De politiek van het gas in Bolivia

Bolivia heeft voldoende gasvoorraden om eeuwen lang in de eigen behoeften en in die van de buurlanden te voorzien. En toch maken de Bolivianen problemen over de uitvoer ervan. Vorig jaar leidde dit tot een opstand waarbij de president werd afgezet en de voorbije maanden werd duidelijk dat het land zelfs dreigt te barsten onder druk van het gas. MO* was erbij toen boeren en mijnwerkers in oktober de hoofdstad bezetten en luisterde naar indianen die zich verzetten tegen de plundering van hun natuurlijke rijkdommen.
El Alto ligt op 3800 meter als een brede kraag rond het 200 meter dieper gelegen La Paz, de feitelijke hoofdstad van Bolivia. De satellietstad is een uit de voegen gebarsten armenwijk en de toeverlaat van massa’s arme Bolivianen, voornamelijk Quechua- en Aymara-indianen die uit het binnenland naar hier migreerden, op zoek naar toekomst. In dit labyrint van straten en stegen viert de informele ondernemerszin hoogtij. De gevels van de huizen gaan schuil achter slierten stalletjes.
Chola’s of inheemse marktvrouwen zitten met wijde rokken over de knieën en een bolhoedje op het hoofd bij immense voorraden gepofte maïs, sleuren met jerrycans kaneelthee of serveren in hun geïmproviseerde restaurantje quinoasoep of dampende aardappelen met okergele pindasaus. Toeterende minibusjes, taxi’s en bestelwagens brengen mannen, vrouwen, kinderen en koopwaar van de ene naar de andere bestemming, van La Paz naar El Alto en omgekeerd. Zeshonderd zestigduizend inwoners telt de stad nu en in de onmetelijkheid van de hoogvlakte blijft ze uitdeinen.
El Alto is de sociale barometer van het land én strategisch gelegen, aan de luchthaven en aan de enige toegangsweg tot de hoofdstad. Manifestaties en wegblokkades kunnen hier in een mum van tijd niet alleen de bevoorrading van de hoofdstad maar ook het internationale luchtverkeer lamleggen. Dat gebeurde bijvoorbeeld bij de gasoorlog van oktober vorig jaar. Toen president Sánchez de Lozada zijn plan lanceerde om gas via Chili naar Mexico en Californië uit te voeren, ontketende dat een nationalistische revolutie.
De Bolivianen willen niet zomaar uitvoeren en zeker niet via Chili, het land dat hen op het einde van de negentiende eeuw de toegang tot de Stille Oceaan afnam. Sánchez de Losada beantwoordde de revolte met zwaar militair geschut. Zeventig doden kostte de gasoorlog en uiteindelijk resulteerde hij in de afzetting van de president. Hier in El Alto vielen de meeste doden. Een gedenksteen en de ruïnes van het in brand gestoken gemeentehuis herinneren daaraan.

De oktoberrevolutie


Carlos Mesa, toen vice-president, nam de macht over en beloofde een nieuwe gaspolitiek. In juli organiseerde hij hierover een referendum, wat opnieuw een berg stof deed opwaaien. Toch sprak de meerderheid zich in het referendum uit voor steun aan de politiek van Mesa. Oktober 2004, een jaar na de gasoorlog, moet er gestemd worden over een nieuwe olie- en gaswet. Er liggen twee voorstellen op tafel, één van de regering en één van het Congres.
In grote lijnen betreft de hele discussie het eigendomsrecht over die grondstoffen en over het percentage royalty’s en belastingen dat de buitenlandse bedrijven aan de Boliviaanse staat moeten afdragen. Nu, volgens de wet van Sánchez de Lozada, is dat 18 procent, maar dat vinden de Bolivianen schandelijk weinig. Het wetsvoorstel van de regering laat die 18 procent ongemoeid en raakt ook niet aan de bestaande contracten -waarvan de meeste nog doorlopen tot 2036- maar wil wel een reeks belastingen voor die bedrijven verhogen. Dat voorstel lokte zoveel reacties uit dat het Congres, op initiatief van de MAS -Movimiento al Socialismo, geleid door Evo Morales- een eigen voorstel liet uitwerken door een speciale commissie. Dat vertrekt van 50 procent of méér aan royalty’s op het gas en de petroleum die worden bovengehaald en wil een herziening van de contracten.
Anderen gaan nog verder en eisen een nieuwe, volledige nationalisering van de sector. De Bolivianen willen ook dat het petroleumbedrijf van de staat, YPFB, dat bij de privatiseringen van Sánchez de Lozada uitgekleed werd, opnieuw een sterkere rol krijgt. En ze willen het gas in eigen land verwerken, zodat er werkgelegenheid gegenereerd wordt en zodat vermeden wordt dat Bolivia de afgewerkte producten veel duurder opnieuw moet invoeren.
De discussie over de nieuwe wet wordt deze dagen op straat uitgevochten. Maandag 18 oktober is er een nationale actiedag om de gasoorlog te herdenken. Maar de week daarvoor al worden op verschillende plaatsen de slachtoffers van vorig jaar gehuldigd. ‘Zij hebben hun leven niet tevergeefs gegeven, de strijd gaat voort!’ In en rond La Paz gonst het van de geruchten over de voettochten die diverse politieke groeperingen gepland hebben. De mars van Felipe Quispe, de inheemse leider van de MIP, de Movimiento Indigena Pachakuti, vertrekt al op zondag. Quispe ijvert voor een terugkeer naar het Tawantinsuyu, het rijk van de Inca’s.
Ook een nieuwe formatie uit El Alto, onder leiding van Roberto de la Cruz, is met enkele tientallen aanhangers al sinds de zaterdag op stap. De sterkte van de oktoberopstand in 2003 was voor een groot deel gelegen in de bundeling van alle krachten in één grote coalitie. Maar die koepel is uit elkaar gevallen. De la Cruz, die een jaar geleden aanleunde bij de MAS van Evo Morales, is zwaar ontgoocheld over het feit dat Morales het referendum steunde.
‘Morales is enkel bezig met zijn kandidatuur voor de presidentsverkiezingen van 2007’, vindt de la Cruz. Daarom heeft hij een eigen beweging opgericht, M17, wat staat voor Movimiento 17, de Beweging van de Zeventiende Oktober, de dag toen de president verdreven werd. Over de nieuwe wet zegt hij: ‘Wij spreken enkel over volledige nationalisering of niets! Altijd worden wij, indianen, uitgesloten en gemanipuleerd. Wie niets heeft, wordt telkens weer gestraft en wie heeft, krijgt altijd nog meer. Maar de kracht van de indianen is sterker dan het systeem.’
Indrukwekkender dan de twee andere voettochten is de mars van de MAS. Die vertrok al op 11 oktober vanuit Caracollo, bij Oruro, om op de actiedag, een week later, La Paz te bereiken, een traject van 190 km. De zondag voor de 18de rij ik de optocht tegemoet. Ik bereik ze op zo’n 25 km van La Paz. Van ver zie ik de kleurrijke wipalavlaggen aan de horizon verschijnen, waarna een lange rij mensen uit de aarde tevoorschijn lijkt te komen. Boeren, indianen en cocatelers, jongeren en ouderen, uit verschillende provincies. Vierduizend mannen en vrouwen die in stilte over de altiplano stappen, de zesde dag nu al, onder de felblauwe hemel en de brandende zon, gesalueerd door een schitterende keten sneeuwtoppen. Af en toe tokkelt iemand op een charrango, verder blijft het stil. Geen trommels of fluiten, geen toeters of bellen. Alleen een zachte bries die over de hoogvlakte waait, en het geluid van de voetstappen op het asfalt. De stille kracht op weg naar het centrum van de macht.
Die maandag arriveren al vroeg in de ochtend delegaties met spandoeken, vlaggen en wimpels om van El Alto naar het centrum van La Paz af te dalen, zo’n acht km lopen. De traditionele syndicale organisaties zijn erbij, zoals de COB, de Boliviaanse arbeiderscentrale en het CSUTCB, het eenheidssyndicaat van arbeiders en boeren, maar ook talloze nieuwe formaties, zoals de ruim honderdveertig beroepsgildes van El Alto, vrouwengroeperingen en de vereniging van landloze boeren, MST. In de loop van de namiddag bereikt de voettocht van MAS het centrum van La Paz.
Evo Morales spreekt als laatste het publiek toe en hij is duidelijk opgezweept door de verwijten die hier vanochtend aan zijn adres gemaakt zijn: dat hij de slippendrager is van president Mesa en enkel begaan is met de volgende presidentsverkiezingen. Zijn betoog klinkt radicaal: ‘Ik betreur de houding van Carlos Mesa die met zijn wetsvoorstel geen rekening houdt met de wil van het volk, maar wel met het Noord-Amerikaanse imperialisme. De inzet van deze mars is het behoud van onze soevereiniteit. Dit keer stappen we voor gas en petroleum, maar we hebben ook andere natuurlijke rijkdommen te beschermen: het water, de bossen, de mineralen. Als we niet willen dat die geprivatiseerd worden, moeten we ons daar met z’n allen tegen verzetten. Wanneer we onze krachten bundelen, is er geen imperialisme dat ons tegenhoudt.’ Het publiek lust zo’n discours wel en hoe langer Morales spreekt, hoe sterker het applaus aanzwelt. ‘Wij blijven hier tot het wetsvoorstel van het Congres is goedgekeurd’, zo eindigt hij zijn betoog.
Niet alleen boeren en inheemsen zijn afgezakt naar La Paz. Onverwacht sterk is de opkomst van de mijnwerkers. Met vrachtwagens worden ze aangevoerd vanuit Oruro en Potosí, zo’n 1500 of 2000 mannen. De helm op het hoofd, de vuist in de lucht en het dynamiet in de aanslag. Ze komen met een bangmakend geknal van explosies. Eén van hen laat vóór mijn ogen zijn hand ontploffen. Camera’s en journalisten snellen toe, de man wordt in een busje afgevoerd, maar de optocht én de explosies gaan onverminderd door. De mijnwerkers komen met een eigen agenda, zij willen de reactivering van de mijnsector. Eeuwen lang lag de rijkdom van Bolivia in de mijnen en waren de mijnwerkers het bolwerk van het sociale protest.
Aan dat tijdperk kwam een bruusk einde met de privatiseringsgolf van 1985. In één klap werden toen 26.000 mijnwerkers op straat gezet. Een deel ervan trok naar de Chapare om coca te verbouwen en stapt nu mee achter de vlaggen van de MAS. Een ander deel heeft nooit een vervanging gevonden en leeft al jaren onder de armoedegrens. In maart nog drong een radeloze ex-mijnwerker, gewapend met dynamiet, het Congres binnen om eindelijk het pensioen op te eisen waarvoor hij jaren had bijgedragen. Toen de veiligheidsdiensten hem overmeesterden, ontplofte zijn lading springstof. Saldo: drie doden, de mijnwerker en twee veiligheidsagenten. Een ander deel van die mijnwerkers is in de mijn blijven wroeten, georganiseerd in coöperaties. Nu de prijs van het goud opnieuw stijgt, zijn er wellicht nieuwe perspectieven. Vandaag staan ze hier, en eisen ze investeringen in de mijnbouw.
Die maandagavond is La Paz een belegerde stad, in de tang genomen door duizenden mijnwerkers en boeren, die de regering het mes op de keel zetten. Ze zijn uitgeput door de twintig jaar privatiseringen, die vooral oog hadden voor het creëren van een aantrekkelijke omgeving voor buitenlandse bedrijven. Intussen leeft 71 procent van de Bolivianen in armoede, een groot deel van hen in schrijnende armoede.

Een juweeltje van de geologie


Duizend kilometer ten zuiden van La Paz, aan de grens met Argentinië, ligt Tarija, het “Andalusia” van Zuid-Amerika. Lieflijker, groener, lager gelegen. Het grootste deel van de Boliviaanse gasvoorraden zit hier in de ondergrond. In 1997 streken Petrobras, Repsol-YPF, Total en British Gas hier neer om petroleum en gas te ontginnen. Omwille van de gigantische gasvoorraden voelen de Tarijeños zich op een keerpunt van de geschiedenis.
Ingenieur Daniel Centeno is chef exploitatie en exploratie van het gas en petroleum in de prefectuur van Tarija en was één van de adviseurs van het wetsvoorstel van het Congres. De omvang van de gasvoorraden hebben hem licht euforisch gemaakt: ‘In 1998 dachten we over een voorraad van 2TCF (trillon cubic feet) te beschikken. Nu is bewezen dat het over 55 TCF gaat, waarvan 50 in Tarija! We hebben hier zonder meer te maken met een juweeltje van de geologie. Maar de markt heeft zijn moment en als we nú niet exporteren, blijven we met die voorraden zitten. Het gastijdperk duurt misschien nog vijftig jaar, want in Europa en de VS is men volop energie op basis van waterstof en silicium aan het ontwikkelen.’
Centeno vindt ook wel dat de bestaande wet te veel voorrechten geeft aan de buitenlandse bedrijven, onder andere door allerlei voordelen niet in rekening te brengen.’Wij hebben die buitenlandse bedrijven nodig. Maar terwijl zij van ons juridische zekerheid vragen, hebben wij ook sociale zekerheid nodig. De Bolivianen voelen zich bedrogen met de huidige wet. De multinationals leven in een wereld van vijf sterren. Wij zouden graag ook één sterretje hebben, om het een klein beetje beter te hebben.’
Ruiz klinkt radicaler dan ingenieur Centeno. Hij is voorzitter van het burgercomité van Tarija, de koepel van al de belangenverenigingen van het departement en vertolker van de publieke opinie van Tarija. Elf van de achttien procent royalty’s die de bedrijven nu afstaan, gaat naar het departement waarin de exploitatie gebeurt.
Er zijn dus wel wat belangen te verdedigen en Ruiz kent de cijfers uit het hoofd: ‘In 1999 ontving Tarija 3,6 miljoen dollar aan royalty’s, vorig jaar was dat 37, dit jaar 60, volgend jaar waarschijnlijk 70. Genoeg om een ontwikkelingsplan voor de regio uit te werken. Maar het parlement wordt beheerst door het gekibbel van demagogen, die een wetsvoorstel willen doordrukken dat een aaneenschakeling is van pathetische slogans. Al die sociale bewegingen in het westen van het land willen de petroleumbedrijven onteigenen en met stokken het land uitjagen, om ons allemaal te onderwerpen aan het indigenistisch fascisme.’ Ruiz klinkt opgewonden en heeft het over ‘een Pol Pot-regime van de altiplano’.
Ruiz: ‘Wij zijn een klein land en financieel gebroken. Wie gaat hier gas ontginnen als we die bedrijven wegjagen? Ook de internationale gemeenschap zal zijn financiële steun aan Bolivia stopzetten als wij deze kans voor eigen inkomsten verspelen. Binnen de twee maanden stort ons land in elkaar zonder hun steun. Wij willen ons lot niet laten afhangen van wat de departementen in het westen ons willen opdringen.’ Ruiz vindt dat president Mesa te besluiteloos is en acht een afsplitsing van de oostelijke departementen reëel als het voorstel van het Congres het haalt. ‘Als de gemoederen niet tot bedaren komen, gaat dit doden kosten.’

Barsten in de bergen


Vanuit Tarija doet de bus naar Entre Rios er vier uur over, door de uitlopers van de Andes tot in de Boliviaanse chaco, een subtropische vlakte. In Entre Rios zijn de leiders van de Asociacion de Pueblos Guaraníes (APG) een hele week samen om de gebeurtenissen in La Paz te volgen. De Guaraní-indianen zijn immers het meest direct getroffen door de gas- en oliewinning in hun territorium. De voorzitter van de APG onderhandelt mee in het Congres en verdedigt er het voorstel om in de nieuwe wet 10 procent van de royalty’s rechtstreeks naar de gemeenschappen te laten doorstromen. Sinds 1992 zijn de Guarani’s volop bezig hun traditioneel territorium officieel erkend te krijgen. Met de komst van de transnationale bedrijven is die erkenning nog belangrijker geworden.
Hernán Ruiz van de ngo Cerdet neemt me mee naar de exploratietorens van Puerto Margarita, van waar de export naar Chili en Mexico moest gebeuren. De drie uur durende rit leidt langs stoffige wegen, gasleidingen en bedrijfswerven. Het kappen van het woud en het onophoudelijke verkeer van vrachtwagens langs de kiezelwegen brengt wolken stof mee. Veel indianen, die vaak uren te voet lopen en in de dorpjes langs de weg wonen, lijden sindsdien aan infecties van de ogen en de luchtwegen. Kinderen worden ziek en medische hulp is schaars.
Ook het klimaat is veranderd, vertellen de Guarani’s. Het is warmer en droger geworden sinds “de grote brand”. Tussen 1999 en 2000 heeft een exploitatieput van Pluspetrol, bij Yacuiba, een half jaar in brand gestaan. Mannen klagen ook dat het wild door de woudkap en door de hevige knallen van de gasexploraties is weggevlucht. Werkgelegenheid is er voor hen niet, de arbeiders komen van elders. Wel worden de vrouwen misbruikt door die arbeiders, en blijven er ongewenste kinderen achter. Soms laten ouders hun kinderen misbruiken, in ruil voor wat geld. Sacrale plaatsen van de Guarani’s worden ingepalmd door bedrijfswerven.
Noodgedwongen hebben deze dorpjes een manier moeten vinden om met de bedrijven samen te leven. Omdat de Boliviaanse overheid voor hen nooit aandacht heeft opgebracht en de royalty’s van Tarija niet tot hier geraken, onderhandelen de Guarani’s zelf met de oliemaatschappijen. Calixto vertelt.
‘Onze gemeenschap ligt op officieel erkend territorium. Repsol is daarom verplicht ons gebruiksrecht te betalen, maar het bedrijf weigerde dat. Samen met de andere gemeenschappen blokkeerden we de brug, de enige over de Pilcomayo-rivier in deze zone. Toenmalig president Sánchez de Lozada stuurde het leger maar de Guarani’s bleven op post, tot Repsol zijn onderhandelaar stuurde. Zeventien uur lang is er toen onderhandeld over een contract waarin Repsol zich engageerde voor een hele waaier ontwikkelingsinitiatieven voor de gemeenschap.’ Maar de bedrijven zijn zeer vindingrijk om het verzet te breken. Cesar Aguilar van de APG: ‘Ze hebben nu een Guarani aangeworven die ze betalen om ons op andere gedachten te brengen. Op die manier willen ze ons volk verdelen en ons tegen elkaar opzetten.’
Terug in Entre Rios vernemen we dat het wetsvoorstel van de parlementscommissie in grote lijnen is goedgekeurd. Dezelfde avond nog komt er een verklaring van het burgercomité van Tarija. Roberto Ruiz laat weten dat het departement Tarija zich nooit zal neerleggen bij die wet en een afscheuring van het centrale gezag van La Paz ernstig overweegt. Het departement Santa Cruz, ook rijk aan gas en petroleum, verklaart zich solidair met Tarija en overweegt ook een afscheiding. Waarop de Guarani’s in een perscomuniqué melden dat ze zich verzetten tegen elke vorm van separatisme en zich niet vertegenwoordigd weten door de Tarijeños, die met de opbrengsten van het gas alleen maar ‘een nieuwe oligarchie’ willen voeden.
‘Het afgelopen jaar is de democratie in Bolivia overeind gebleven’, zegt Humberto Vacaflor, één van de meest gerenommeerde Boliviaanse journalisten, ‘maar het is een democratie onder hoge druk. Het kluwen van posities en krachtmetingen wordt met de dag ingewikkelder en het dilemma steeds meer benauwend. Eeuwen lang heeft Bolivia goud en zilver uitgevoerd, en het is daar geen haar beter van geworden. Precies een eeuw lang, van 1885 tot 1985, voerde het tin uit, maar ook toen kende het niets dan hyperinflaties en staatsgrepen.
 De Bolivianen weigeren nog langer grondstoffen uit te voeren zonder daar zelf beter van te worden. En dus vechten ze voor een nieuw model.’ De druk zal voorlopig niet afnemen. In december zijn er gemeenteverkiezingen, in januari worden de subsidies op gas en benzine afgeschaft en in de loop van volgend jaar moet Bolivia een nieuwe grondwet opstellen. Sommige inheemse leiders hebben hun ontwerp al klaar, terwijl de ondernemerswereld nu al vreest dat hun belangen ondervertegenwoordigd zullen blijven. En als het aan de Tarijeños ligt, is het nog maar de vraag of Bolivia daartegen nog bestaat.

De lange mars


Bij de presidentsverkiezingen van 2002 greep Evo Morales net naast de hoofdprijs. Zijn MAS vormt sindsdien wel een sterk blok in het Congres. Evo Morales is een Aymara en afkomstig uit de streek van Oruro, maar in het zog van de werkloos geworden mijnwerkers trok ook Morales naar de cocastreek, de Chapare. In de jaren negentig groeide hij uit tot de leider van de cocaboeren, die al jarenlang fel verweer bieden tegen de gedwongen vernietiging van de coca.
Waarom houdt u deze voettocht?
‘Dit is de grote mars voor de nationalisering van het gas en petroleum. Maar eigenlijk is het een zeer specifieke strijd die we voeren: stap voor stap, en mars voor mars zijn we bezig met de opbouw van de macht van de indianen, die de meerderheid vormen in dit land. Quechuas, Aymara’s en Guarani’s, samen maken wij meer dan zestig procent uit van de bevolking. Van gevecht tot gevecht bouwen wij aan onze politieke macht, opdat we op zekere dag onszelf zouden kunnen regeren.’
Betekent die nadruk op de inheemse bevolking dat u een Bolivia met enkel indianen voor ogen hebt?
Morales ontkent heftig. ‘Wij zijn er trots op dat we ook niet-indiaanse lagen van de samenleving aanspreken. Toen ik onlangs de MAS- kandidaat voorstelde voor de gemeenteverkiezingen in El Alto, waren daar massa’s deftige mensen in maatpak en met stropdas. Er waren indianen die weenden van ontroering omdat ze zoiets nooit hadden durven dromen. In Cochabamba, bij de voorstelling van onze kandidaat, hing er in ons armzalig lokaal een geur van parfum van mensen uit de hogere middenklasse. Wij zijn heel blij met zo’n evolutie. Maar het belangrijkste is dat we de juiste richting niet uit het oog verliezen: waar het voor ons om gaat is gelijkheid en gerechtigheid, een herverdeling van de rijkdom.’
Sommigen nemen het u kwalijk dat u het referendum steunde. Waarom deed u dat?
‘In 1952 hebben we algemeen stemrecht gekregen. Die strijd heeft ons bloed en tranen gekost. Met het geweer op de schouder hebben onze ouders hiervoor gevochten, de boeren tegen de grootgrondbezitters, de mijnwerkers tegen de tinbaronnen. Vroeger zei men dat we geen belastingen betaalden en niet konden schrijven, en dus niet mochten stemmen. Het referendum is een instrument om invloed uit te oefenen op beslissingen over de politiek van het land.’
Is de eis van nationalisering van het gas en petroleum wel realistisch?
‘Twee keer in de geschiedenis van Bolivia hebben we een nationalisering gekend van de buitenlandse petroleumbedrijven, één in 1937 en één in 1969, telkens onder leiding van een generaal. Het kan dus. De derde nationalisering zal gebeuren onder leiding van de indianen.’ (adw)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.
randomness