoord.

Gevangenis zonder tralies

De hel die zij beschrijft is een gevangenis zonder tralies, een open gevangenis waar ze op hun eigen manier voorkomen dat mensen ontsnappen: haar broer woonde te midden van andere jongemannen, van wie sommigen gedwongen en anderen uit vrije wil waren gerekruteerd, in een verlaten huis buiten de stad. Om de beurt hielden ze de wacht om te voorkomen dat onbekenden hen zouden komen doodschieten.

Razi Machay (CC BY-SA 2.0)

 

Aangezien de gemeentelijke politie niet was bewapend, patrouilleerden de jongelui in gestolen jeeps. Ze hadden geen moment vrij, aten wat ze maar konden vinden, waren voortdurend beneveld van de marihuana of de cocaïne, en hun excessen draaiden geregeld uit op schiet- en moordpartijen onder elkaar.

Ze kregen niet betaald maar konden niet ophouden met werken, omdat degenen die hen gevangen hielden hun familie kenden.

Volgens haar waren er veel jongemannen gedwongen gerekruteerd. Mensen hebben verklaard dat er boerderijen zijn in onherbergzame gebieden, waar kooien zijn van gaas, ‘net een soort kippenren, waarin ze dag en nacht worden vastgehouden, in zon en regen, en waar ze eenmaal per dag water en brood krijgen, tot hun familie een losprijs betaalt’, volgens Xicoténcatl. Of hele pakhuizen vol mensen.

Op grond van alle bewijsmateriaal zette de overheid een gespecialiseerd opsporingsteam op, met een onderzoeksafdeling en een reddingsploeg, maar dat heeft geen verschil gemaakt. Er verdwijnen naar schatting dertien mensen per dag in Mexico. Eén per twee uur.

Moederdag

In Mexico wordt Moederdag op 10 mei gevierd. Maar de afgelopen zes jaar is die datum de dag geweest waarop duizenden moeders van verdwenen mensen uit het hele land naar de hoofdstad komen om daar door de straten te marcheren om gerechtigheid te eisen. De moeders reizen in karavanen door heel Mexico om hun verdriet en woede uit te dragen. Ze hebben hongerstakingen gehouden en optredens van de president, wetgevers, ministers en openbaar aanklagers verstoord.

Duizenden moeders van verdwenen mensen komen uit het hele land naar de hoofdstad om daar door de straten te marcheren om gerechtigheid te eisen.

Ondanks de inzet van de belangrijkste mensenrechtenorganisaties ter wereld, waaronder internationale instanties als de vn en de Organisatie van Amerikaanse Staten (OAS), om aan te tonen dat er in Mexico een ernstige crisis heerst op het gebied van de mensenrechten, hebben de autoriteiten het probleem nog steeds niet serieus erkend; ze proberen het juist eerder te verhullen.

Het geweld mag dan al in 2006 zijn losgebroken, de overheid heeft nog steeds geen databank voor verdwenen personen opgezet die voor het hele land geldt. Elke dienst heeft weer zijn eigen wetten aangaande de registratie en procedure voor de omgang met ongeïdentificeerde lijken (bij sommige worden ze gecremeerd).

Elke begraafplaats bepaalt zelf wat er met de resten wordt gedaan. Er is niet één enkel protocol of voorgeschreven proces voor het registreren van de kenmerken van deze lijken. En de verdwijningen gaan onverminderd door. Sommige daarvan voltrekken zich in de doolhoven van de bureaucratie, wanneer de details van een lijk niet op de juiste wijze worden geregistreerd, waardoor de identificatie wordt gehinderd.

Onder het oog van de bewakingscamera’s

Ik ben nooit gewend geraakt aan deze verdwijningen, al komen ze allengs schaamtelozer en massaler voor.

De opmerkelijkste verdwijning tot nu toe is die van de 43 studenten van de plattelandspabo Raúl Isidro Burgos in Ayotzinapa in de staat Guerrero. Zij werden aangevallen door de gemeentepolitie, de staatspolitie en de federale poltie, in aanwezigheid van het leger. De politie en in burgerkleding gestoken, gewapende mannen schoten zes mensen dood, verwondden er tientallen, en lieten 43 studenten verdwijnen. Onder het oog van de bewakingscamera’s. En masse. Drieën-veertig. Arme. Studenten.

De opmerkelijkste verdwijning tot nu toe is die van de 43 studenten, zij werden aangevallen door de gemeentepolitie, de staatspolitie en de federale poltie, in aanwezigheid van het leger.

Het hele land was geschokt door dat nieuws. Mensen gingen de straat op om te eisen dat ze levend en wel zouden worden teruggebracht, en dat er gerechtigheid zou geschieden, terwijl ze spreekkoren aanhieven met: ‘Het was de staat.’

Tijdens de zoektocht naar de studenten zijn talloze massagraven ontdekt. Naar aanleiding van getuigenverklaringen is de politie op plekken terechtgekomen waar bij opgravingen andere lijken werden aangetroffen, maar niet die van de studenten.

Soms waren het intacte lijken, gekneveld en met de handen op de rug gebonden. Andere waren geen lichaam meer, maar stukjes verkoold bot, omdat degenen die hen hadden terechtgesteld geprobeerd hadden houtskool van hen te maken. Zij waren onherkenbaar.

Volgens de PGR is dat ook wat de studenten is overkomen, en met behulp van vals bewijsmateriaal is er een onware versie van de gebeurtenissen geconstrueerd, zodat de zaak kon worden gesloten.

Op hun zoektocht naar de studenten en andere verdwenen personen in deze streek vergezelden journalisten ook verwanten die naar plekken reisden waarvan beweerd werd dat de studenten daar te vinden waren. De eerste plek was de heuvel bij Pueblo Viejo, waar 28 lijken werden gevonden.

Martin Garcia (CC BY-NC 2.0)

 

De andere verdwenenen

Zo kwamen er door de aanval op de studenten uit Ayotzinapa ook andere drama’s aan het licht.

In diezelfde maand kwamen tientallen mensen uit de streek van wie een familielid was verdwenen bijeen in een kerk in Iguala -er bleken ruim tweehonderdvijftig van zulke families te zijn. Voor het eerst overwonnen ze hun angst en spraken ze met elkaar over hun gemeenschappelijke verdriet, en ze spraken af dat ze het voorbeeld zouden volgen van de ouders van de 43 studenten en op eigen gelegenheid verborgen graven zouden opsporen om die te openen op zoek naar hun verdwenen dierbaren.

Tijdens hun eerste expedities droegen ze zonnebrillen, hoeden of petten uit angst dat ze anders zouden worden herkend door de gewapende groepen die op die hellingen hun kamp opslaan.

De autoriteiten waren hun nooit behulpzaam geweest. En zo kwam de organisatie Los Otros Desaparecidos (de andere verdwenenen) tot stand. Vanaf november 2014 tot op heden trekken ze er dagelijks op uit om de hellingen af te zoeken naar hun verwanten. Op hun eerste zoekdag vonden ze acht lijken.

Ze gebruiken machetes, schoppen, pikhouwelen, ijzeren staven, hun handen en nagels, wat ze maar ter beschikking hebben, om te graven. Tijdens hun eerste expedities droegen ze zonnebrillen, hoeden of petten uit angst dat ze anders zouden worden herkend door de gewapende groepen die op die hellingen hun kamp opslaan.

Algauw raakten ze hun angst kwijt en begonnen ze zwarte t-shirts te dragen met daarop de tekst: ‘Ik blijf net zo lang naar je zoeken, jongen, tot ik je kan begraven’, bij wijze van uniform.

Sindsdien is de kreet ‘Ik heb een graf gevonden’ blijven klinken. Telkens wanneer ze een skelet of de resten van een mens vinden, vloeien er tranen, krijgen mensen een brok in hun keel, wordt er een gebed gezegd, en vraagt iedereen zich af welke familie er op zoek is naar dit bepaalde lichaam.

Comisión Interamericana de Derechos Humanos (CC BY 2.0)

Moeder van een verdwenen zoon in Sinaloa

Hoe de dood ruikt

De laatste keer dat ik deze groep speurders heb gezien, anderhalf jaar nadat die was opgericht, waren ze inmiddels beroemd geworden omdat ze de eersten waren die op eigen initiatief op zoek gingen naar lijken, in plaats van te wachten tot de autoriteiten iets ondernamen, en ze gaven workshops over hoe je graven moet opsporen en lijken moet opgraven, voor vaders en moeders, mede namens andere ouders die door hetzelfde lot waren getroffen en inmiddels de handen ineen hebben geslagen in andere delen van het land, zoals Chihuahua, Sonora, Sinaloa, Veracruz, Michoacán, Distrito Federal, Guerrero, Morelos en Coahuila.

De speurdersgroep van ouders onderwijst hoeveel centimeter diep je kunt graven om geen botten te breken, hoe de dood ruikt, wat je moet doen wanneer je een skelet vindt.

Allemaal volgden ze een tweedaagse cursus theorie met echte forensische deskundigen, in Mexico-Stad, gevolgd door enige dagen veldwerk in Amatlán de los Reyes in de staat Veracruz, waar het niet meer om de theorie draaide, maar om de werkelijkheid, en de speurdersgroep van ouders uit Iguala hen onderwees in het gebruik van spaden, breekijzers en pikhouwelen, hoe je plekken herkent waar de aarde is omgewoeld, hoeveel centimeter diep je kunt graven om geen botten te breken, hoe de dood ruikt, wat je moet doen wanneer je een skelet vindt, hoe je bewijsmateriaal moet veiligstellen.

Kortom: hoe je de klus aanpakt die de overheid niet uitvoert om lijken te vinden. Hun methode is de volgende: telkens wanneer ze omgewoelde aarde zien, drukken ze een door een smid gemaakte ijzeren staaf de aarde in, waarna ze die dieper de grond in drijven met een houten hamer, waar de echte antropologen om moeten lachen. Daarna trekken ze de staaf eruit, snuffelen aan het uiteinde als een bloedhond die erop is getraind om de stank van de dood op te sporen.

Daarna steken ze de staaf weer in de grond, en ga zo maar door, centimeter voor centimeter. Tijdens die vijftiendaagse veldoefening vonden ze bebloede kleding, een aantal botten en vijftien graven. Ze kwamen bekend te staan als de Eerste Nationale Brigade op zoek naar Verdwenen Mensen.

Een maand later reisde dezelfde groep, maar nu samen met een andere groep getroffenen, naar Tetelcingo in Morelos, op zo’n twee uur reizen van Mexico-Stad. Daar zag de staat Morelos zich gedwongen twee massagraven bloot te leggen, waar overheidsfunctionarissen in het geheim 117 lijken hadden begraven. Dit is het duidelijkste voorbeeld van de manier waarop de overheid haar eigen massagraven maakt om verdwenen personen in te laten verdwijnen.

Niet op zoek naar gerechtigheid

Vanaf de moord op vrouwen in Ciudad Juárez tot nu hebben mensenrechtenorganisaties ontdekt dat mensen naar wie ze op zoek waren in massagraven terecht waren gekomen ondanks het feit dat ze door de autoriteiten waren geïdentificeerd.

Dat bezorgt me het gevoel dat het misschien wel nooit verandert, omdat er maar geen eind komt aan die cyclus waarin mensen ongestraft blijven: overheidsfunctionarissen laten nog steeds mensen verdwijnen, ofwel rechtstreeks, wanneer ze mensen gevangennemen, en vervolgens vaak vermoorden en begraven, ofwel indirect, doordat ze niet naar hen op zoek gaan, de familie van de verdwenenen niet helpen of beschermen, menselijke resten die worden gevonden niet identificeren, of verdwenen mensen uit de statistieken laten verdwijnen.

Ik hoor moeders zeggen dat ze niet naar gerechtigheid streven maar alleen naar de waarheid, om zo te voorkomen dat ze ellende krijgen met bendes criminelen.

Ik schrijf nu al vijftien jaar over deze zaken, maar nog steeds krijg ik een brok in mijn keel wanneer ik verwanten gaten zie graven in de hoop hun verdwenen familieleden terug te vinden, hen mee terug te nemen naar hun woonplaats en ze daar in de buurt te begraven.

Wanneer ik moeders zie die voor het eerst op zoek gaan en nog steeds niet kunnen verwerken wat hun kind is overkomen, en in tranen uitbarsten bij de suggestie dat ze misschien wel dood zijn.

Wanneer ik die moeders hoor zeggen dat ze niet naar gerechtigheid streven maar alleen naar de waarheid, om zo te voorkomen dat ze ellende krijgen met bendes criminelen; dat ze helemaal niets meer verwachten van de autoriteiten; dat ze niet meer alleen op zoek zijn naar hun eigen verwanten, maar naar alle doden, elk lijk, in de hoop dat net zoals zij misschien de botten zullen vinden waarop een ander gezin thuis wacht, anderen misschien de botten zullen opgraven waar zij zo wanhopig naar uitzien.

Of wanneer alweer een van die ouders vermoord wordt als vergelding voor hun zoektocht.

Het beeld van vaders en moeders die met heel hun hart en met blote handen de aarde openkrabben, terwijl de woede, frustratie en het verdriet naar de oppervlakte borrelen, geeft in een notendop weer wat er van dit land is geworden. Het land van de massagraven.

Uit “Het Verdriet van Mexico, Ooggetuigen uit een wetteloos land”. Vertaald door Miebeth van Horn en Anne-Marie Vervelde. Uitgeverij Balans. Oorspronkelijke titel La ira de México. Siete voces contra la impunidad. Uitgegeven door Penguin Random House Grupo Editorial, Mexico. Copyright © 2016 de afzonderlijke auteurs. Copyright Nederlandse vertaling © 2017 Miebeth van Horn & Anne-Marie Vervelde / Uitgeverij Balans, Amsterdam.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift