'De EU moet sociale maatregelen opnemen in het biobrandstoffenbeleid'

De Europese Unie is een van de grootste importeurs van Indonesische ruwe palmolie. Sinds de opmars van de biobrandstoffen en de Europese richtlijn om tegen 2020 tien procent van de transportbrandstof uit biobrandstoffen te betrekken, breiden de palmolieplantages op de Indonesische eilanden zich uit als een olievlek. De regering ziet hierin een geweldige opportuniteit, maar de lokale gemeenschappen zijn daar niet altijd even gelukkig mee. Rahmawati Retno Winarni is de directeur van Sawit Watch, een Indonesische middenveldorganisatie die waakt over de productie van oliepalm in haar land.

  • European Union Rahmawati Retno Winarni. European Union

MO* had een interview met Winarni tijdens de European Development Days. Zij vraagt dat de EU in de hervorming van haar biobrandstoffenbeleid ook rekening moet houden met sociale standaarden en pleit voor het aanstellen van een ombudsman waar betrokken organisaties uit het Zuiden terecht kunnen.

Hoe laat de impact zich voelen van de groeiende vraag naar palmolie voor biobrandstof vanuit de EU?

Rahmawati Retno Winarni: De energierichtlijnen van de EU werden vastgelegd in 2008. De Indonesische oliepalmindustrie zag de richtlijn als een vraag naar meer palmolie. Men is in 2008 meteen gestart met het oprichten van plantages. Oliepalmbomen hebben echter vier jaar nodig om productief te worden, dus men kan pas vanaf dit jaar beginnen oogsten. Nu komen er steeds meer plantages bij.

Dat creëert natuurlijk problemen. Als deze expansie niet gestopt kan worden, worden zowel mens als milieu bedreigd. Er zijn bijvoorbeeld tal van problemen met landbezit. Wij hebben notie van minstens 663 onopgeloste conflicten in Indonesië, maar Sawit Watch werkt niet over heel Indonesië. Volgens het belangrijkste autoriteitsorgaan van Indonesië zijn er meer dan 6.000 conflicten met betrekking tot land.

Gaat het hierbij dan over gemeenschappen of individuen?

Rahmawati Retno Winarni: Gemeenschappen, want alle palmplantages opereren op een zodanig grote economische schaal, dat dit niet door één familie gedaan kan worden. Het gaat vaak om meer dan honderd families.

Wij hebben gemerkt dat de meeste rechtszaken gevoerd worden in die regio’s waar grote expansie van de oliepalmindustrie plaatsvindt. Een voorbeeld hiervan is het conflict met Suku Anak Dalam, een inheemse groep. Zij leven in di Jambi, een provincie in Sumatra. Deze mensen werden van hun land verdreven, verloren hun huizen en kregen niet eens de kans om hun bezittingen te redden. De kinderen konden niet meer naar school gaan, mensen konden moeilijker aan voedsel geraken enzovoort.

Wij hebben deze situatie aangeklaagd bij International Finance Corporation (IFC), een onderdeel van de Wereldbankgroep, omdat ook zij investeren in oliepalmplantages. We hebben ons rapport naar de ombudsman van de Wereldbank gestuurd. Ze hebben nu een team gezonden om de zaak te onderzoeken, maar het is een moeilijk conflict.

Voorziet de overheid een alternatief voor de mensen die van hun land verdreven werden?

Rahmawati Retno Winarni: Nee, ze zijn dakloos of ze verblijven in nederzettingen. Maar zelfs daar hebben ze geen garantie dat ze niet opnieuw verdreven worden. In Indonesië is het heel moeilijk om te zeggen wie welk gebied bezit. Ruimtelijke ordening is dus een groot probleem.

We proberen dit op te lossen door bijvoorbeeld de gemeenschap in kaart te brengen in samenwerking met de bevolking. Zij geven aan wie welk stuk land bezit en waar het voor gebruikt wordt. Wanneer dit plan klaar is, wordt het gelegaliseerd onder de dorpswetgeving. Wanneer er dus een ontwikkelingsproject wordt gepland in hun omgeving, hebben ze een sterk argument in handen om dit tegen te houden. De regeringen zouden ook meer zulke ruimtelijke plannen moeten opstellen, maar dat is een groot werk. Het vraagt veel investering en capaciteit. 

Wat probeert een organisatie als Sawit Watch daaraan te doen?

Rahmawati Retno Winarni: Wij voorzien steun aan de mensen. We maken het gemakkelijker voor hen om het probleem op de kaart te zetten, ook in Indonesië. We gaan naar mensenrechtencommissies, lokale autoriteiten,…

Maar de rechten van inheemse volkeren worden vaak niet erkend. De overheid kan op elk moment land claimen als staatsgrond, want mensen hebben geen schriftelijk bewijs dat ze die grond bezitten. Zij bezitten het land enkel in hun herinnering, maar hebben geen papier om het te bewijzen. De overheid baseert zich echter op haar eigen wettelijke normen.

Daarom promoten wij rechtspluralisme. De staat Indonesië moet ook kijken naar de wetgeving van de inheemse bevolking. Indonesië heeft zeer veel mensenrechtenconventies geratificeerd, zoals bijvoorbeeld het internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, het biodiversiteitsverdrag, ECOSOC en zelfs het verdrag inzake inheemse en tribale volkeren. Maar er moet nog veel gebeuren. Mensen moeten geïnformeerd worden over deze verdragen en hun rechten en het moet omgezet worden in nationale wetgeving.

Uw organisatie neemt deel aan overleg over de problematiek. Wie zijn de betrokken partijen? 

Als de expansie van palmolie niet gestopt kan worden, worden zowel mens als milieu bedreigd.

Rahmawati Retno Winarni: Het overleg waar u naar verwijst is RSPO, de Ronde Tafel voor Duurzame Palmolie. Iedereen die betrokken is bij de productieketen van palmolie, wordt vertegenwoordigd. Het gaat dus over investeerders, banken, kleinhandelaars, de scheepvaart, de grote producenten, maar ook andere industrieën, zoals cosmeticabedrijven, geneeskundige bedrijven…

Wij verdedigen de belangen van de inheemse volkeren. We hebben bijvoorbeeld geholpen bij de oprichting van de vakbond voor kleine oliepalmboeren, Serikat Petani Kelapa Sawit (SPKS). Nu hebben ze al kantoren in acht districten in Indonesië en vertegenwoordigen zichzelf binnen RSPO.

Kunnen deze kleine boeren profiteren van de oliepalmplantages? Van deze nieuwe economie?

Rahmawati Retno Winarni: Meestal zijn deze boeren klein geworden of gebleven, niet omdat ze het willen, maar omdat ze geen andere optie hebben. Ze hebben geen economisch alternatief. Wanneer er een palmolieplantage in hun omgeving gelegen is, is de kans groot dat de boeren daar terecht komen als werkkracht. Het is eigen aan deze plantages dat men niet altijd aanwezig moet zijn. Daarom houden boeren vaak hun eigen kleine plantages en gaan ze soms daarnaast werken op de grote plantages, vooral wanneer er geoogst of gezaaid moet worden.

Luistert men volgens u naar wat uw organisatie zegt in naam van de inheemse gemeenschappen?

Rahmawati Retno Winarni: Ja, de samenkomst binnen RSPO zelf is al vrij progressief, want tot de principes van de organisatie behoren onder andere ethische criteria en de vrije, voorafgaande en weloverwogen toestemming (FPIC, dit komt uit Conventie 169 van ILO en betreft het recht van inheemse volkeren om hun vrije voorafgaande en goed geïnformeerde toestemming te geven of te onthouden over maatregelen die hen beïnvloeden, nvdr).

Daarnaast werken we veel rond mensenrechten, duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen, CO2-uitstoot…. Deze initiatieven zijn niet verplicht, ze zijn vrijwillig ontstaan. Het is geen legaal bindend mechanisme. Je kan niemand straffen omdat ze hun eigen engagement schenden.

Ik heb ook gehoord dat er in de overheden en instituties in Indonesië een grote invloed is van de tijd van de militaire dictatuur en dat er corruptie bestaat met handelsverdragen voor buitenlandse bedrijven?

Rahmawati Retno Winarni: Ik zal u uitleggen hoe het in zijn werk gaat. Alvorens oliepalmplantages kunnen starten met opereren, zijn er verschillende soorten vergunningen vereist. Ten eerste moet het bedrijf zelf geregistreerd zijn. Daarnaast moet men eerst de mensen gaan consulteren alvorens men verder kan werken. Wanneer men dit verworven heeft, moet men een toelating krijgen van de plantage-industrie. Hiervoor moet men rapporteren over de effecten op het milieu. Wanneer dat in orde is, krijg je de toelating.

Dit gebeurt allemaal op districtsniveau. Zij hebben hier lokale autonomie over. Daarnaast moeten ze ook een toelating krijgen van het ministerie van bosbouw. Wat er echter gebeurt, is dat men al begint met de plantages nog voor alle toelatingen in orde zijn. Hier komen we bij de problematiek rond rechtshandhaving.

Maar elke medaille heeft een keerzijde, want naast de bedrijven is er ook de gemeenschap. Hun perceptie ten opzichte van de toelatingen is belangrijk, want de gemeenschappen zelf kunnen ongewild toelatingen geven aan de bedrijven, omdat ze niet de juiste informatie hebben. Het is dan ook onze taak om meer informatie te verspreiden over de wettelijke vereisten, de mogelijke impact van oliepalmplantages en over wat men kan doen indien deze geschonden worden. Mensen krijgen van de bedrijven enkel de positieve zaken te horen, maar in de praktijk is het natuurlijk niet altijd zo. Daarom proberen wij meer balans te brengen in de stroom aan informatie.

Europa is op dit moment bezig met een hervorming van het biobrandstoffenbeleid. Ze willen de uitstoot beperken van tien naar vijf procent voor biobrandstoffen uit voedingsgewassen. Denkt u dat dit een verschil zou kunnen maken voor de plantages en investeerders in Indonesië?

Rahmawati Retno Winarni: Het cijfer zelf is niet zo duidelijk in de praktijk. We weten niet wat de eigenlijke vraag van de EU is. We roepen de EU wel op om bindende sociale maatregelen op te nemen in het beleid. De huidige maatregelen leggen sterk de nadruk om het milieu en de CO2-uitstoot, maar wij vragen ook sociale maatregelen, zoals het FPIC-principe of een mechanisme waar mensen en getroffen gemeenschappen een zaak kunnen voorbrengen, zoals bijvoorbeeld een ombudsman.

Wat is uw boodschap voor Europa?

Rahmawati Retno Winarni: Stop met de expansie! Geen uitbreiding meer, maar een duidelijke limiet. Daarnaast willen we dat de EU sociale standaarden opneemt in haar beleid en een mechanisme voor geschillenbeslechting opricht.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2859   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift