Indiaas econoom Pankaj Ghemawat over werkgelegenheid contra extreemrechts en nationalisme

De financiële crisis van 2008 en de aanslepende economische crisis zetten de economische mondialisering onder steeds grotere druk. Pankaj Ghemawat, een internationaal gerenommeerde econoom van Indiase afkomst, vindt nochtans dat er nog heel veel ruimte is voor meer internationale integratie. Maar dan moet er wel dringend werk gemaakt worden van meer werkgelegenheid.

Pankaj Ghemawat (°1959, Jodhpur, India) doceerde vijfentwintig jaar aan de Harvard Business School, waar hij de jongste hoogleraar ooit was, en is sinds 2009 verbonden aan de IESE Business School in Barcelona. The Economist citeerde Ghemawat in zijn dossier over werkloosheid half september en Vlaams minister-president Kris Peeters verwees ook naar hem toen hij enkele jaren geleden zijn Vlaanderen in Actie lanceerde. Pankaj Ghemawat was begin september in Brussel op uitnodiging van de Europese denktank Breugel.

Zijn presentatie over Europese integratie was gebaseerd op de inzichten die hij uitschreef in zijn recentste boek, World 3.0. Global Prosperity and how to Achieve it. Met heel veel cijfermateriaal toont Ghemawat aan dat de wereld veel minder gemondialiseerd is dan voor- en tegenstanders van de mondialisering denken. Niet meer dan twee procent van alle telefoonminuten ter wereld zijn internationale gesprekken. Slechts twee procent van alle universiteitsstudenten studeert in het buitenland. Slechts drie procent van de wereldbevolking is een migrant van de eerste generatie. Slechts negen procent van alle vaste investeringen valt onder de noemer van “directe buitenlandse investeringen”. En van alle handel op de wereld is niet meer dan twintig tot dertig procent grensoverschrijdend.

Dat zijn belangrijke vaststellingen, zegt Ghemawat, omdat de voorstanders van mondialisering denken dat er nauwelijks nog winst te halen valt uit meer integratie aangezien ‘de aarde nu al plat is’ –in de woorden van Thomas Friedman. Critici, zoals de Turkse econoom Dani Rodrik, stellen dan weer dat de diepgaande economische integratie ten koste gaat van nationale soevereiniteit en van de mogelijkheid van natiestaten om zelfstandig eigen keuzes te maken. En aangezien massademocratie op dit moment alleen vormgegeven is binnen de grenzen van natiestaten, zou dat betekenen dat verregaande mondialisering niet compatibel is met het behoud of de versterking van massademocratie. Ghemawat: ‘Dat zijn belangrijke vragen, maar aangezien het niveau van economische integratie veel lager is dan algemeen wordt aangenomen, zijn ze niet echt aan de orde.’

Ook binnen de Europese Unie blijven de grenzen tussen de lidstaten heel bepalend voor de handel, zegt Ghemawat. Jean-Claude Trichet, de voorzitter van de Europese Centrale Bank, zei onlangs dat de EU bijna even geïntegreerd is als de VS. Ghemawat noemt dat ‘een schandelijke overdrijving met gevaarlijke implicaties als men het beleid op die voorstelling van zaken baseert’. Zelfs in België, zegt hij, is tachtig tot negentig procent van alle goederen en diensten die geconsumeerd worden in België geproduceerd. En België is binnen de Europese Unie de meest open economie, zowel wat import als export betreft.

Nationale grenzen spelen, met andere woorden, nog steeds een zeer grote rol in de economie, ook al stellen studies vast dat zulke grenzen de intensiteit van de handel met tweederde verminderen.

Pankaj Ghemawat: Ik heb de impact van grenzen eens berekend voor Catalonië, waar een sterke tendens leeft om onafhankelijk te worden van Spanje. Als Catalonië van de andere Spaanse regio’s gescheiden zou worden door een echte nationale grens, dan zou het bruto nationaal product met twaalf procent krimpen. Toen ik die berekeningen in 2008 voorstelde op het Vlaams Wetenschappelijk Economisch congres, was de vraag hoe die cijfers zich zouden vertalen voor een mogelijke Vlaamse onafhankelijkheid. Een berekening bleek echter onmogelijk omdat er geen gegevens over interregionale handel binnen België bestaan. Hoe kan je dan weten of het –louter economisch– een goed idee zou zijn om de scheiding aan te vragen? Toch wordt het streven naar autonomie of een aparte staat binnen Europa zowel in Catalonië als in Vlaanderen vaak in economische termen gepresenteerd. De realiteit is dat het om een culturele eis gaat, gebaseerd op –vaak historisch geworteld– wantrouwen tegenover de anderen.

Hoe kan die culturele afstand en daardoor de economische kost ervan verkleind worden?

Pankaj Ghemawat: De eerste stap is het beschikbaar en toegankelijk maken van echte, goede informatie over mensen en groepen waarover we meestal praten in termen van vooroordelen of veralgemeningen. Recent Duits mediaonderzoek bevestigt dat er veel te weinig bericht wordt over het buitenland en dat negatieve berichten bovendien tienmaal zoveel voorkomen als positief nieuws. Geen wonder dat de bevolking ervan overtuigd is dat ze zich moet afschermen van dat buitenland en de buitenlanders. Politici zouden zich in die context dan ook veel meer bewust moeten zijn van de impact van hun uitspraken.

Ik geloof ook heel sterk in investeren in meer interactie. Een initiatief als het Erasmusprogramma voor Europese hogeschoolstudenten draagt wellicht veel meer bij tot het laten ontstaan van een Europese identiteit dan veel andere en duurdere initiatieven. Zoiets kan je ook opzetten tussen regio’s die elkaar niet kennen of wantrouwen. Overigens is investeren in onderwijs op zich al een goede zaak om culturele afstand te verkleinen, want uit onderzoek blijkt dat er een positieve correlatie is tussen een hoger onderwijsniveau en minder wantrouwen tegenover buitenlanders. En het belangrijkste is wellicht ervoor te zorgen dat er zo weinig mogelijk werkloosheid is. Want bij hoge werkloosheid ontstaat altijd de neiging om een zondebok te zoeken, en vaak eindigt die zoektocht bij mensen die verschillend zijn van onszelf.

De economische crisis produceert net veel werkloosheid.

Pankaj Ghemawat: In de Verenigde Staten zijn er vandaag zeven miljoen banen minder dan in december 2007. In augustus groeide de tewerkstelling er niet, maar zelfs al zouden er vanaf nu elke maand 100.000 banen bijkomen, dan nog zou het tot eind 2017 duren eer dat tekort weggewerkt is –los van de natuurlijk aangroei van werkzoekenden intussen.

Verklaart de economische achteruitgang van de Amerikaanse middenklasse het succes van de Tea Party en haar radicale afwijzing van overheidstussenkomsten?

Pankaj Ghemawat: De voornaamste financiers behoren niet tot degenen die de voorbije twintig jaar verarmd zijn –om het zacht uit te drukken. Voor het grootste deel is de Tea Party wel een schreeuw van woede, zoals ook de Spaanse indignados hun woede over “het systeem” uitschreeuwen. De extremen raken elkaar steeds duidelijker. Een Duits onderzoek uit 2010 concludeert dat elk procent achteruitgang in economische groei correspondeert met ongeveer een procent bijkomende steun voor extreemrechtse of nationalistische partijen. Dat effect speelt nog sterker in landen met een relatief goede inkomensverdeling. Die aantrekkingskracht van rechts in tijden van economische achteruitgang en hoge werkloosheid zou de centrumpartijen er van moeten overtuigen snel en veel meer werk te maken van werkgelegenheid.

Werkgelegenheid krijgt nochtans minder prioriteit dan de redding van de banken.

Pankaj Ghemawat: Om de crisis en de werkloosheid te bestrijden, inviteerde de Spaanse premier José Zapatero eind vorig jaar de 37 grootste bedrijven voor een rondetafel. Die bedrijven zorgen voor niet meer dan vijf procent van de tewerkstelling in Spanje. De kmo-sector is veel belangrijker voor het creëren van werkgelegenheid. Ook in de Verenigde Staten ligt de klemtoon voortduren op grote plannen of innovatieve sectoren, terwijl de effecten van de overheidsinvesteringen daar veel kleiner zijn voor tewerkstelling dan wanneer gekozen wordt voor kmo’s. Weinig mensen lijken te beseffen hoe gevaarlijk de werkloosheid is voor de sociale voorzieningen die ons zo na aan het hart liggen.

Een economie zoals de Spaanse, waar 45 procent van de universitair afgestudeerden geen baan vindt, creëert uiteindelijk een samenleving waarin een heleboel mensen geen belang meer hebben bij het goede functioneren ervan. In Europa komen alle discussies en beleidsvoorstellen altijd weer terug op de Lissabon-doelstellingen die cirkelen rond innovatie. Nochtans wijst alle academisch onderzoek uit dat sneller aan jobcreatie gedaan wordt door imitatie van succesvolle voorbeelden, waardoor relatief kleine bedrijven kleine productiviteitswinsten kunnen maken.

Welk land doet het volgens u wel goed?

Pankaj Ghemawat: Singapore. Het land heeft geluk dat het deel uitmaakt van een groeiregio en dat de schaal beheersbaar is –al is een bevolking van 6,5 miljoen inwoners toch ook niet echt minuscuul. Maar Singapore heeft ook zijn etnische diversiteit moeten managen. Singapore had geen natuurlijke rijkdommen en eigenlijk ook geen echte toekomstperspectieven toen het vijftig jaar geleden onafhankelijk werd. Toch is men erin geslaagd een welvarend land op te bouwen.

Heeft dat te maken met het feit dat Singapore door Chinezen bestuurd is?

Pankaj Ghemawat: Ik ben altijd heel terughoudend als ik culturele verklaringen hoor voor economisch succes. Toen ik in de jaren zeventig opgroeide in India, was het algemeen aanvaard –ook binnen India– dat onze trage economische groei te wijten was aan het hindoeïsme en zijn veronderstelde fatalisme. Dat hoor je intussen niemand meer zeggen, nu binnen India en in het buitenland blijkt dat diezelfde hindoes uitermate succesvolle ondernemers kunnen zijn als ze niet gehinderd worden door onnodige administratieve beperkingen.

Is vrijhandel altijd de oplossing?

Pankaj Ghemawat: Alle betrouwbare onderzoek suggereert dat meer mondiale economische integratie voordelig is, ook voor ontwikkelingslanden, maar de feitelijke afwezigheid van regulering heeft de publieke steun voor die integratie opgeblazen. Marine Le Pen en haar Front National willen de crisis bezweren door de economische grenzen te sluiten en de nationale economie meer te reguleren. De businessschools geven schoorvoetend toe dat de financiële wereld misschien wel fouten gemaakt heeft, maar ze geloven alleen in een morele oproep om verantwoordelijker te handelen, zeker niet in betere regulering of controle van financiële of economische spelers. Geen van beide posities is volgens mij nuttig om uit de huidige impasse te geraken.

Sommige landen werden letterlijk onderuitgehaald door de manier waarop de mondialisering opgezet of opgelegd werd. U citeert zelf het voorbeeld van Haïti.

Pankaj Ghemawat: Haïti exporteerde dertig jaar geleden nog rijst, terwijl nu tachtig procent van het eigen rijstverbruik ingevoerd wordt. Dat is het gevolg van de opgedrongen liberalisering van de rijstmarkt in de jaren negentig. Het resultaat is weliswaar een lagere prijs voor de consument –3,80 dollar voor een kilo geïmporteerde Amerikaanse rijst tegenover 5,12 dollar voor Haïtiaanse rijst– maar ook een algemene verarming van het land. Het inkomen van de boeren –de meerderheid van de Haïtianen– is immers flink gedaald.

Is dat een argument contra mondialisering voor zwakke staten?

Pankaj Ghemawat: Het is vooral een argument pro goed gerichte regulering van de economische mondialisering. Want een algemene maatregel die de import van rijst moeilijk of onmogelijk maakt, zorgt er vooral voor dat de rijstproducenten een lage prijs krijgen en dus niet gestimuleerd worden om meer te produceren. Een goede aanpak is zeker in landen als Haïti, waar twintig tot dertig procent van de bevolking leeft van één landbouwproduct, geen sinecure. Maar zelfs daar is het beter om op maat gesneden maatregelen te nemen om lokale rijstboeren voor een goed omschreven periode te ondersteunen, dan een subsidiebeleid te voeren voor iedereen. Dat soort niet-discriminerende aanpak maakt uiteindelijk vooral de speculanten blij en bereikt zelden de armsten.

Toen India en Thailand tijdens de rijstcrisis van 2008 beslisten de export van rijst te beperken of op te schorten, droeg dat vooral bij tot de verdere stijging van de prijs op de wereldmarkt. Sowieso wordt niet meer dan vijf procent van de hele rijstproductie internationaal verhandeld. Dat reduceren tot drie procent lost het tekort niet op. Het is veel verstandiger gerichte voedselsubsidies geven aan mensen die dat echt nodig hebben om honger te voorkomen.

In veel landen, waaronder India, zorgen dergelijke subsidies vaak voor meer corruptie.

Pankaj Ghemawat: Dat is een terechte zorg en een groot probleem in India. Maar gerichte subsidies zorgen niet voor meer corruptie dan het huidige systeem waarin de rijstconsumptie voor iedereen gesubsidieerd wordt. Het politieke vertoog in India geeft steeds meer aandacht aan inclusieve groei en de regering heeft interessante programma’s ontwikkeld om die ook te realiseren. De praktijk ziet er veel minder fraai uit. Men wil nu iedereen een identiteitsbewijs geven, idealiter gekoppeld aan een bankrekening. Dat zou het mogelijk maken om geld over te maken vanuit Delhi aan de armen die de steun nodig hebben, zonder de tussenkomst van ambtenaren, politici of andere tussenpersonen. Dat is zeker in India geen overbodige luxe. Op dit moment is het namelijk zo dat wie verkozen wil worden in India bijna verplicht wordt om in zee te gaan met criminele financiers.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2859   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur