Afrikaanse voetballers: scoren of vergaan

Jonge Afrikaanse voetballers worden naar Europa gelokt met het oog op een glorieuze carrière, maar komen vaak bedrogen uit. MO* sprak met journalist Frédéric Loore, die samen met fotojournalist Roger Job het boek “Marque ou crève” maakte, waarin ze het verhaal vertellen over de realiteit achter het roemrijke gordijn van het professionele voetbal. Een gesprek aan de hand van indringende beelden.

  • © Roger Job © Roger Job
  • © Roger Job Stéphane heeft uiteindelijk een appartement gevonden in Sint-Gillis. €350 per maand voor een aftandse kamer, maar hij kan zich er tenminste wassen na de training. © Roger Job
  • © Roger Job Ousmane in zijn kamer. Hij slaapt onder de foto’s van de “heilige olifanten” van de nationale ploeg. Hij is er zeker van dat hij op een dag op de officiële posters van zijn land zal staan. © Roger Job
  • © Roger Job Na de training, keren Abbas en Moussa terug naar hun kamer. Ondanks hun vastberadenheid en moed weegt de onzekerheid van hun toekomst op het moraal. Voor deze jongens wiens bestemming niets anders is dan de illegaliteit, sleurt het gewicht van deze situatie hen in een depressie. Verzonken in gedachten merken ze zelfs de fotograaf niet op. © Roger Job
  • Frédéric Loore

In het clandestiene voetbalmilieu waar velen de top niet bereiken, worden deze jongeren voor een voldongen keuze gesteld: scoren of sterven. ‘De titel is een verwijzing naar het Franse spreekwoord marche ou crève (wandel of verga)’, vertelt auteur Frédéric Loore. ‘In het begin scoren deze jonge voetballers, maar uiteindelijk verhongeren ze. Het voetbal is voor hun en hun familie een absolute noodzaak. Het is de enige manier om uit de ellende te ontsnappen. Daarom zijn ze tot alles bereid om te slagen als professionele voetballer in Europa.’

Frédéric Loore

In uw boek spreekt u enkel over Afrikaanse voetballers. Reikt het probleem ook verder dan Afrika?

Frédéric Loore: In wezen niet. Zo’n tien jaar geleden is er een parlementaire onderzoekscommissie in België geweest waarvan ik het rapport gelezen heb. Daarin wordt de uitbuiting van Zuid-Amerikaanse spelers besproken, maar toch is het een heel Afrikaans probleem. In Zuid-Amerika zijn er veel georganiseerde kampioenschappen, zoals in Costa Rica, Chili, Mexico, Argentinië en Brazilië.

Er zijn in die landen veel mogelijkheden voor de spelers om het te maken in de sport en een goed leven te leiden. Dat is niet het geval in Afrika. In Ivoorkust is het salaris van een professionele voetballer 250 euro per maand, met daarbovenop premies die amper of veel te laat uitbetaald worden.

Een geslaagde profvoetballer in Europa kan in Afrika 40 tot 50 mensen te eten geven.

De jongens die naar Europa komen voelen zich verplicht om geld te verdienen om hun familie te laten overleven. Daarmee bedoel ik de Afrikaanse familie, die groter is dan enkel de ouders, broers en zussen. Een geslaagde profvoetballer in Europa kan in Afrika 40 tot 50 mensen te eten geven.

Deze jongens komen dus terecht in kleinere clubs dan hun beloofd is of belanden zelfs op straat. Zijn deze praktijken illegaal in België?

Frédéric Loore: In zekere zin wel. Er bestaat een wet in België die stelt dat een atleet die niet uit een land van de Europese Unie komt een salaris van 72.000 euro per jaar moet ontvangen, voor eender welke sport. Natuurlijk is er geen enkele Belgische club die een 18-jarige Ivoriaan zo’n bedrag gaat uitkeren. De meeste spelers worden dus compleet uitgebuit. Een sportman die bij een ploeg onder een vals of zelfs zonder contract speelt: dat is volledig illegaal. Maar het valt moeilijk te bewijzen.

Vele jongens komen hier aan met een toeristenvisum dat na drie maanden vervalt. Maar als ze van het vliegtuig stappen staat niemand hen op te wachten. Ze komen op straat en in de illegaliteit terecht, waardoor ze geen klacht meer kunnen neerleggen.

© Roger Job

Stéphane heeft uiteindelijk een appartement gevonden in Sint-Gillis. €350 per maand voor een aftandse kamer, maar hij kan zich er tenminste wassen na de training.

Stéphane is twintig jaar oud en afkomstig uit Kameroen. Op een dag wordt hij aangesproken door een manager die hem een contract en een riant salaris aanbiedt bij de Bulgaarse club Slavia Sofia. Zijn moeder betaalt de man 7500 euro, waarvoor ze hun huis hypothekeert. In januari 2010 vertrekt Stéphane naar Bulgarije, waar hij wacht op een manager die nooit zal komen. Hij verdwijnt in de illegaliteit en speelt ondanks alles bij een ondermaatse voetbalclub in Sofia. Een Algerijnse smokkelaar helpt hem naar België met een vals Frans paspoort, waarvoor Stéphane 700 euro moet betalen. Momenteel hoopt hij een plaats te krijgen in de kern van derdeklasser KV Turnhout. ‘Ik ben gelovig, ik wanhoop niet. Maar er moet een mirakel gebeuren. Ik heb geen keuze: ik moet vechten.’ 

U heeft met veel clubs wereldwijd gesproken. Waren zij open over deze kwestie? 

Frédéric Loore: De voetbalwereld erkent het probleem, zowel de eigenaars van de clubs, de managers als de spelers. Omdat ze streng gecontroleerd worden doen de grote clubs ook niet mee aan dergelijke praktijken. Het is vooral in de lagere klassen dat het probleem zich in België voordoet. De voetbalwereld wil er wel over praten, maar als we de problemen aankaarten zijn ze beschaamd over het fenomeen. Er zijn zogezegd regels om minderjarigen te beschermen, maar men doet niets.

Dus er worden geen concrete stappen genomen?

In België zijn er zo’n 200 à 300 spelers die uitgebuit worden.

Frédéric Loore: Neen. Buiten de sportwereld vecht men tegen het probleem van illegale werkers, maar dat systeem bestaat niet binnen de voetbalwereld. Ik heb het ene na het andere dossier gezien tijdens mijn onderzoek, maar over het algemeen zijn er geen inspanningen om het probleem te bestrijden, noch van justitie, noch van de voetbalwereld. In België zijn er zo’n 200 à 300 spelers die uitgebuit worden. Dat is niet min.

De managers die met Afrikaanse jongeren gaan praten om hun droom en naïviteit uit te buiten moeten aangepakt worden. Dan gaat het vooral over Afrikanen, ook al zijn er Europeanen die misbruik maken van het systeem. Ze vertellen de voetballers dat ze binnen tien jaar in Chelsea of Barcelona spelen en 5000 à 6000 euro zullen verdienen. Dat is een fortuin voor hun.

De Belgische stichting Samilia heeft momenteel in Afrika een preventieprogramma opgericht om de voetbalwereld en politici te sensibiliseren. Ook op het veld zelf gaan ze jonge Afrikaanse spelers informeren over de valkuilen waarin ze in Europa kunnen lopen. Sensibiliseren is de enige manier om het aantal slachtoffers te verlagen.

In hun eigen land is er geen toekomst. Wanneer je hen wijst op de manier waarop ze hier leven, alleen op straat in de kou, antwoorden ze: ‘Dat is beter dan thuis.’

Hoe ziet u de toekomst van de jonge Afrikaanse voetballers?

Frédéric Loore: Hun toekomst is dramatisch, vooral omdat er steeds meer en meer jonge voetballers komen. Elke keer dat er een Afrikaanse speler slaagt in het professionele voetbal, staan er na hem weer tienduizenden jongeren klaar om te vertrekken. Toen we in Ivoorkust waren, was de Qatarese vereniging Aspire Football Dreams ter plekke.

Zij rekruteerden jongens van dertien jaar om hen naar een voetbalacademie te brengen in Qatar. Op de casting presenteerden zich zowat 60.000 spelers uit heel Ivoorkust. Uiteindelijk werden er drie jongens gekozen.

In Ivoorkust wordt er in elke wijk voetbal gespeeld. De kinderen gaan er niet meer naar school. In Abidjan alleen zijn er 185 trainingscentra die erkend zijn door de Ivoriaanse regering. Zo’n trainingscentrum bestaat uit een slecht bespeelbaar veld, twee palen en drie ballen, met trainers die eigenlijk geen trainers zijn. Daarbuiten zijn nog veel meer centra die niet erkend zijn.

Al die jongens staan ‘s morgens op en zeggen tegen zichzelf: ‘Ik ga trainen, want op een dag word ik zoals Didier Drogba.’ De ouders moedigen hen daarin aan. Met een diploma secundair onderwijs wordt men zeer slecht betaald of geraken ze zelfs niet aan werk. De oplossing is dus niet de school, maar het voetbal. Dat werkt zo in hun hoofd. We hebben vaak gezegd dat er nog dingen zijn buiten het voetbal, maar dat willen ze niet horen.

© Roger Job

Ousmane in zijn kamer. Hij slaapt onder de foto’s van de “heilige olifanten” van de nationale ploeg. Hij is er zeker van dat hij op een dag op de officiële posters van zijn land zal staan.

Ousmane is zestien jaar en woont samen met zijn moeder en zussen in een kleine woning in Kankankoura, Ivoorkust. Hij heeft zijn schoolcarrière opgegeven om zich volledig op het voetbal te storten. 
De centrale verdediger traint dagelijks op het dorpsplein Inch’Allah, waar hij zich moet omkleden tussen een bananenverkoper en een schoenenpoetser. Verschillende evenementen en voorbijgangers verstoren regelmatig de trainingen.

Hij koestert de droom om als professioneel voetballer in Barcelona of Chelsea te kunnen spelen. ‘Ik weet dat het moeilijk gaat zijn, maar ik heb vertrouwen, en met de hulp van God zal het lukken.’ Ook de mama van Ousmane, Assita, heeft er een goed oog op.
Elke maand betaalt ze de coach met de inkomsten van haar geneesmiddelenhandeltje. ‘Ik heb Ousmane vijftien dagen naar medicijnenmannen in Mali gestuurd. Zo is hij beschermd tegen het onheil van malafide managers.’

Hoe verliep het contact met de jongens?

Frédéric Loore: Het was niet moeilijk om hen te contacteren. In Brussel zijn er veel Afrikanen die elke dag voetbal spelen. Maar een vertrouwensband opbouwen zodat ze vertellen over hun leven, het parcours dat ze doorlopen hebben, de dagdagelijkse moeilijkheden, … dat is een veel langduriger werk. Ik heb eerst veel tijd met die jongens moeten doorbrengen.

Hetzelfde in Afrika. Wanneer men in Ivoorkust een blanke Europeaan ziet die een beetje interesse toont op een voetbalterrein, zijn ze tot alles bereid. In het boek tonen we ook aan hoe je daar een speler koopt in 30 minuten.

In Thailand is de situatie veel complexer. Er is daar geen opvangnet zoals in Vlaanderen. De jongeren zijn bang, want het is er gewoonweg gevaarlijk. Ze gaan trainen en komen daarna niet meer buiten. Wanneer de immigratiepolitie hen betrapt worden ze gearresteerd en moeten ze zelf betalen voor een advocaat en de reis naar huis. 

Men kan er zichzelf ook niet onderhouden door bijvoorbeeld kleine werkjes in het zwart. Vooraleer de jongeren aankomen in Thailand,  hebben ze al een heel zwaar parcours afgelegd. Het was veel moeilijker om bij hen het vertrouwen te winnen.

© Roger Job

Na de training keren Abas en Moussa terug naar hun kamer. Ondanks hun vastberadenheid en moed weegt de onzekerheid van hun toekomst op het moraal.

De Ivoriaan Abas (17) is zes maanden in Bangkok, Moussa uit Mali (19) nog maar drie weken. Ze trainen op het veld van Lat Phrao waarvoor ze 50 baht (ruim één euro) in een gemeenschappelijke pot hebben moeten neerleggen. Ze leven samen op een kamer en besparen op de 500 baht (twaalf euro) die Abas wekelijks verdient bij een Thailandse amateurploeg.
Elke dag leggen ze beiden 40 baht (één euro) uit voor hun maaltijden. De vader van Abas heeft al het spaargeld van zijn pensioen (3500 euro) opgehoest om zijn zoon naar een club in China te kunnen sturen. Wanneer Abas aankomt in China, verwacht hij dat zijn toekomstige manager hem onder zijn vleugels neemt. ‘Maar ik bevond me op straat. Er is nooit een club geweest, noch een manager, noch een contract.’ 

Frédéric Loore: In heel dit verhaal schuilt een treffende paradox. Hoezeer het voetbal de jonge spelers ook neerhaalt, toch belanden ze niet in de criminaliteit. Séraphin, een coach in België, vertelt het aan iedereen die voorbij wandelt: ‘Deze jongens hebben nog nooit een handtas gestolen.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2745   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift