Dossier: 

'Je weet zelf ook wel dat er iets niet pluis is met een T-shirt van 3 euro'

Niet enkel in Bangladesh heeft de textielsector een kwalijke reputatie. Elders ter wereld worden arbeidsrechten evenzeer geschonden in de race naar de bodem die kledingfabrikanten voeren. In Zuidoost-Azië, Afrika en Centraal-Amerika maar ook dichter bij huis zijn textielarbeiders niet noodzakelijk beter af.

© 2014 Samer Muscati/Human Rights Watch

Wereldwijd werken naar schatting 75 miljoen mensen in de textielindustrie. Dat doen ze niet altijd in de beste omstandigheden. Geringe veiligheidsnormen, lage lonen, onbetaalde overuren, kortetermijncontracten, amper sociale zekerheid, verplicht thuiswerk, zware fysieke maar ook mentale druk… Het zijn slechts enkele van de problemen waarmee textielarbeiders dagelijks geconfronteerd worden.

En dat is niet alles. Vakbondsondersteuning wordt systematisch tegengewerkt en intimidatie is legio, zowel binnen als buiten de fabrieken.

De helft van alle kledij verkocht binnen de EU, wordt ook in Europa geproduceerd.

Toen de Rana Plaza-fabriek in Bangladesh twee jaar geleden instortte, kwam de hele sector in een slecht daglicht te staan. De macht van grote merken werd bekritiseerd: waar hun winter- of zomercollecties geproduceerd worden, doet er weinig toe -zolang het goedkoop gebeurt en snel in grote hoeveelheden kan aangeleverd worden. De moordende concurrentie in de textielindustrie en het gebrek aan transparantie bij textielgiganten zorgen ervoor dat overal ter wereld textielarbeiders onder de knoet gehouden worden.

Op de rand van het illegale

Rana Plaza is de op een na zwaarste industriële ramp ooit. Enkel het chemisch drama in een pesticidenfabriek in Bhopal, India, waarbij dertig jaar geleden meer dan tienduizend mensen stierven door een gaslek, eiste meer slachtoffers op.

Industriële rampen komen echter overal voor. Begin dit jaar zijn nog drie Chinese fabrieksbazen berecht voor een brand in een kledingfabriek waarbij zeven mensen het leven lieten. Plaats van het delict was niet India of Bangladesh, maar Italië.

De ramp vond eind 2013 plaats in Prato, een industrieel stadje in Toscane. De fabriek in kwestie produceerde voornamelijk Versace-luxegoederen. Alle zeven doden waren Chinese immigranten die met hun werk in de textielsector soms slechts 500 tot 600 euro per maand verdienen. ‘Niet leefbaar’, weet Sara Ceustermans van de Schone Klerencampagne (SKC). ‘Er wordt echt op de rand van het illegale gewerkt.’

Minder verdienen dan een Chinees

De nabijheid van de afzetmarkt speelt voor een kledingmerk een grote rol tijdens de keuze van een locatie voor de fabriek. Zo wordt bijna de helft (49,1 procent) van alle kledij die in de EU wordt verkocht op het Europese continent gefabriceerd.

‘De dreiging van bedrijven om weg te trekken, zet de vakbonden onder druk om geen al te hoge looneisen te stellen.’

Voor kleine, gespecialiseerde bestellingen opteren producenten vaak voor Oost-Europa, waar het minimumloon vaak nog geen vijfde bedraagt van wat nodig is om in menswaardige omstandigheden te overleven. Ceustermans: ‘Er zijn veel bedrijven die zich verantwoorden door te zeggen: “Wij produceren in Europa, dus wij hebben geen probleem”. Maar de lonen zijn er zo laag dat het niet goed te praten valt. In sommige landen verdienen arbeiders minder dan in China.’

Centraal-Amerika biedt dezelfde aantrekkingskracht voor Noord-Amerikaanse merken. De vrijhandelszones, ook maquilas genoemd, creëren een gunstig klimaat voor bedrijven, die op hun beurt werkgelegenheid bieden voor ruim 400.000 Centraal-Amerikanen –weliswaar aan een hongerloon. 

‘Op zich zit je met een systeem dat volledige de sociale bescherming ondermijnt’, vindt David Verstockt van FOS. ‘Maar het wordt gedoogd, omdat het zo veel werk oplevert.’ Wie tegenpruttelt, moet vrezen voor delokalisatie. ‘De dreiging van bedrijven om weg te trekken, zet de weinige vakbonden die er actief zijn onder druk om geen al te hoge looneisen te stellen’, zegt Frank Lensink, die al tien jaar FOS vertegenwoordigt in de regio.

Schouderklopjes van de regering

China blijft het grootste exportland van textiel.

De aantrekkingskracht van Azië heeft te maken met de bevolkingsdichtheid van het continent en de grote bestellingen die er daardoor kunnen geplaatst worden. Aziatische landen hebben een erg jonge bevolking. Het aanbod aan werkkrachten is dus enorm. Dat is nefast voor de strijd om een eerlijk loon en creëert geen ruimte voor vakbondswerk.

‘Straffeloosheid is er een groot probleem’, zegt Phil Robertson van mensenrechtenorganisatie Human Rights Watch (HRW). ‘Neem nu een situatie zoals Cambodja. Bij een bloederig protest in januari 2014 kreeg de politie een duidelijk mandaat: “Shoot to kill.” Uiteindelijk vielen er zes doden, veelal vakbondslui. Na afloop moesten de agenten geen verantwoording afleggen, maar kregen ze schouderklopjes van de regering.’

© 2014 Samer Muscati/Human Rights Watch

Cambodjaanse tekstielarbeiders op weg naar hun werkplek

‘Het is een vicieuze cirkel’, zegt Ceustermans. ‘In Cambodja zien we het elke keer opnieuw gebeuren: loononderhandelingen zonder resultaten, protesten, doden, arrestaties, nieuwe onderhandelingen. En dat al sinds 2010. Het wordt echt tijd dat er een structurele oplossing komt.’

Azië speelt voornamelijk zijn lage prijs uit, maar als ook daar de lonen stijgen, kan de markt zich opnieuw verplaatsen. China blijft tot op heden het grootste exportland van textiel - met Bangladesh in zijn kielzog - maar de lonen liggen er intussen hoger dan in bepaalde Centraal-Amerikaanse en Oost-Europese landen.

Bangladesh zou nummer één kunnen worden, maar ook daar wordt het minimumloon steeds opgetrokken. ‘Het land is heel bang voor delokalisatie’, zegt Annemiek Huijerman van de Nederlandse nieuwssite OneWorld, die sinds de brand in de Tazreenfabriek uit 2012 actief de problematiek volgt. ‘Als de lonen te hoog worden, zoeken fabrikanten de bodem op. We zien nu al dat landen in Afrika enorm aan het opkomen zijn.’

De opkomst van Afrikaans textiel

© Fair Trade Factory

‘De Afrikaanse textielindustrie is in bloei omdat er alle ingrediënten te vinden zijn.’

‘De Afrikaanse textielindustrie is in bloei omdat alle ingrediënten hiervoor in het continent te vinden zijn, van katoenzaadje tot getalenteerde kleermakers’, weet Fiona Voet van Fair Trade Factory, die met de actie Pimp My Factory strijdt voor eerlijke banen in Tanzania. ‘Maar er zijn wel nog uitdagingen. Verscheidenheid aan stoffen en infrastructuur, bijvoorbeeld.’

‘Oost-Afrikaanse landen zoals Tanzania, Ethiopië en Kenia zijn tamelijk stabiel’, weet VRT-journalist Stijn Vercruysse, die voor zijn reportagereeks Afrika Anders onlangs een textielfabriek in Tanzania bezocht. ‘Katoen is er voorradig, de loonkosten zijn heel laag, de elektriciteit wordt steeds zekerder en goedkoper, en de productiviteit stijgt stilletjesaan. De textielsector krijgt er een tweede adem.’

’s Ochtends aan de poort van de textielfabriek staan er steevast honderden mensen die om werk komen vragen.

‘De bevolkingsexplosie in Afrika is de grootste in de geschiedenis van de mensheid’, aldus Vercruysse. ‘Het armste continent heeft een erg jonge bevolking. ’s Ochtends aan de poort van de textielfabriek staan er steevast honderden mensen die om werk komen vragen. Vakbonden zijn er niet. Maar dat alles weerhoudt de arbeiders niet om openlijk klagen over hoe weinig ze verdienen. Maar Afrika is het laatste continent dat zo’n grote groei kent. De lonen zullen voorlopig nog niet stijgen.’

Lage lonen niet enige criterium

‘Afrika zit momenteel in zijn zogenaamde “T-shirtfase”’, zegt Huijerman van OneWorld. ‘Daarmee bedoel ik dat de kledingindustrie vaak een van de eerste industrieën is die floreert in lagelonenlanden. Met veel werkgelegenheid maar bijzonder lage salarissen tot gevolg.’

De vraag of ieder ontwikkelingsland ter wereld nog een T-shirtfase in zich heeft, dringt zich op. Waar ligt de bodem en wanneer houdt de race op?

bron: Fair Wear Foundation

‘Je mag echter niet uit het oog verliezen dat de race naar de bodem niet volledig opgaat’, zegt Huijerman. ‘Er zit meer achter de keuze voor delokalisatie dan enkel competitieve lonen. Het salaris dat textielarbeiders krijgen op het einde van de maand, maakt slechts een heel klein deel uit van de kosten. De winst van een kledingbedrijf staat of valt dus niet met hogere lonen.’

‘Kledingfabrikanten houden ook rekening met andere criteria, zoals stroomkosten, de nabijheid van een haven of veiligheid’, treedt Lensink bij. ‘In Honduras vormen de bendes een groot probleem, maar is de bevolking wel hoger opgeleid. Daar wordt dus meer hoogwaardige kledij geproduceerd dan in andere landen in de regio, zoals Nicaragua. Het feit dat de lonen in Honduras veel hoger liggen dan in Nicaragua, draagt in die zin slechts deels bij aan de keuze van de ketens.’

‘Daarnaast zien we steeds vaker dat sommige kledingmerken zelf het initiatief nemen om duurzaamheid na te streven’, zegt Huijerman. De Nederlandse journaliste verwijst onder meer naar merken zoals Jack Wolfskin, Bel & Bo en sinds kort ook JBC, die er bewust voor kiezen om zich aan te sluiten bij Fair Wear Foundation

‘Zij vinden het niet erg om wat meer te betalen. Dat moet ook de ingesteldheid van consumenten zijn. Als je een T-shirt van drie euro in je handen hebt, weet je zelf ook wel dat er iets niet pluis is.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Freelance journalist met focus op eerlijke mode

    Sarah Vandoorne is freelance journalist, hispanoloog, Latijns-Amerika aficionada en – voor zover die term steek houdt – een rasechte Belgisch Britse Bengalees.