Shirin Ebadi: "Eén land kan wel oorlog, maar geen vrede maken"

Iran was de voorbije maanden niet weg te branden uit de internationale actualiteit. President Ahmedinejad schokte de westerse opinie met zijn uitspraken over Israël en de holocaust. Zijn nucleaire plannen zorgden voor zenuwachtigheid in de VS én de EU. En toen Israël in oorlog geraakte met Hezbollah, beschuldigde het Iran van wapenleveringen. Hoe reageert men in Iran op al die internationale commotie? De Iraanse journalist Ramin Mostaghim vroeg het voor MO* aan Shirin Ebadi, Nobelprijswinnaar voor de Vrede in 2003.
Zaterdagmiddag, 15 juli. De bommen vallen op Haret Hreik, de sjiitische wijk van Beiroet, op de havens Sidon en Tripoli, op het zuiden van Libanon, op Haifa aan de andere kant van de Libanees-Israëlische grens. Het is oorlog in het Midden-Oosten, maar in Teheran is het een gewone, drukke dag. De taxichauffeur die me naar Shirin Ebadi brengt, doet de duivelse rijreputatie van zijn beroepsgroep alle eer aan.
Of hij Shirin Ebadi kent, wil ik weten. ‘Shirin Ebadi?’, antwoordt hij, ‘bent u dat soms?’ Ik lach en vraag of ik er soms zo vrouwelijk uitzie met mijn baard. De chauffeur verontschuldigt zich. Het is niet de eerste keer dat ik merk dat de gewone man of vrouw in Teheran nauwelijks weet wie Ebadi is. Al wie zich actief is in de Iraanse politiek weet dat des te beter. Politieke hervormers in Iran kijken naar haar op, maar zouden willen dat ze zich vaker en scherper uitspreekt tegen het regime.
Europese en Amerikaanse dissidenten vinden het verdacht dat de machtige mollahs haar niet harder aanpakken. Vrouwenbewegingen in de hele wereld voelen zich gesterkt door haar Nobelprijs en haar niet aflatende strijd voor vrouwenrechten binnen een islamitische samenleving. Dr. Ebadi laat zich door dit alles niet van haar stuk brengen. ‘Ik ben een vrouw die advocaat is, professor aan de universiteit en Nobelprijswinnaar. Maar ik ben ook een vrouw die thuis zorgt voor het eten. Als ik weer eens naar de gevangenis gestuurd word, maak ik genoeg eten klaar zodat mijn gezin geen last heeft van mijn afwezigheid’, zegt ze. Hoe belangrijk haar stem is, blijkt als ik op haar kantoor aankom, waar ik veel internationale media aantref. Het interview wordt voortdurend onderbroken door telefoontjes vanuit het Europees Parlement. Ebadi’s mening blijkt toch belangrijker dan die van de andere Iraanse vrouwen achter het fornuis.
Die internationale aandacht heeft uiteraard te maken met de escalatie van het geweld in Gaza en Libanon. Maar de actualiteit van de regio is ruimer. In Irak en Afghanistan is het ook niet echt rustiger geworden sinds Ebadi in 2003 de Nobelprijs voor de Vrede kreeg. En in Pakistan en Iran is de afwezigheid van een echte opstand wellicht meer te verklaren door overheidsrepressie dan door tevredenheid van het volk. Staan we op de rand van een open, regionale oorlog of ziet Ebadi toch nog kansen op vrede en stabiliteit? En kan Iran daartoe bijdragen?
Shirin Ebadi: Je kan in elk geval niet verwachten dat Iran op zijn eentje voor vrede in de hele regio gaat zorgen. Bovendien moet Iran als natie heel goed gescheiden worden van Iran als Islamitische Republiek. De Iraanse natie zou wel degelijk een positieve invloed kunnen uitoefenen in de regio, dat is voldoende gebleken toen president Khatami aan de macht was.
Sinds Mahmoud Ahmedinejad president is, weegt de Islamitische Republiek opnieuw veel zwaarder door en wordt er vanuit Iran veel minder aan vredesopbouw gedaan in de regio. Maar uiteindelijk is het niet de macht in Teheran die bepaalt of het Midden-Oosten oorlog of vrede kent, geweld of verstandhouding. Dat hangt veel meer af van de vraag of er een rechtvaardige oplossing komt voor de problemen van de Palestijnen en Israël. Ook de voortdurende instabiliteit in Afghanistan, Irak en Libanon maakt een duurzame vrede ondenkbaar en onmogelijk.
De grootmachten buiten de regio -de VS, de EU, Rusland en China- zijn mee verantwoordelijk voor de kansen op vrede of op blijvend geweld. Als zij niet, samen met de regeringen van de regio, werken aan maatregelen die de oorzaken van het geweld kunnen wegnemen, dan ziet de toekomst er zeker niet beter uit dan de huidige situatie. We leven allemaal in een onderling afhankelijke wereld, en dat geldt zeker voor het Midden-Oosten. Eén land kan misschien nog wel voor oorlog zorgen, maar zeker niet voor vrede. Daarvoor hebben we elkaar nodig.
Ziet u het Verdrag van Oslo tussen Israël en de PLO uit 1993 nog als een stap op weg naar regionale vrede?
Shirin Ebadi: Alles is beter dan oorlog. Ik ben er van overtuigd dat zowel Israëli’s als Palestijnen het geweld hartsgrondig beu zijn. Je hoopt natuurlijk altijd op een echt rechtvaardige regeling voor een conflict, maar zelfs een lauw vredesproces is beter dan een slopende oorlog. Het verdrag van Oslo had beide partijen tenminste in staat gsteld met elkaar te praten. Dat lijkt me nog altijd een goed vertrekpunt.
Iran heeft de voorbije maanden niet echt bijgedragen tot een serene internationale sfeer. Hoe kijkt u en de Iraanse publieke opinie aan tegen het fameuze atoomprogramma van Teheran?
Shirin Ebadi: Trouwens, als het Westen zich echt zorgen maakt dat een islamitisch en ondemocratisch regime zou kunnen beschikken over nucleaire wapens, dan moeten die leiders niet naar Teheran kijken, maar naar Islamabad. Pakistan hééft de Bom namelijk al en generaal Musharraf is ook niet op democratische wijze aan de macht gekomen. Het verschil is natuurlijk dat Pakistan beschouwd wordt als een betrouwbare bondgenoot van het Westen, terwijl Iran voortdurend in de rol van vijand zit. Maar begrijp dit zeker niet als een pleidooi voor Iraanse atoomwapens. Geen enkele atoombom is gefabriceerd voor het geluk van de mensheid. Geen enkel land heeft nucleaire wapens nodig: Iran niet, maar ook de VS, Israël of Pakistan niet.
Het Westen wil dat er in Iran een regimewissel komt om het Iraanse volk te bevrijden van de klerikale verdrukking. Is dat ook uw wens?
Shirin Ebadi: Het maatschappelijke middenveld heeft hoe langer hoe meer af te rekenen met repressie. Op 12 juni bijvoorbeeld werd een bijeenkomt van vrouwenactivisten hardhandig onderdrukt. Zij wilden hun stem laten horen over de discriminatie van vrouwen in familiaal recht, echtscheidingsprocedures en erfenisrecht, en over het feit dat het getuigenis van een vrouw in een rechtbank maar half zo zwaar weegt als dat van een man, maar dat kon blijkbaar niet. Andere voorbeelden van de toenemende repressie onder Ahmedinejad zijn de aanval op de Gonbadi derwisjen in Qom en het uiteenslaan van de vrouwenbijeenkomst op 8 maart 2006. Ik verdedig trouwens alle aangeklaagden van deze drie incidenten.
Vrouwen staan dus vandaag extra onder druk in Iran, ook al zijn ze hoger opgeleid dan mannen. Volgens officiële cijfers is 65 procent van de universiteitsstudenten vrouwelijk. Het percentage vrouwen aan de universiteit is al jarenlang aan het stijgen en die toenemende scholing van vrouwen vormt de motor voor verandering en verbetering van de maatschappij. Geschoolde en verlichte vrouwen kunnen immers niet langer genegeerd worden. Zij vinden ook hoe langer hoe meer hun weg in de wereld van de politiek en het sociaal-economische beleid. Nu moeten we de wetten die vrouwen discrimineren nog veranderen.
Bedoelt u de grondwet, die onder andere bepaalt dat vrouwen ongeschikt zijn om president of Opperste Leider te worden?
Shirin Ebadi: Volgens mijn interpretatie -en ik ben ervan overtuigd dat die correct is- laat de huidige grondwet wel degelijk een vrouwelijke president toe. Maar daar ligt het echte probleem niet, want zelfs als vrouwen president mogen worden, dan nog is het merendeel van hen daar niet in geïnteresseerd. Vrouwen willen op de eerste plaats gelijkheid met mannen op het vlak van basisrechten. Die gelijkheid is niet gegarandeerd en dat verklaart deels de huidige sociale onrust in Iran. Je kan niet ongestraft het beter opgeleide en meer gecultiveerde deel van de bevolking blijven achteruitstellen. Ik hoop en geloof dat vrouwen in Iran een mooie toekomst tegemoet kunnen zien, want in een samenleving met zo veel goed opgeleide vrouwen kan je verandering ten goede onmogelijk tegenhouden.
Nogal wat mensen vrezen dat het wél mogelijk is om de vooruitgang van vrouwen of meer algemeen van mensenrechten tegen te houden als een conservatieve lezing van de islam tot officiële ideologie verheven wordt.
Shirin Ebadi: Die principiële frustratie deel ik met islamitische, boeddhistische, christelijke of niet-religieuze mensenrechtenactivisten in Iran. Allemaal vinden we het erg als derwisjen, vrouwenrechtenactivisten of auteurs gekortwiekt worden. En samen komen we op voor meer mensenrechten, niet alleen in Iran, maar ook in Egypte, Israël, Europa, Afrika en elke hoek van de wereld waar die mensenrechten geschonden worden.
Verschillende dissidentenorganisaties in Iran zouden willen dat u meer doet dan pleiten voor de rechtbank. Ze willen dat u hen leidt bij straatprotesten tegen het huidige regime.
Shirin Ebadi: Al wie in mij een politieke held of leider wil zien, zal dus ver moeten zoeken. Ik ben niet gedreven door politieke ideologie maar handel vanuit de overtuiging dat mensenrechten een onvervreemdbaar recht zijn, ongeacht de politieke kleur of strekking van de regering of de machthebbers.
Hoe slaagt u erin om, ondanks de politieke en religieuze druk, toch te blijven handelen en spreken?
Shirin Ebadi: Toch geven we niet op. Want mensenrechten zijn altijd de moeite waard om te verdedigen, ongeacht de religieuze of politieke overtuiging van degenen die te maken krijgen met repressie. Er zijn twee soorten ngo’s in Iran: echte en valse. Er zijn er die geen enkel probleem hebben om financiële hulp te krijgen vanuit het buitenland. En er zijn ngo’s die helemaal op eigen benen staan, maar precies daarom geen toestemming krijgen om fondsen uit het buitenland te ontvangen. Uiteindelijk is dat niet slecht, want echte ngo’s moeten zelfvoorzienend zijn om vrij en ongebonden te kunnen spreken.
Wat kunnen Europese regeringen of ngo’s doen om mensenrechten in het Midden-Oosten te ondersteunen?
Shirin Ebadi: De huidige globalisering komt neer op een economie die de armen armer maakt en de rijken rijker. De kloof tussen haves en have-nots wordt steeds groter. Die tendens moet gestopt en gekeerd worden. Om een stap in de goede richting te zetten, zouden de Verenigde Naties democratischer en representatiever moeten worden. Iedereen moet belang hebben bij vrede en stabiliteit, anders zijn dat gewoon andere woorden voor overheersing.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3196   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift