Susana Baca: ‘Ik zal een zingende minister zijn’

In juli werd Susana Baca door de nieuwe links-liberale president van Peru, Ollanta Humala, tot minister van Cultuur gebombardeerd. Verrassend, want de zangeres, die met de hulp van Talking Head David Byrne een internationale carrière uitbouwde en in 2002 een Grammy kreeg, behoort tot de Afro-Peruaanse minderheidscultuur en heeft volstrekt geen politieke ervaring. Een visie heeft ze wèl: ‘Een volk kan zich pas emanciperen, als het afrekent met zijn schaamte en angst.’

Toen Susana Baca de la Collina het op haar zevenenzestigste tot allereerste Peruaanse minister van Afrikaanse oorsprong schopte, stond ze er zelf nog het meest van te kijken. De artieste, die zingt ‘om pijn te verzachten en de dood te overwinnen’, is immers van bescheiden afkomst en behoort tot een bevolkingsgroep die al eeuwenlang het mikpunt is van racisme en discriminatie. Naar schatting zeven tot tien procent van de 29 miljoen Peruanen is van Afrikaanse origine, maar exacte cijfers zijn niet beschikbaar. ‘Mijn land is een smeltkroes van blanken, zwarten, Andinos en Chinezen’, zegt Baca. ‘Hun bloed raakte in de loop der eeuwen zo vaak vermengd dat raszuiverheid bij ons sowieso een voorbijgestreefd begrip is.’

Culturele ambassadrice

Ollanta Humala, een voormalige legergeneraal die zich aanvankelijk spiegelde aan de Venezolaanse leider Chávez, maar onder invloed van de Braziliaanse ex-president Lula nu een meer gematigde koers vaart, wist met zijn recente campagne tegen sociale uitsluiting blijkbaar een gevoelige snaar te raken: zijn partij, Gana Peru, is met 46 van de 130 beschikbare zetel, momenteel zelfs de grootste in het nationale parlement.

Susana Baca stond net op het punt in de VS haar jongste cd Afrodiaspora te gaan promoten, toen de president haar een ministerpost in zijn regering aanbood. Een slimme pr-stunt, zeggen sommigen. Want Baca is niet alleen in haar thuisland erg populair, ook buiten de grenzen geldt ze al jaren als de belangrijkste culturele ambassadrice van (zwart) Peru. Tijdens de jongste twee decennia heeft ze, haast helemaal in haar eentje, het cultuurpatrimonium van haar gemarginaliseerde volk uit de vergetelheid gered.

Rijke blanken, gekleurde armen

Susana Baca groeide op in een armoedig vissersdorp ten zuiden van Lima, en is een verre afstammelinge van de Afrikaanse slaven die in de zestiende eeuw door de conquistadores massaal naar de nieuwe wereld werden verscheept. In 1854 werd de slavernij in Peru weliswaar afgeschaft, maar de zwarten bleven een achtergestelde bevolkingsgroep. Al hun culturele tradities werden door de blanke machthebbers als minderwaardig beschouwd. Zo werden dansen als de lando, de tondero, de festijo of de alcatraz, waarmee Afro-Peruanen zowel uiting gaven aan hun vreugde als hun verdriet, in de ban gedaan wegens “te obsceen”.

‘Als kind werd ik me al gauw bewust van de relatie tussen huidkleur en sociale klasse’, zegt Baca. ‘In Peru waren alle rijken blank, alle armen gekleurd.’ Zwarte muzikanten konden zich bijvoorbeeld geen echte instrumenten veroorloven en moesten zich behelpen met goedkope percussietuigen, zoals de quijade de burro, een rammelaar gemaakt van ezelskaakbeen, of de cajón, een houten kist waar voedingsmiddelen in werden verpakt en waar je ook op kon roffelen.’

De vernederingen meer dan beu, hadden de meeste negros tegen het begin van de twintigste eeuw zo goed als alles wat hen herinnerde aan hun Afrikaanse oorsprong verdrongen, bewust of onbewust. Het leek alsof ze hun geheugen doelbewust hadden uitgewist. Orale tradities werden overboord gegooid, waardoor jonge generaties Afro-Peruanen het gevoel kregen in een cultureel vacuüm op te groeien.

‘De onderliggende boodschap was: we zijn een volk zonder geschiedenis’, zegt Susana Baca. ‘Dat werkte verlammend, leidde tot moedeloosheid en passiviteit. Doordat hen het etiket van tweederangsburger werd opgekleefd, kregen heel wat zwarten complexen over hun ras en afkomst. Wie zich minderwaardig voelt, legt per definitie weinig daadkracht en doorzettingsvermogen aan de dag en zal minder geneigd zijn zijn talenten voluit te ontwikkelen. Terwijl dat juist onontbeerlijk is om je maatschappelijke situatie te verbeteren. Je beseft pas wie je bent en waartoe je in staat bent, als je weet waar je vandaan komt.’

Cultureel erfgoed

Al tijdens haar adolescentie kwam Baca spontaan in opstand tegen de overwegend negatieve stereotiepe eigenschappen die door de Peruaanse elite aan haar volk werden toegedicht. Dus besloot ze er, na haar studies in de pedagogie, alles aan te doen om de laatste overblijfselen van het Afro-Peruaanse culturele erfgoed voor het nageslacht vast te leggen, vóór ze definitief waren uitgevlakt.

Gewapend met blocnote en bandopnemer doorkruiste ze jarenlang haar land, op zoek naar vergeten ritmen, dansbewegingen, verhalen en volkswijsjes. Wat ze optekende uit de mond van hoogbejaarden, zou het vertrekpunt vormen van een grootscheeps historisch en musicologisch onderzoek. ‘Ook ík was op zoek naar mijn culturele identiteit’, bekent de zangeres. ‘En onze tradities houden ons nu eenmaal een spiegel voor. Ze werpen een licht op wie we zijn.’

Alle gegevens die Susana Baca verzamelde, dienden te worden gearchiveerd zodat ze naar toekomstige generaties konden worden uitgedragen. Daartoe richtte Baca in de vroege jaren negentig –samen met haar echtgenoot, de socioloog Ricardo Pereira– het Instituto Negrocontinuo op: een cultureel centrum met een bibliotheek, een studio en seminarieruimten.

Baca: ‘Kennis bevordert het zelfvertrouwen. Ik wilde de Afro-Peruanen tonen dat ze niet de wilden of het uitschot waren waar ze zo vaak voor werden versleten. Dank zij grondige research kon ik nu bewijzen dat mijn gemeenschap wel degelijk had bijgedragen tot de ontwikkeling van de natie, ook op gastronomisch vlak. Het werd dan ook hoog tijd dat we het trauma van de slavernij voorgoed van ons af gooiden en een gevoel van trots en eigenwaarde begonnen te ontwikkelen.’

Met de opbrengst van haar buitenlandse concerttournees betaalde Baca docenten om in haar Instituut kansarmen te onderwijzen. Eén en ander bracht geleidelijk een culturele renaissance en een emancipatiegolf teweeg. ‘Veel jongeren die het Afro-Peruaanse patrimonium ontdekken, willen ermee aan de slag en creëren nieuwe mengvormen. Wat puristen ook mogen beweren, volgens mij is dat de beste garantie om folkloristische tradities levend te houden.’

Zelf vindt Baca dat ze een dubbele strijd heeft moeten voeren: als negra en als vrouw. ‘Ik ben grootgebracht in een machocultuur. In het Peru van de jaren zestig was het voor een vrouw haast ondenkbaar een artistiek beroep te kiezen. De sociale status van een zangeres was vergelijkbaar met die van een straatmadelief. Toen ik wilde gaan zingen, stuitte ik dus meteen op het veto van mijn vader, een vrachtwagenchauffeur die nota bene zelf muziek maakte. Vrouwen werden verondersteld thuis te blijven en voor de kinderen te zorgen. Moeder steunde me wèl, maar ook zij was er zich van bewust dat de meeste kunstenaars in bittere armoede leefden. Ze stond erop dat ik iets zou leren dat nuttiger was dan zingen en stuurde me naar de universiteit, ook al vergde dat grote financiële offers. Dankzij haar heb ik altijd mijn eigen beslissingen kunnen nemen.’

In de sporen van Blades en Gil

Toen Susana Baca het aanbod kreeg minister te worden, vond ze het haar morele plicht erop in te gaan. ‘Ik vind het een eer mijn land te mogen dienen. Vooral omdat Afro-Peruvianen nog niet zo lang geleden letterlijk onzichtbaar waren. Jammer dat moeder, die heel haar leven heeft moeten knokken om te overleven, deze vorm van erkenning niet meer mag meemaken. Ik heb nu iets bereikt dat door de meeste van mijn volksgenoten totaal onmogelijk werd geacht.’

Door tot de regering-Humala toe te treden, drukt Susana Baca de voetsporen van andere Latijns-Afrikaanse singer-songwriters, zoals de Panamese advocaat en ex-presidentskandidaat Rubén Blades die in 2004 minister van Toerisme werd in het kabinet van president Torrijos, en de Braziliaanse ster Gilberto Gil, die onder Lula de portefeuille voor Cultuur beheerde. Toen ik Baca enkele jaren geleden vroeg of ze ooit had overwogen zelf in de politiek te gaan, antwoordde ze dat haar kijk op de samenleving daar niet voldoende helder voor was. Ze hield ook niet van het radicalisme en het zwart-witdiscours van de meeste politici. ‘Een politieke uitspraak ben je zo weer vergeten, maar de schoonheid en de nuance van poëzie draag je je hele leven mee.’

Wat haar nu toch over de streep heeft getrokken? ‘Peru is een van de snelst groeiende economieën ter wereld. Maar het racisme, de vooroordelen, de discriminatie en de culturele ongelijkheid, waar zowel de Peruaanse zwarten als de oorspronkelijke inheemse bevolking nog dagelijks mee te maken krijgen, zijn een democratisch land onwaardig. Ik wil mijn landgenoten doen inzien dat culturele diversiteit geen handicap maar een rijkdom is. Ik besef dat ik voor een enorme uitdaging sta, maar aangezien ik ervan overtuigd ben dat de minderheden absoluut een actievere politieke rol moeten gaan spelen, ben ik vastbesloten een verschil te maken.’

‘Kunst en cultuur mogen niet het voorrecht zijn van de welgestelde middenklasse. Ik zal initiatieven nemen die ervoor zorgen dat iedereen eraan kan participeren. Of ik van plan ben mijn muzikale carrière nu op te geven? Neen, ik zal een zingende minister zijn. Het wordt een moeilijke evenwichtsoefening, maar ik heb me omringd met een briljante ploeg medewerkers die ik blindelings kan vertrouwen. Dit is een historische kans om de ongelijkheid voorgoed uit te roeien. Ik zal ze optimaal benutten.’

Bekijk vijf clips als introductie tot de muzikale wereld van Susana Baca

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift