Guantanamo ligt in Ivoorkust

Ex-milities aan de vooravond van verkiezingen

Sinds het begin van het gewapend conflict in Ivoorkust in 2002 hebben allerhande informele strijdkrachten en jeugdmilities zichzelf steeds opnieuw uitgevonden. Het ziet er naar uit dat ze dat ook na de presidentsverkiezingen van 31 oktober zullen blijven doen.

‘We hebben het front achter ons gelaten. We hebben niets te eten. We zijn aan ons lot overgelaten. Enkel dit water, bron van leven, door God geschonken, behoedt ons voor ziekte. Dus, als een vreemdeling ons vereert met een bezoek, moeten we hem zegenen met dit water hier.’ Aan het woord is Tiémoko Aimé Amour, sergeant in de Groupe des Patriotes pour la Paix (GPP), een van de grootste milities met basis in de Ivoriaanse stad Abidjan.

Sinds 2005 resideert Tiémoko in het kamp Guantanamo –het enig overgebleven GPP-kamp nadat al de overige door het leger zijn ontruimd. Guantanamo is een monumentale betonnen ruwbouw die in de jaren zeventig is aangevat maar nooit afgewerkt. Vijf etages van verweerd beton kijken uit over Yopougon, de grootste van de tien gemeenten die samen de hoofdstedelijke agglomeratie Abidjan vormen. “Yop” is ook een belangrijke uitvalsbasis van het Front Populaire Ivoirien (FPI), de partij van regerend president Laurent Gbagbo. Het is een bolwerk van pro-presidentieel activisme, waarvan een deel zich aan de grens van de georkestreerde partijpolitiek afspeelt.

Aan de buitengrens daarvan situeren zich de jeugdmilities die in 2002 tot stand kwamen na oproepen om de president te steunen in zijn gewapende strijd tegen de rebellen die vanuit het noorden opereerden. Al gauw echter gingen de zuidelijke milities een eigen leven leiden, richtten eigen trainingskampen op, hieven taksen en tolgelden, en eisten op de koop toe erkenning voor hun patriottische prestaties. Dat alles was niet naar de zin van de president, en later ook niet van de rebellenleiders met wie hij in 2007 een vredesakkoord sloot. De milities werden steeds verder opzij geschoven. Waar ze zich verzetten en schuilhielden, werden ze verjaagd en uiteen gedreven. Tot enkel Guantanamo overbleef.

Plengoffer voor een betere toekomst

Tiémoko ontvangt ons voor het eerst in maart 2009. Hij introduceert zich als dorpschef van het kamp en stelt meteen voor een plengoffer te brengen (‘We gaan het verleden en de doden oproepen, dat moeten we markeren.’) We begeven ons daarvoor naar een plek waar het leven van Guantanamo letterlijk ontspringt: een (lekkende) kraan die is aangesloten op de hoofdleiding die Yopougon van water voorziet. Guantanamo ontbeert elektriciteit maar beschikt dankzij wat graaf- en laswerk over een waterbron die nooit droogvalt. Meer nog: omdat ze constant lekt, voedt ze een mini-oase in een voorts desolate afspanning –een plekje hoop in de schaduw van Guantanamo. Tiémoko besluit zijn libatie met oproepen aan de Ivoriaanse overheid en de top van de Abidjanese milities. ‘De overheid moet nu aan ons denken. Het is al vijf jaar dat we afzien. We hebben nooit een salaris ontvangen. Velen zijn gesneuveld aan het front, hun ziel ruste in vrede. Beste broeder, ik ga plengen op de naam en in naam van alle militiecommandanten, opdat we terug naar huis kunnen en in het leger worden ingelijfd.’

De neergang van de ex-strijders

Zowat een jaar later, in maart 2010, ontmoeten we Tiémoko opnieuw in Guantanamo, dat ondertussen nog is aangegroeid ondanks het feit dat de GPP officieel volledig gedemobiliseerd is. Naar schatting veertig families, jonge koppels vaak met enkele kinderen, betrekken een stukje van het gebouw. Ze hebben hun slaapkamers met een deur of doek afgebakend. De centrale ruimtes, vaak zonder balkon of afrastering, doen dienst als leefkeuken. Meer dan vorig jaar zijn de lofts van Guantanamo bedekt met tags, graffiti en vooral veel tekst: van telefoonnummers tot bijbelcitaten. Zo is het betonnen karkas van Yop nog een stukje meer “Guantanamo” geworden.

‘Bij Guantanamo denken we niet zozeer aan de gevangenis van de Amerikanen, maar aan een versterkte burcht, een plaats waar we veilig zijn’, zegt Le Lynx, GPP-lid en sinds twee jaar kampbewoner. Daarmee bedoelt Le Lynx dat we niet angstvallig op zoek moeten naar letterlijke overeenkomsten tussen de twee Guantanamo’s. Sinds enkele decennia is het gebruikelijk dat jongeren de zones van hun activisme hernoemen naar wereldberoemde brandhaarden –Beiroet, Kivu, Kwazulu en Kosovo waren in de jaren negentig courante bijnamen voor universitaire campussen of studentenresidenties. Guantanamo laat zien hoe strijdbare jongeren in Ivoorkust lokale geborgenheid zoeken in globaal geweld. De nestwarmte van het grootstedelijke Guantanamo wordt uitgedrukt in rurale en traditionele termen van voorouders en van plengoffers uitgevoerd door plaatselijke notabelen –“dorpsoversten” zoals Tiémoko.

De stemming in Guantanamo is meer ambigu dan in 2009: berusting en verbetenheid wisselen elkaar af. Tiemoko’s smeekbede is slechts gedeeltelijk verhoord. De Ivoriaanse overheid heeft met steun van internationale donoren het demobilisatie- en reïntegratieproces van de Abidjanese milities veeleer afgehaspeld dan afgewerkt. Van de 17.000 jongeren die zich vorig jaar hadden gemeld als lid van een of andere militie zijn er 13.000 officieel erkend. In ruil voor hun wapens, legeruitrusting en 3,5 euro zakgeld, kregen ze een kaart van ex-combattant waarmee ze zich konden aanmelden voor een of andere beroepsopleiding –loodgieterij, druktechnieken…– aangevuld met een cursus burgerschap, waarin thema’s als democratie, verdraagzaamheid en mensenrechten aan bod kwamen. Maar niet alleen de 4000 gewraakte militieleden hebben reden tot klagen. De opleidingen zijn kort, nooit meer dan drie maand, waarna men de straat wordt opgestuurd met een certificaat en een kit (een gereedschapskist). Ex-GPP-strijder L’Inquiéteur doet ons een nogal typisch relaas van wat er daarna volgt: ‘Snel na mijn beroepsopleiding in 2009 verkocht ik mijn loodgieterskit aan een Libanese handelaar. Ik kreeg 120.000 CFA (een kleine 200 euro), waarvan ik 100.000 CFA meteen aan mijn moeder gaf. Sinds mijn aansluiting bij de GPP in 2003 had ik haar niets meer kunnen toestoppen. Ze is oud en ziek en kan het geld goed gebruiken. Ik zoek wel een andere job.’ Het besef dat de Ivoriaanse regering en de internationale gemeenschap het op het vlak van herintegratie daarbij zullen laten, stemt de ex-militieleden somber. Velen blijven echter hopen op de beloofde demobiliseringspremie van 500.000 CFA (pakweg 900 Euro). Het aantal protestacties om de regering aan die belofte te herinneren neemt toe naarmate de verkiezingen naderen. An

‘Guantanamo’ laat zien hoe strijdbare jongeren in Ivoorkust lokale geborgenheid zoeken in globaal geweld.’
zijds lijken de pro-presidentiële partijen de uitgestelde betaling als drukkingsmiddel te hanteren om de stemmen van de ex-militieleden voor zich te winnen.

Specifieke vaardigheden

Het lijkt er niet op dat de Ivoriaanse overheid en internationale spelers zoals de Wereldbank of het VN-Ontwikkelinsgprogramma (UNDP) de herintegratie van ex-strijders prioritair vinden. Afgezien van gebrekkige terreinkennis en een tekort aan strategisch inzicht in het functioneren van de milities, hun leiders en hun patroons, ontbreekt het ook aan duidelijke ideeën over wat die integratie moet inhouden.

Toen acht jaar geleden het gewapend conflict uitbrak lieten tienduizenden jongeren zich aanstonds mobiliseren. Voor kansarme jongeren was deelnemen aan het conflict een gouden gelegenheid om nieuwe vaardigheden te leren en nieuwe netwerken uit te bouwen –zowel in de breedte (met andere miliciens) als in de hoogte (met nieuwe patroons). Die patroons waren hooggeplaatsen uit het leger, de politiek, de administratie of zelfs het bedrijfsleven die eigen middelen of staatsmiddelen aanwendden om milities op de been te brengen. Slechts gedurende enkele maanden vochten de milities aan het front, om en rond de demarcatielijn die het zuiden van het noordelijke rebellengebied scheidde. Daarna plooiden ze grotendeels op Abidjan terug, waar ze vooral een propagandistische rol vervulden: hun driloefeningen door de straten van Abidjan moesten het moreel van de loyalisten hoog houden en rebellen-sympathisanten afschrikken. In dat verband namen de milities ook zekere intelligence-taken op zich, zoals het identificeren (of alleszins beschuldigen) van rebellen-aanhangers door verdachte activiteiten te schaduwen.

In ruil voor al dit fraais werd de militieleden een plaatsje in het reguliere leger beloofd. In een land waar de helft van de actieve bevolking werkloos is, betekent dat heel wat –een vast inkomen en maatschappelijk aanzien. De verwachtingen werden in de loop der tijd echter stelselmatig afgebroken, toen bleek dat de eigengereide milities het vredesproces belemmerden. Wat overbleef, waren de (horizontale) netwerken van de miliciens, alsook hun specifieke vaardigheden: het hanteren van wapens, guerrilla- en intelligence-technieken en eventueel wat tactieken van mob control. Daarmee word je ook in Afrika niet meteen een succesvol banketbakker of loketbediende. Maar in een post-conflictmaatschappij als die in Ivoorkust bieden die competenties toch flink wat doorgroeikansen. Daarmee is natuurlijk de kous niet af. Een aanzienlijke groep ex-strijders onderneemt vaak uitzichtloze pogingen om in de meer mainstream beroepssfeer van handel, artisanaat en administratie terecht te komen. Nog een andere kleine groep begeeft zich in meer creatieve en artistieke sferen. Sommigen wagen zich aan plastische kunst, anderen proberen een zang- of schrijverscarrière. Maar in vele gevallen komen ex-militieleden toch terecht in sectoren waarin geweld zijn plaats heeft.

Ex-milicien zkt. job

Guantanamo toont ons het soort post-conflictherintegratie dat de ex-miliciens sedert enkele jaren voor zichzelf organiseren: ze vormen brede netwerken die zich over grote delen van de stad uitstrekken. Daarbinnen ontstaan kernen die al dan niet samen huizen en die het soort klussen opknappen waarmee ze hun nieuwe vaardigheden ten gelde kunnen maken. Ad hoc groepjes zijn inhuurbaar voor paramilitaire en commando-opdrachten van uiteenlopende aard. In een stad en land waar grondschaarste aan de orde van de dag is, is het verdrijven van zogenaamde allochtonen uit een woonwijk of landbouwgebied een frequente soort opdracht. Iets minder delinquent is de tewerkstelling van ex-strijders als lijfwachten of bewakingsagenten in de veiligheidssector. 

Belangrijke afnemers van bewakingsdiensten zijn politici. Zij richten zich vaak rechtstreeks tot de netwerken van ex-strijders waarvoor ze voorheen soms als patroons fungeerden. De behoeften van politici kunnen zo clandestien zijn als het afdreigen van collega-politici of zo legitiem als de beveiliging van politieke meetings. Andere activiteiten van de ex-strijders zijn in niets te onderscheiden van de normale, vredelievende civiele maatschappij: het organiseren, promoten of simpelweg bevolken van betogingen of verkiezingsmeetings.

Brutalisering of populisme?

Sinds de invoering van het meerpartijensysteem in 1990 heeft de democratie in Ivoorkust diepe transformaties ondergaan die qua populistisch gehalte niet wezenlijk verschillen van wat zich in westerse democratieën afspeelt. Net als daar stijgt de impact van de verschillende massamedia en nieuwe media. In Ivoorkust komen daar ook de medias de proximité bij: vormen van samenscholing, opinievorming en mobilisatie die mensen dicht op de huid zitten. De laatste tien jaar schoten in Abidjan de volksparlementen als paddenstoelen uit de grond. Op een gegeven moment telde Yopougon alleen al 21 dergelijke sites. Hun vergaderingen lokken tot 1500 toehoorders, die worden onderhouden over de actuele politieke situatie. De bevlogen en retorisch vaardige oratoren van dienst noemen zichzelf politiek analist of professor. Terwijl de volksparlementen vooral een pro-presidentiële stem lieten horen, ontwikkelde de tegenpartij een meer kleinschalig en verborgen vorm van politieke mobilisatie in de gedaante van de grins. Best vertaald als theekiosken sluiten grins aan bij een traditie die overal in de geïslamiseerde delen van West-Afrika voorkomt. In de handen van propagandisten hebben de grins in Ivoorkust een politieke herbestemming gekregen.

Het is in deze nieuwe vormen van populisme dat de Abidjanese ex-militieleden hun competenties kunnen verzilveren: als volksmenners bijvoorbeeld, met woorden als het kan, met geweld als het moet. Ten dienste van bepaalde politici maar evengoed tegen hen als het zo uitkomt, soms met veel publiek vertoon maar desgevallend met slagen onder de gordel. In deze nieuwe topografie van democratische actie vormt Guantanamo zowel een uitvalsbasis voor gewelddadige politieke arbeid als een schuilplaats tegen brutale miskenning.

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos voor Bijzondere Journalistieke Projecten, www.fondspascaldecroos.be

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift