De Afrikaanse economie blijft groeien, maar de schulden ook

De Wereldbank schetst in haar Global Economic Prospects rapport van 2014 een voorzichtig optimistisch beeld van de mondiale economische evolutie. De verdeling van de groeiende welvaart en de manier waarop overheden aan sociale versterking werken, komt in dit rapport niet aan bod. ‘In elk geval is economische groei een noodzakelijke voorwaarde voor sociale investeringen’, zegt Andrew Burns, hoofd van de afdeling Global Macroeconomics,  bij de Wereldbank en hoofdauteur van het rapport, in een gesprek met MO*.

  • Gie Goris Andrew Burns: 'Economische groei zorgt voor een optimaal klimaat voor het verbeteren van sociale indicatoren' Gie Goris

De groei van lage-inkomenslanden gaat dit jaar van 4,8 naar 5,3 procent en in de hoge-inkomenslanden is die stijging nog uitgesprokener, waardoor ze eindelijk opnieuw mee motor worden van mondiale groei. De relatief beperkte stijging in derdewereldlanden toont aan dat veel van die landen of regio’s hun inhaalspurt al voltooid hebben en nu groeien in overeenstemming met hun economische langetermijnpotentieel. Dat gaat grotendeels op voor Oost-Azië en de Pacific regio, de meeste landen van Latijns-Amerika, Centraal-Azië en sub-Saharaans Afrika.

Is de boodschap dat 2014 het nieuwe 2007 is?
Andrew Burns: Niet echt. De periode 2003-2007 was een echte boom-periode van oververhitte groei. Het feit dat de ontwikkelingslanden nu dik 2 procent minder snel groeien is in die zin goed nieuws, omdat we denken dat deze groeiritmes veel beter volgehouden kunnen worden. Een regio die het niet goed doet, is Noord-Afrika en het Midden-Oosten, met veel politieke onrust en economische terugval.

Heeft die tragere groei in ontwikkelingslanden vandaag ook te maken met de langetermijneffecten van de crisisaanpak in bijvoorbeeld Europa, waar de koopkracht en dus de consumptievraag wellicht krimpt als gevolg van een veralgemeend besparingsbeleid?
Andrew Burns: Neen. Die effecten zul je wellicht wel zien in de hoge-inkomenslanden zelf. De lage-inkomenslanden bevinden zich momenteel gewoon op hun langetermijnpotentieel.

Als een land als de Filipijnen opvallend sterke groeicijfers optekent, op basis van een infrastructuurboom, is dat dan verontrustend?
Andrew Burns: De centrale vraag is of die investeringen gaan naar structurele aanpassingen zoals wegen of havens, die de productie van goederen en diensten makkelijker maken, of is ‘infrastructuur’ eerder een woningbouwboom zoals in China of Indonesië, die  niet bijdraagt tot de onderliggende economische groei. Wat we nodig hebben is het eerste, gekoppeld aan beter macro-economisch beleid, dat een beetje aan belang ingeboet heeft in de voorbije periode waarin de focus op crisisbestrijding lag.

U bent dus voorstander van het beleid dat de EU voert de voorbije jaren, met zijn grote klemtoon op begrotingscontrole en besparingen?
Andrew Burns: Voor ontwikkelingslanden is een focus op structurele aanpassing in elk geval de juiste. India, bijvoorbeeld, zag tijdens zijn boom-periode zijn begrotingstekort en de inflatie toenemen. Dat zijn gevaarsignalen die een overheid ernstig moet nemen. Daarom raden we India een strenger begrotingsbeleid en controle op inflatie aan, zelfs als dat de groei afremt op korte termijn, net om de langetermijnperspectieven te vrijwaren.

Bedoelt u dat India minder zou moeten uitgeven aan sociale programma’s?
Andrew Burns: Het begrotingsprobleem van India heeft minstens twee grote onderdelen. Eén: de overheden blijken niet in staat om de rijkdom die gecreëerd wordt ook te vertalen in publieke middelen –er moet met andere woorden beter aan belastinginning gedaan worden. Twee: de programma’s zijn niet goed gericht, te veel mensen die de overheidssubsidies voor bijvoorbeeld rijst niet nodig hebben, profiteren er toch van. Met als gevolg dat degenen die er wel écht behoefte aan hebben, vaak in de kou blijven staan.

Klinkt goed, maar heel wat onderzoekers pleiten net voor universele rechten en dienstverlening, omdat daardoor de kwaliteit van bijvoorbeeld onderwijs, gezondheidszorg of voedselzekerheid beter gegarandeerd zou zijn.
Andrew Burns: De Wereldbank is in elk geval geen pleitbezorger van een onderscheid voor onderwijs, maar als je rijst gaat subsidiëren, dan blijkt dat de rijken daar meer van profiteren dan de armen, aangezien ze een hogere consumptie per hoofd hebben dan de armen. Je kan dus beter het inkomen van de armen subsidiëren dan een product als rijst.

De prijs van grondstoffen is de voorbije jaren behoorlijk teruggevallen. Betekent dat ook het einde voor de groeispurt in Afrika?
Andrew Burns: De groeispurt in Afrika kan je moeilijk toeschrijven aan de stijging van grondstoffenprijzen. We hebben daar onderzoek naar gedaan en we merken dat landen die grondstoffenarm zijn in Afrika zelfs een beetje sneller groeiden dan de grondstoffenrijke landen.

Bovendien was die groeiversnelling ingezet voordat de grondstoffenprijzen echt de hoogte in gingen rond 2005. Dé vraag vandaag is of de uitgaven die gebaseerd werden op die jaren van kunstmatig hoge groei ook volgehouden kunnen worden nu er meer organische groei is.

Het goede nieuws is dat een groot deel van de Afrikaanse economieën met meer dan zes procent per jaar blijven groeien. Het slechte nieuws is dat de veralgemeende begrotingsoverschotten uit 2007 verdwenen zijn en dat er vandaag een gemiddeld begrotingstekort van 3 procent is.

Als landen hun tekort willen verminderen, moeten ze wellicht hun eigen industriële capaciteit versterken. Indonesië besliste onlangs de export van onverwerkte grondstoffen zo goed als stil te leggen, om de bedrijven te dwingen te investeren in binnenlandse verwerkingscapaciteit. Een goed idee?
Andrew Burns: Ik betwijfel of het een voorbeeld is dat wij andere landen zouden aanraden te volgen. Het objectief –lokaal meer toegevoegde waarde creëren, zodat die ook ingezet kan worden voor de samenleving- is lovenswaardig, de vraag is hoe je dat best doet. De idee om dat te doen door de ontwikkeling van eigen industrieën te bevorderen op momenten dat de grondstoffen die het land zelf produceert hoge prijzen halen, is niet nieuw. Het probleem is dat die industrieën dan vaak niet het niveau bereiken waarop ze op eigen benen kunnen staan. Soms is dat gewoon omdat de ondernemers zich zo comfortabel voelen met die bescherming dat ze er alles aan doen om die eindeloos te verlengen.

Toch is dat de manier waarop de Oost-Aziatische staten hun economieën opbouwden.
Andrew Burns: Economie is dan ook nooit een model dat je simpel kan overnemen. Je kan niet aan Malawi zeggen dat het gewoon het Chinese voorbeeld moet volgen, want de binnenlandse omstandigheden zijn gewoon té verschillend: bevolking, onderwijsgraad, infrastructuur… Of nog: Indonesië heeft al een hele sterke groei én heeft grondstoffen, China en India hebben dat –in verhouding tot hun economische behoeften- niet of veel minder. Die grondstoffenrijkdom is niet noodzakelijk een nadeel of een bedreiging voor Indonesië, maar zeker ook geen vanzelfsprekende zegen. Dus nogmaals: er is geen eenvormig model voor succesvolle ontwikkeling.

Al heeft de Wereldbank gedurende jaren wel alle landen van de wereld, ongeacht hun ontwikkelingsgraad, gestimuleerd om de Washington Consensus toe te passen, met zijn nadruk op  exportgeleide groei en minimale overheid.
Andrew Burns: Persoonlijk vind ik de kritiek op de Washington Consensus wat overtrokken. Het feit dat zowat alle ontwikkelingslanden bij het begin van de eeuw zo’n sterke groei realiseerden, was tenslotte te danken aan het feit dat hun begrotingsbeleid in orde was, dat hun schulden en inflatie onder controle waren, het investeringsklimaat gunstig was… Wat we vandaag wel erkennen en twintig jaar geleden veel minder, is dat er geen eenduidig voorschrift voor succes bestaat. De meer dan tweehonderd economieën in de wereld hebben elk hun eigen kenmerken, kansen en fouten. En dat moet het vertrekpunt zijn van een goed en effectief beleid.

Het rapport baseert zich uitsluitend op economische groeivooruitzichten, gemeten aan bruto nationaal product. Nochtans is het intussen algemeen aanvaard dat het bnp op zijn best een zeer onvolledige indicator is van wat mensen en landen nodig hebben of doormaken.
Andrew Burns: Terechte opmerking, maar dit rapport is één van de vier hoofdrapporten die de Wereldbank elk jaar publiceert. In het World Development Report wordt diepgaand gekeken naar sommige van de vragen die u gesteld hebt, in het Global Monitoring Report wordt de stand van zaken op het vlak van sociale ontwikkeling en millenniumdoelstellingen bekeken, in het Doing Business Report wordt dan weer vooral de kant van investeringen en investeerders bekeken. De rode draad doorheen deze uitgaven is dat economische groei zorgt voor een optimaal klimaat voor het verbeteren van sociale indicatoren.

Er bestaan uitgesproken tegenstellingen in de benaderingen van deze vier rapporten. In Doing Business worden landen hoger gequoteerd als ze minder regelgeving hebben op het vlak van milieu- of arbeidsnormen, terwijl het World Development of Global Monitoring Report juist het belang van stabiele en waardige inkomens, of van een gezonde leefomgeving beklemtonen, ook voor de economie. Wordt daarover ooit gediscussieerd binnen de Wereldbank?
Andrew Burns: Dat debat leeft en wordt heel uitdrukkelijk gevoerde, ja. Niet dat het belang van een goede investeringsomgeving voor groei en ontwikkeling in vraag gesteld wordt, maar de gebruikte indicatoren worden wel degelijk kritisch bekeken en bijgesteld, onder andere vanuit het perspectief dat je aangeeft. Een grote evaluatie van Doing Business in 2013 resulteerde in een interne verhuizing van het rapport van het IFC (de private investeringsarm van de WB) naar de sector van de Ontwikkelingseconomie (de onderzoeksarm van de WB), net om de wetenschappelijke en maatschappelijke relevantie van de indicatoren te versterken. Dat was een duidelijke keuze van voorzitter Jim Yong Kim.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur