Het verhaal van Jock

Veertigste verjaardag einde Rode Khmer in Cambodja

© IPS / Kris Janssens

Jock op de plek van het dorp.

Dit najaar is het veertig jaar geleden dat het Vietnamese leger de Rode Khmer officieel van de macht heeft verdreven in Cambodja. Door het geweld beleefde Cambodja ook de grootste vluchtelingencrisis uit zijn geschiedenis. IPS-correspondent Kris Janssens sprak met Jock. Hij was negen jaar toen hij zijn geboorteland ontvluchtte naar het Khao-I-Dang vluchtelingenkamp in Thailand. Na veertig jaar keert hij terug naar die plek.

Het najaar van 1979 betekende het einde van de Rode Khmer maar ook het begin van de grootste vluchtelingencrisis in het land. De troepen van Pol Pot gaven zich immers niet zomaar gewonnen. Tijdens de hevige gevechten gingen duizenden Cambodjanen op de vlucht voor het geweld. Ze kwamen in opvangkampen terecht, vlak bij de grens met Thailand. Van daaruit hoopten ze te vertrekken naar veiliger oorden, zoals de Verenigde Staten. 

Niemandsland

De Rode Khmer en Pol Pot

De Rode Khmer kwam in 1975 aan de macht in Cambodja. Hun leider, Pol Pot, wilde een maoïstische boerenstaat oprichten. Daarom werden de steden ontruimd en moesten mensen verplicht op het land werken, vaak tot ze er letterlijk bij neervielen. In vier jaar tijd kwamen alles samen 1,7 tot 2 miljoen mensen om het leven, op een bevolking van ongeveer 7 miljoen.

In 1979 werd de Rode Khmer van de macht verdreven door het Vietnamese leger. Maar soldaten van Pol Pot en andere guerrillagroepen bleven weerstand bieden en honderdduizenden Cambodjanen vluchtten voor het geweld. Pas in 1989 trok Vietnam z’n laatste troepen terug. Het Khao-I-Dang kamp werd geopend in 1979 en is genoemd naar de berg die op de grens ligt tussen Cambodja en Thailand. De bamboe huizen met rieten dak boden op het hoogtepunt van de vluchtelingencrisis plaats aan bijna 140.000 mensen. Vanuit Khao-I-Dang werden Cambodjanen geëvacueerd naar de Verenigde Staten, maar bijvoorbeeld ook naar Frankrijk en naar België. Het kamp werd gesloten in 1993, nadat de Verenigde Naties het bestuur over Cambodja tijdelijk hadden overgenomen.
Onderweg naar de vrijheid zaten de vluchtelingen gevangen in een soort niemandsland, waar een bittere machtsstrijd werd uitgevochten. 

Jock, nu 49, was één van hen. Hij keert terug naar de plek des onheils om dit traumatische hoofdstuk uit zijn leven eindelijk te kunnen afsluiten. “Dit is de eerste keer dat ik terugga naar mijn huis van toen”, zegt hij. Als hij praat, klinkt Jock als een Amerikaan. Maar zijn hart is Cambodjaans. 

Menselijk schild

We zijn in de noordelijke stad Battambang aan Wat Sangke, de Boeddhistische tempel waar dit verhaal begint. 

In 1979 heeft Jock net vier jaar terreurbewind doorstaan. Maar de moeilijkheden zijn nog niet voorbij. 

“Ik zag mezelf niet als een kind. Ik dacht alleen aan overleven.”

“De Rode Khmer besefte dat hun spel uit was en dat de Vietnamezen onderweg waren. Ze hadden er niet beter op gevonden dan al hun munitie in de tempel op te slaan”. 

Het gezin van Jock woonde net achter de pagode. Hij herkent de plek meteen als we ernaartoe wandelen. “Laat me een foto nemen”, zegt hij lachend, “het verbaast me dat alles nog intact is.”

Zijn gezicht wordt weer ernstig, als hij vertelt wat zich hier heeft afgespeeld. “Iedereen moest in zijn huis blijven. Ga nergens heen, werd er geroepen. Maar we vertrouwden de Rode Khmer niet. Die wilde ons als menselijk schild gebruiken.” 

Buren begonnen te rennen en het gezin van Jock liep mee. “Tien minuten later ontplofte de tempel. De hele nacht hebben we explosies gehoord. Toen wisten we, dit is oorlog.” 

De grens met Thailand

Op dat moment is Jock negen jaar, maar hij voelt zich veel ouder. “Ik zag mezelf niet als een kind. Ik dacht alleen aan overleven.”

Hij herinnert zich niet meer hoe lang hij onderweg geweest is. Dagen, weken misschien. “Niemand wist waar we precies naartoe gingen. Het geluid bepaalde onze richting. Als we geweerschoten hoorden, liepen we de andere kant uit.”

Net als tienduizenden andere Cambodjanen komt Jock uiteindelijk aan de grens met Thailand terecht, in vogelvlucht zo’n 120 kilometer naar het noorden.

Daar wil hij nu, voor het eerst in veertig jaar, opnieuw naartoe gaan. Hij hoopt de exacte plek terug te vinden waar hij meer dan een jaar van zijn kindertijd heeft doorbracht. “Cambodjanen uit de VS durven vaak niet terug te keren. Maar ik wel.”

Wapens als speelgoed

We rijden met de moto over smalle weggetjes van de noordelijke provincie Banteay Meanchey. “Zie je die berg daar?”, vraagt Jock plots. “Daar moesten we naartoe.” 

Hij wijst naar de Khao-I-Dang, een uitgestrekt plateau op de grens tussen Cambodja en Thailand. “We wisten dat we daar veilig zouden zijn. Maar om die berg te bereiken, moesten we door de hel.” 

In de bosrijke grensstreek werd niet alleen een strijd uitgevochten tussen soldaten van de Rode Khmer en het Vietnamese leger. Er liepen ook gewapende rebellen rond. “Paraa noemden ze die. Dat was nog een andere groep Cambodjanen. Maar ze waren allemaal even slecht. Ze liepen hier rond, vaak dronken, en schoten op alles en iedereen. Ik weet niet wie die smeerlappen wapens had gegeven, maar ze speelden ermee zoals kinderen met knikkers.”

© IPS / Kris Janssens

Jock op de moto in Banteay Meanchey.

Landmijnen

Die ervaring heeft Jock nooit van zich kunnen afschudden. “Ik ben heel wantrouwig, nu nog. Zeker als er bijvoorbeeld iemand achter mij gaat staan. Ik wil mensen in de ogen kunnen kijken, om te zien of ze een gevaar betekenen voor mij.”

“Ik ben heel wantrouwig, nu nog. Zeker als er bijvoorbeeld iemand achter mij gaat staan.” 

We rijden zwijgend verder, langs kleine dorpjes aan de kant van de weg. Inwoners waarschuwen ons voor achtergelaten landmijnen, die destijds massaal onder de grond werden gestoken. “In principe zijn die allemaal opgeruimd, maar de kans bestaat dat ze er ééntje vergeten zijn.”

Eén man, die zichzelf de dorpschef noemt, zegt dat hij verschillende slachtoffers kent. Hij drukt ons op het hart om de hoofdweg niet te verlaten. 

Thaise soldaten

De grens bereiken was dan wel het ultieme doel voor de vluchtelingen, maar de Thaise overheid liet de Cambodjanen niet zomaar op haar grondgebied toe. Ze wilde vermijden dat de communisten van de Rode Khmer zich onder de bevolking zouden mengen en op die manier in Thailand konden binnenkomen.

“Je kon de grens zién”, zegt Jock. “Maar zij bewaakten hun land met geweren.” Hij herinnert zich dat hij ’s nachts eten ging stelen, als de Thaise soldaten sliepen of dronken waren.

“Op de terugweg moest je voorzichtig zijn”, voegt hij eraan toe. “Er kon altijd iemand uit de bossen springen, om af te pakken wat je net had buitgemaakt.” 

Geluk gehad

Het pad wordt steeds smaller en uiteindelijk rijden we nog op een dunne modderstrook. 

We stoppen. “Dit is het dorp. Hier is het gebeurd.” Ik zie enkel bomen en hoog gras, maar Jock ziet het dorp van toen weer helder voor zijn ogen. 

“Hier was een markt”, toont hij, “en daar woonde mijn oom. Hij is doodgeschoten voor zijn huisje.” Hij zucht. “Ik krijg er kippenvel van.” 

© IPS / Kris Janssens

Jock toont waar het ziekenhuis stond.

Hij loopt ook bijna blindelings naar de plek waar destijds het geïmproviseerde ziekenhuis was. Een overgebleven fundering geeft nog de contouren van het gebouw weer. “Nu ik hier ben, besef ik hoeveel geluk ik toen heb gehad. Ik heb zoveel gewonden gezien. Je kon alleen maar hopen dat het niet met jou zou gebeuren. Vluchten of schuilen, dat waren de enige opties.”

Uiteindelijk komt zijn familie in het vluchtelingenkamp terecht aan de Thaise kant van de grens. Van daaruit  gaat het naar de Verenigde Staten. “Pas toen ik daar een jaar of vijf woonde, besefte ik dat het gevaar voorbij was. Ik ging naar school en ik hoefde me geen zorgen meer te maken over ontploffende mijnen of geweerschoten.” 

 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

randomness