Els Van Weert: Duurzame ontwikkeling is geen grap

Steeds minder Belgen zijn overtuigd van de noodzaak om aan duurzame ontwikkeling te werken, terwijl ons land juist meer moet doen om onder meer de opwarming van het klimaat te voorkomen. Els Van Weert, federaal staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling, over haar plannen voor de toekomst. ‘In 2050 zijn onze behoeften dezelfde als nu: licht, warmte en voeding.’
De cijfers zitten niet mee. Volgens de driejaarlijkse peiling van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling was in 2002 slechts 35 procent van de bevolking overtuigd van het belang van duurzame ontwikkeling. In 1999 was dat nog 44 procent. De politiek mist dus een breed draagvlak als essentiële impuls om echt werk te maken van een meer duurzaam bestuur. Die opdracht wordt bovendien extra complex gemaakt door het feit dat duurzame ontwikkeling aan een heleboel beleidsdomeinen en verantwoordelijkheden raakt, die verspreid zijn over de federale regering en de drie gewestregeringen.
‘Als staatssecretaris moet ik optreden als initiator en facilitator’, zegt Els Van Weert. Daarbij moet ze ‘de federale logica respecteren’, wat wel eens moeilijk kan vallen. Bijvoorbeeld toen Vlaams minister van Leefmilieu Kris Peeters in december zijn beleidsnota voorstelde. Peeters vindt namelijk dat Vlaanderen, als centraal gelegen en dichtbevolkte regio met veel industrie, minder strenge normen moet hanteren dan de rest van Europa. Niet echt een bondgenoot voor Van Weert. ‘Peeters doet alsof de zorg voor het milieu een rem is op de economische ontwikkeling van Vlaanderen. Daardoor zetten we een stap terug’, vindt de staatssecretaris. ‘Jobs creëren en economische groei stimuleren hoeven helemaal niet in strijd te zijn met duurzame ontwikkeling, als je dat in toekomstperspectief bekijkt.’
moeten we nagaan waar we over vijftig jaar willen staan en dan berekenen wat ons vandaag te doen staat, vindt Van Weert. ‘In 2050 blijven onze energiebehoeften dezelfde als nu: we hebben licht nodig en warmte. De manier waarop we aan die behoefte zullen voldoen, zal er wel helemaal anders uitzien. We zien daar nu al voorbeelden van in de “passiefhuizen”: woningen die met een minimum aan energie alle hedendaags comfort bieden.’ De staatssecretaris mikt daarvoor heel sterk op nieuwe technologie en vindt dat het debat over hernieuwbare energie zonder omwegen gevoerd moet worden. Van Weert: ‘We zitten nog te veel onder de knoet van bepaalde lobbies die verhinderen dat we bijvoorbeeld ten volle gaan investeren in hernieuwbare energiebronnen. Maar de uitstap uit kernenergie staat in regeerakkoord. Daar wordt niet meer op teruggekomen.’ Het langetermijndenken dat nodig is voor een duurzaamheidsbeleid is nog steeds allesbehalve vanzelfsprekend. Van Weert: ‘In de politiek leven we onder de terreur van de volgende verkiezingen, maar ook ondernemingen meten hun competitiviteit op korte termijn.’

De overheid geeft het voorbeeld


Els Van Weert wil het liefst een positief verhaal vertellen en concrete resultaten boeken. Voor dat laatste kan ze voortbouwen op wat haar voorgangster, Freya Van den Bossche, op sporen gezet heeft. Van den Bossche slaagde er, na moeizame onderhandelingen, in een akkoord te verkrijgen over de hoeveelheid emissie-eenheden die elk gewest dient in te leveren om te voldoen aan de Kyoto-richtlijn. Volgens die richtlijn moeten de inspanningen over diverse sectoren verdeeld worden: één derde door de industrie, één derde op het vlak van mobiliteit en één derde door gezinnen en particulieren.
Op elk van de drie domeinen zijn intussen stappen gezet en Van Weert zet graag de overheid als stichtend voorbeeld in het zonnetje. Zo lanceerden Els Van Weert en federaal minister van Leefmilieu Bruno Tobback enkele maanden geleden Belesco (Belgian Energy Service Company), een NV die energiebesparende maatregelen in overheidsgebouwen ontwikkelt en daarvoor in eerste instantie 6,5 miljoen euro ter beschikking heeft. Het windmolenpark op de Thorntonbank zal er komen en zal ons alvast een portie hernieuwbare energie opleveren. En sinds begin dit jaar biedt de overheid een fiscaal voordeel tot 4000 euro bij de aankoop van een schone wagen.
Elke administratie heeft ook een cel duurzame ontwikkeling, die de verduurzaming van de administratie moet nastreven, onder ander via het aankoopbeleid. Binnenkort komt er op elke administratie nog een duurzame-effecten-rapportering bij. Die duurzaamheidstoets onderzoekt in hoeverre elke beleidsmaatregel economisch, ecologisch en sociaal in evenwicht is. Op haar eigen kabinet voerde Van Weert het STOP-principe in, wat staat voor Stappen (te voet), Trappen (met de fiets) of Openbaar vervoer -en de Personenwagen als het echt niet anders kan. De overheid als voorbeeld voor consequent gedrag is voor Van Weert meer dan een detail. De omzet van de overheid staat immers voor 10 tot 18 procent van het BNP, wat betekent dat ze een wezenlijke bijdrage kan leveren.

Niet minder, maar anders en beter


Het tweede Federaal Plan voor Duurzame Ontwikkeling (FPDO), dat op 19 december in werking getreden is, kreeg vanuit ecologische en sociale hoek een stortvloed kritiek omdat het nog te vrijblijvend zou zijn, geen echte trendbreuk bewerkstelligt en te weinig aandacht geeft aan het feit dat Duurzame Ontwikkeling een kwestie is van alle maatschappelijke en economische actoren. Toch is Van Weert tevreden met dit plan en zijn 31 concrete acties, gaande van ethische beleggingen, over maatschappelijk verantwoord ondernemen tot systemen van juiste prijsberekening en labels voor sociale, ethische en ecologisch verantwoorde producten.
Voor Van Weert is de consument een cruciale schakel, een hefboom om ook bedrijven onder druk te zetten. Die consument wil ze blijkbaar niet tegen de haren in strijken: minder consumeren hoeft niet, wel anders consumeren. Consumanderen is haar ordewoord. Blijft natuurlijk de vraag of onze levensstandaard wel veralgemeenbaar is voor heel de wereldbevolking. Van Weert gelooft dat iedereen in welvaart kan leven, als het Westen zijn wetenschappelijke en technologische kennis daarvoor willen inzetten en ook wil investeren in technologie-overdracht.
‘Ter voorbereiding van de Top over Duurzame Ontwikkeling in Johannesburg (2002) moest België rapporteren over zijn prestaties op dit vlak. De Belgische prestatie bestond in een technologie-overdracht van de Kempen naar West-Vlaanderen. Ik dacht dat het een grap was! Het staatssecretariaat moet meer samenwerking met de minister van Ontwikkelingssamenwerking nastreven. Op internationale fora zijn de ontwikkelingslanden immers ook steeds nadrukkelijker aanwezig. Zij wijzen het rijke deel van de wereld op hun ecologische schuld en op wat er allemaal is geplunderd en vernield vooraleer zij aan hun ontwikkeling beginnen.’
Volgens Van Weert valt het gegeven van de ecologische schuld niet te ontkennen. ‘Het is echter niet makkelijk dat in geld uit te drukken. En hoe gaan we die schuld goedmaken? In elk geval zorgt die ecologische schuld voor een extra argument om snel werk te maken van de 0,7 procent voor ontwikkelingssamenwerking. Misschien zelfs sneller dan tegen 2010.’
Els Van Weert vindt dat het vandaag de goede kant op gaat, al wordt het de hoogste tijd voor actie: ‘Het tweede FPDO is al heel wat concreter dan het eerste. Vandaag is iedereen vertrouwd met het discours over duurzaamheid, maar als het gaat over concrete dossiers en budgetten, dan wordt het moeilijk. Het is tijd om van woorden naar daden over te gaan.’

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur