Stormtroepen of jeugdbewegingen?

Eind mei beginnen de verkiezingen in Burundi, een buurland van Congo en ongeveer even groot als België. De kieskoorts is al twee jaar voelbaar bij de jeugd. Partijjongeren bevechten elkaar met strijdliederen, soms ook met stenen en granaten. De voorbode van een nieuwe oorlog? MO* stortte zich in het strijdgewoel.
  • Stefaan Anrys Partij-jongeren bevechten elkaar met strijdliederen, soms ook met stenen en granaten. Stefaan Anrys
In 2005 won CNDD-FDD, een ex-rebellenbeweging, overtuigend de eerste vrije verkiezingen in Burundi, na tien jaar burgeroorlog. De voormalige rebellen dreigden ermee de wapens weer op te nemen als de kiezer niet massaal hun kant koos. En dus won de partij van de huidige president Peter Nkurunziza de stembusslag en regeert ze vandaag samen met Frodebu en Uprona.
Van mei tot september vinden opnieuw verkiezingen plaats. Een andere rebellenbeweging, de FNL of Forces Nationales de Libération, heeft vorig jaar de wapens neergelegd en zich omgevormd tot politieke partij. Misschien herhaalt de geschiedenis van 2005 zich weer. Deze ex-rebellen waren nog nooit aan de macht en zouden als nieuwkomer op het politieke toneel wel eens een kans kunnen krijgen van de ontgoochelde kiezer.
Die gedachte zorgt voor nervositeit bij de zittende machthebbers en het gevecht om de kiezer vertaalt zich sinds vorig jaar al in sporadisch geweld tussen partijjongeren. Een voorbode van wat straks komen gaat, als de verkiezingen echt beginnen?

Zij die ver zien


Het gevecht om de kiezer heeft zich sinds 2009 vooral geuit in conflicten tussen zogenaamde Imbonerakure, jongeren geaffilieerd met regeringspartij CNDD-FDD en jongeren van andere partijen. Imbonerakure betekent zoveel als “zij die ver kunnen zien”, een roepnaam die verwijst naar het scherpe zicht van de adelaar, de vogel op de vlag van regeringspartij.
Een erg gewelddadig conflict deed zich begin dit jaar voor in Kinama, een arme buitenwijk van de hoofdstad Bujumbura. Jongeren van de FNL probeerden er tevergeefs een partijkantoortje te openen. Nog voor zij de witte muren van het bakstenen huisje konden beschilderen in de groenrode kleuren van hun partij, werden zij aangevallen door Imbonerakure, onder het goedkeurend oog van de lokale chef de quartier.
Ik bekijk de beelden bij Thomas Nzeyimana thuis, de televisiejournalist die het voorval heeft gefilmd. Jongens gaan met elkaar op de vuist, gooien stenen naar elkaar en komen eraf met bebloede hoofden. De politie kan de gemoederen amper bedaren, vuurt schoten af in de lucht en arresteert enkele heethoofden. Na afloop prijken op de witte muren van het kantoortje geen kleuren, maar zwarte kruisen. Van de FNL-vlag, met hamer, sikkel en boog, is geen spoor. ‘Zij die ver kunnen zien’ hebben hun slag thuis gehaald.

Obama in Burundi


Terwijl ik enkele maanden later deze beelden bekijk, zwelt buiten, voor het huis van Thomas, het gejoel en gejuich aan. Niet toevallig ben ik vandaag naar hem toegekomen. De journalist woont midden in Kinama en buiten staat een partijbijeenkomst van de FNL op touw. Honderden, zo niet duizenden sympathisanten hebben op deze hete zaterdag verzameld om eindelijk hun langverwachte partijkantoortje te openen.
Omstuwd door jonge enthousiastelingen bereiken wij achter op de bagagedrager van een taxifiets het fameuze partijkantoortje van Carama, waar het gevecht met de Imbonerakure enkele maanden terug heeft plaatsgevonden. Het gonst van geruchten dat de kopman van FNL, Agathon Rwasa, het kantoor in hoogsteigen persoon zal komen openen: een duidelijke opgestoken middelvinger naar de regeringspartij.
Even later is het zover. De talrijke politieagenten en de veiligheidsmensen van de partij worden nerveus en uit een witte terreinwagen, meteen afgeschermd door politieagenten met kalasjnikovs, stapt Rwasa. Met zijn doffe blik monstert hij de juichende massa, die hem inhaalt als een god. Tien minuten blijft hij binnen in het lokaaltje, daarna zegt hij buiten met de menigte een gebed en zingt het partijlied. En de ex-rebel verdwijnt weer in zijn 4x4, die hem naar een grasveld vlakbij brengt, waar het ceremoniële gedeelte van de partijmeeting zal plaatsvinden.
Jongeren lopen zijn jeep achterna en scanderen ‘Obama! Obama! Obama!’ Zowat elke politicus, behalve de zittende president, werd dat epitheton al toegedicht. Burundezen houden nu eenmaal van change en sommigen hopen dat Rwasa een nieuwe wind door het regime zal doen waaien.
De rest van de middag verloopt in alle rust, ondanks de stekende zon en de opruiende liederen. Maar wanneer de toespraken zijn verstomd, ontploft bij het omstreden partijkantoortje een handgranaat.
Eerst lijkt het erop dat opnieuw Imbonerakure de daders zijn, maar ditmaal wijst alles richting FNL. Volgens een politiecommissaris was een van de aanstokers van de Imbonerakure opgemerkt vlak bij het partijkantoortje. Hij moest algauw de benen nemen toen woedende FNL-jongeren hem in het vizier kregen. Die zouden hem belaagd hebben en op een handgranaat bedacht, die echter doel mistte, waarna de man verrot is geslagen tot de politie tussenbeide kwam.

Gihahe! Gihahe!


Niet overal in Burundi is de sfeer even gespannen en zoals in Kinama houdt het gros van de bevolking zich meestal afzijdig. Dat sterkt mij in de hoop dat het bij de verkiezingen straks niet zo’n vaart zal lopen. Toch lijken sommige streken, zoals de noordelijke provincie Kirundo, een van de droogste en armste van het land, vatbaarder voor dit soort onlusten. Tot vorig jaar jogden jongeren door de straten, met houten wapens in de hand en onder het zingen van nogal moordlustige strijdliederen uit de tijd van de opstand.
Misschien komt het ook omdat in Kirundo een verbeten parlementslid van de regeringspartij het mooie weer maakt. Jean-Baptiste Nzigamasabo is een ex-rebel en draagt zijn nom de guerre, Gihahe, met fierheid. Hij stuurde al meermaals Imbonerakure af op oppositiepartijen die in zijn gebied partijbureautjes wilden openen of optochten organiseren.
Ezéchiel Nibigira, de grote baas van de Imbonerakure, presteert het zelfs om Gihahe te verschonen. ‘De enige fout die Gihahe en de jongeren in Kirundo hebben gemaakt, is dat zij ingingen op provocaties van andere partijen’. De schrik zit er bij internationale waarnemers in dat de jeugd wordt klaargestoomd voor geweld. Als CNDD-FDD verliest, zouden de Imbonerakure bijvoorbeeld verwarring kunnen zaaien, tijdens of na de stembusgang, zegt politoloog Julien Nimubona van de Université du Burundi, en zo de partij in het zadel houden, door kiesfraude mogelijk te maken. Sowieso vaart de regeringspartij misschien wel bij al die schermutselingen. Die kunnen immers kiezers bang maken en zo hun stemgedrag beïnvloeden. Hetzelfde effect hebben al die geruchten die de ronde doen over bewapening en training van partijjongeren.

Beroep: ideoloog


Maar het zou oneerlijk zijn alleen de partij van president Nkurunziza met de vinger na te wijzen. De oppositie laat zich evenmin onbetuigd. ‘Wij hebben onze jeugd inderdaad gevraagd zo’n afdeling op te richten’, zegt Frodebu-kopman en presidentskandidaat Domitien Ndayizeye. ‘Niet om de confrontatie op te zoeken, maar om de Imbonerakure te ontraden. Wij hebben ook joggings en sports de masse georganiseerd. Dat heeft zijn vruchten afgeworpen, want daarna zijn de manifestaties, joggings en trainingen van Imbonerakure sterk afgenomen. Drie maanden geleden waren er bijna elke dag incidenten, vooral met de FNL en veel minder met onze jongeren, maar intussen is het veel rustiger geworden.’
De FNL heeft dan weer een veel langere traditie in jeugdactivisme. Sommige partijleden vertellen mij onomwonden hoe de ‘veel mobielere’ en ‘veel overtuigendere’ jongeren ingezet worden om stemmen te ronselen. ‘Per avenue hebben wij een ideoloog’, zegt een propagandist van de FNL. ‘Wij zoeken meestal een jongere die toch enige scholing heeft gehad en die weet wie er in zijn straat twijfelt of wie onze partij slechtgezind is. Bij andersdenkenden gaat hij aan huis. Hij maakt zich nooit bekend als FNL-militant, maar praat over koetjes en kalfjes, over de prijs van een Coca-Cola tegenover tien jaar geleden, over gestegen brandstofprijzen en duurdere buskaartjes. Welke partij zou het tij kunnen keren? vraagt hij dan langs zijn neus weg. Merkt hij dat er geen schot in de zaak komt, dan vertrekt hij in peis en vree.’

Rebel zonder naam


De grote werkloosheid en de littekens van een wrede oorlog maken jongeren erg kwetsbaar, zegt Jean Jacques Nyenimigabo, minister van Jeugd, Sport en Cultuur. ‘Ik ben bevoegd voor ongeletterde en ongeschoolde jeugd, straatkinderen, oorlogsinvaliden, ex-kindsoldaten en gedemobiliseerden. Deze jongeren zijn een tikkende tijdbom. Iemand die drie dagen geen eten krijgt, gaat zelf eten zoeken, met geweld. Niet alle wapens zijn ingeleverd, dus je hoeft er maar een op te diepen en je zet het tegen iemands hoofd, om die wat geld of een gsm afhandig te maken.’
In een land waar negentig procent van de mensen van de landbouw leeft, de overheid de grootste werkgever is in de formele economie en industrie nagenoeg onbestaande is, kampt de jeugd met een torenhoge werkloosheid. De Burundese 18- tot 35-jarigen maken zestig procent van de Burundese bevolking uit. Partijjongeren, zelfs academici zonder werk, zijn vooral op zoek naar postjes of kortetermijnwinst. ‘Zelfs wie wil vegen in een overheidsgebouw heeft een partijkaart nodig’, zegt een van de jongeren.
Alle partijen putten uit dit reservoir van desperado’s, bevestigt ook Bertin, een ongeletterde maar erg lucide kindsoldaat. Zijn verhaal is schrijnend. ‘Toen de FNL de rebellie opgaf en zijn oud-strijders mocht herplaatsen in politie en leger, heb ik mijn naam moeten afgeven aan iemand anders, die niet gevochten had, maar wel een diploma kon voorleggen. Het FNL had officieren nodig voor het leger en er waren te weinig hoogopgeleiden. Toen heeft men mij dus gewoonweg mijn naam afgepakt en niets in ruil gegeven. Vandaag sta ik nergens. Met mijn verleden hoef ik nergens anders te gaan aankloppen. Ik ben lid gebleven van de FNL, als jongere van de partij, omdat ik mij zo enigszins veilig voel. Maar net als wij tijdens de burgeroorlog werden vooruitgestuurd op verkenningsmissies, om voedsel te zoeken of een tegenstander uit te schakelen, worden wij nu gebruikt door de partij.’

Hutu tegen hutu


Jongeren als Bertin zien geen alternatief. Anderen doen het voor werk of zelfs voor een schamel geldbedrag. Of zij laten zich meeslepen door alcohol en drugs. Hoe verklaar je anders dat onbekenden in de provincie Gitega een partijlokaal van de partij MSD met menselijke uitwerpselen hebben besmeurd? ‘Hoe gaat dat in zijn werk? Je geeft enkele gasten te eten en je bestelt een krat Primus’, zegt een insider uit de service de documentation, de Burundese inlichtingendienst. Imbonerakure zouden ook door de geheime dienst ‘begeleid’ worden, gaan de geruchten. ‘Daarna stop je die gasten vijf of tienduizend francs burundais toe en dan lukt het wel. Of dacht je dat iemand in nuchtere toestand kak wil gaan uitsmeren over een partijlokaal?’
Zal het gros van de jeugd echter bereid zijn om elkaar na jaren burgeroorlog opnieuw met stenen, stokken, schoffels en machetes af te maken? Veel jongeren zijn immers niet meer geïnteresseerd in politiek en vinden vandaag hun gading in vredelievende jeugdbewegingen of studentenclubs, zoals Emelyne Nkurunziza, rechtenstudente in Ngozi. ‘Als ik niet met vrienden uitga, speel ik basketbal of dans ik salsa in een club. Wist je dat er een hele nieuwe salsarage is overgewaaid uit Bujumbura?’ Als er al een nieuw conflict uitbreekt, dan zal het zeker niet draaien om etnie. De tijd dat Burundese Hutu’s zakten voor hun examen omdat een Tutsi-leerkracht naast hun overhoring een “U” schreef en geen “I”, is lang voorbij.
Zelfs Gordien, partijjongere van Frodebu in Kinama, denkt dat het straks wel losloopt. ‘Onze leiders hebben ons destijds bedrogen. Wij moesten onze broeders uitmoorden omdat zij Tutsi waren en nu zien wij dat alle rijke Hutu’s en Tutsi’s gezellig samenwonen in de dure wijken van Bujumbura. Denk jij dan echt dat wij nu nog elkaar de schedel gaan inslaan omdat die zelfde leiders ons dat vragen?’

Amahoro


In de heuvels van Kirundo, tussen de bananenbomen, het gemekker van een geit die met haar poot verstrikt zit in haar leiband en het oorverdovend gekwetter van gele vogeltjes, lijkt politiek een ver-van-mijn-bedshow. ‘Ik volg het wel, via de radio, maar het interesseert mij maar matig’, zegt boerin Philotte, vijfentwintig en pas getrouwd. ‘Ik heb geen diploma, dus ik moet niet rekenen op een aanlokkelijk baantje. Al wat ik wil is vrede en een gunstig klimaat om te boeren.’
Waar haar broers naartoe zijn? ‘Naar de mis. Zij zingen in het kerkkoor.’ Op de conflicten tussen partijjongeren in Kirundo is ze redelijk gerust. ‘Jongeren laten zich niet zo makkelijk manipuleren. Het gebeurt, maar dat zijn vaak gasten die van niks weten en zich in een vlaag van dwaasheid laten inpakken door de praatjes van een chef de quartier. Door de band hebben jongeren hier begrepen dat openlijk politiek belijden meer problemen geeft dan apolitiek blijven.’
Philotte is nog goed af. Bij haar man in Vumbi zal zij geen last meer hebben van droogtes en heeft zij een aardig stuk grond. Maar desperado’s zijn hier genoeg, zo merken we in de gevangenis van Kirundo, de hoofdstad van de gelijknamige provincie. In de hal zitten jongemannen te wachten op hun verhoor. Het enige licht in de door vuil bruin uitgeslagen gangen komt van de zon. Er hangt een scherpe urinegeur.
Na enkele plichtplegingen gaat een politieagent ons voor en opent het hek naar een kleine ‘patio’, met eromheen open deurgaten afgesloten door een hek. Ze zitten op slot met handboeien en als je naar boven kijkt, zie je prikkeldraad en zwermen wespen die hun nesten maken tegen het plafond van dit cachot. Enkele vrouwen zitten gehurkt op de vuile grond, terwijl blote mannentorso’s en bezwete armen door het hek puilen.

Bananendief


Een jongen van amper vijftien –vanaf die leeftijd word je als meerderjarige berecht– zit in de cel omdat hij volgens de politie enkele kookpotten heeft gestolen. Omdat het vol avec infraction is, dreigt hij minstens vijf jaar te krijgen. Viviane, een andere gedetineerde, heeft een tros bananen gestolen. ‘Ik had honger’, zegt ze, trillend als een bang katje, de handen gewikkeld in haar gescheurde omslagdoek.
Zij mag van de commissaris de gevangenis verlaten, in afwachting van haar proces, en wij bieden haar een lift aan. Zij woont in een heuvel op minstens een uur rijden. Amédée, een agronoom van een Burundese ngo en partner van Broederlijk Delen, zal ons begeleiden. ‘Misschien kunnen jullie haar wat geld geven, waarmee ze maniok kan kopen uit Rwanda en die aan de man brengen op de markt.’ Maar aangekomen bij haar huis, blijkt het geven van geldelijke steun ingewikkelder dan gedacht.
De ontrouwe echtgenoot die na het horen van onze komst dronken komt aanlopen, zal haar bestelen als wij haar in zijn bijzijn geld geven. Het aan de moeder geven gaat ook niet, want haar vader is boos dat zij niet officieel getrouwd is en hij dus nooit een bruidschat heeft gekregen. De buurvrouw wil haar kwaad, om een onduidelijke reden, maar dat zij Hutu is, zou er niet vreemd aan zijn. Tot overmaat van ramp heeft zij als teruggekeerde vluchtelinge geen eigen grond om te bewerken.

Uwanka agakura, abaga umutavu


Plots krijgen de woorden van Denis Karera, voorzitter van de Nationale Jeugdraad, een zekere waarachtigheid. De man, met onmiskenbare regeringssympathieën, had ons diets gemaakt dat niet alle geweld tussen Burundese jongeren politiek getint is. ‘Soms gaat het om afrekeningen, wraakacties of simpelweg vetes tussen familieleden. Burundi is zo arm en dicht bevolkt dat zelfs broers elkaar naar het leven kunnen staan, alleen om het kleine lapje familiegrond niet nog eens te moeten verdelen.’
In een land met 300 inwoners per vierkante kilometer wachten de jeugd vandaag dus veel grotere uitdagingen dan de uitwassen van deze of gene politieke partij. Hopelijk blijft het straks bij enkele incidenten, maar laat die zelfde jeugd op een andere manier van zich horen. Want niemand koestert veel illusies over de verkiezingsbeloften die nu gedaan zijn over banen voor jongeren. ‘Nu vrijt men ons op om stemmen binnen te halen’, zegt Steven Sogo, een opkomend muziektalent uit Burundi, ‘maar na de verkiezingen laat men ons vallen.
In Kirundi is er een spreekwoord dat zegt: ‘Uwanka agakura, abaga umutavu. Wil je dat een geit niet kan groeien, dan moet je ze in de kiem smoren. Wie niet wil dat de jeugd haar talenten ontwikkelt, moet de jeugd negeren. Daar komt het eigenlijk op neer. Wij zijn hier, wij willen studeren, sporten en werken, maar zij die bovenaan staan, negeren ons. Het is niet echt een vrolijk gezegde, maar ik zie het als een oproep tot revolutie! Wij zullen het zelf moeten doen.’

Volwassenen Niet Toegelaten


Zelfs voor het uitroepen van de republiek in 1966 schakelden de Burundese koningen jongeren in om hun macht veilig te stellen.
Na de onafhankelijkheid in 1962 voerde de jongerenmilitie van de Tutsi-partij Uprona, de JRR of Jeunesse Révolutionnaire Rwagasore, een waar schrikbewind. Tijdens de massamoorden van 1972 slachtten de jongeren van de JRR samen met Zaïrese para’s hun Hutu-landgenoten af, tot op de schoolbanken toe. Ook tijdens de burgeroorlog die in 1993 uitbrak na de moord op Burundi’s eerste Hutu-president Ndadaye, speelden jongerenmilities een belangrijke rol.
Vredesakkoorden hebben de politieke macht van de Tutsi-minderheid veiliggesteld. Tutsi’s kunnen sowieso rekenen op veertig procent van de ministersposten en parlementszetels. De resterende zestig procent zijn sowieso voor Hutu’s. Die verdeelsleutel verklaart ook waarom vooral de partijen met overwegend Hutu-aanhang onderling verbeten strijd leveren, want zij alleen kunnen de meerderheid behalen in het politiek halfrond.
De jongeren van de meerderheidspartij CNDD-FDD zijn numeriek in de meerderheid. Volgens de voorzitter van de jongerenafdeling is ieder partijlid van CNDD-FDD tussen achttien en veertig jaar ‘sowieso lid van Imbonerakure’. Toch kun je deze Imbonerakure niet vergelijken met de JRR van weleer. Alle grote partijen hebben trouwens hun eigen jeugdbeweging opgericht.
De ergste uitwassen hebben geleid tot verontwaardiging in binnen- en buitenland en intussen is het geweld zeer sterk afgenomen.
Burundese jeugdbewegingen hebben trouwens zelf, met onder meer steun van 11.11.11., een gedragscode voor jongeren opgesteld, in de aanloop naar de verkiezingen. Burundi kent een levendig middenveld en organisaties zoals het Centre Jeunes de Kamenge zijn er altijd in geslaagd jongeren samen te laten musiceren, voetballen of studeren, ongeacht hun etnische komaf of politieke voorkeur.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift