De verdwenen zonen van Soacha

De valse bewijzen van de Colombiaanse oorlog

Onlangs waren Maria Ubilerma Zanabria en Luz Marina Bernal in Vlaanderen te gast bij Amnesty International, twee moeders van het Colombiaanse dorp Soacha die hun kind verloren, en gerechtigheid eisen van de president.

  • Kathleen Coen Kathleen Coen

Jaren lang heeft het Colombiaanse leger zijn statistieken van gesneuvelde guerrilleros vervalst. De gruwelijke werkelijkheid achter de opgesmukte cijfers kwam twee jaar geleden aan het licht. Toen bleek dat de trofeeën van de militairen “falsos positivos” waren, “getrukeerde ” gesneuvelden. Onschuldige burgers, meestal jonge mannen uit arme gezinnen,  werden ontvoerd door handlangers van het leger of criminele bendes en vervolgens vermoord. Ze werden dan verkleed als guerrillero en met een wapen in de hand gefotografeerd als gesneuveld in een treffen met de militairen. Soacha is een dorp  in de buurt van de hoofdstad Bogota, waar geronseld werd.  De huidige president, Juan Manuel Santos, was in die jaren minister van defensie. Hij is politiek verantwoordelijk voor wat toen gebeurde.

In welke omstandigheden is jouw zoon verdwenen? 
Luz Marina Bernal:
Twee mannen die in de buurt een winkel hadden, Pedro Gamez en Alex Carretera Diaz, namen hen op sleeptouw. Het was een winkel met een bar; ze haalden de jongens aan en hoorden dat ze geen werk hadden. Ze gaven hen drank en de jongens zagen hen als vrienden.  De twee heren, zelf gepensioneerde militairen, zegden dat ze een goedbetaalde job voor hen wisten op een boerderij in het departement Norte de Santander, waarvan die mannen afkomstig waren.  Ik denk dat ze met voorbedachte raden in Soacha waren komen wonen.  De jongens vertrouwden hen, ze beschouwden hen als vrienden.  Thuis willen ze bijspringen om in het onderhoud van de familie te voorzien: de huishuur, de studies van de kinderen, het dagelijks leven maar de werkgelegenheid ligt niet voor het grijpen en dus gingen ze in op het aanbod.
Camilo Andrés Valencia was de eerste die in december 2007 zijn kans waagde. Op 2 januari 2008 vertrok Mario Arenas en op 8 januari Fair Leonardo Porras, mijn zoon. Op 26 januari Julio Cesar Mesa.  Op 6 februari ging een groepje van drie: Jaime Esteban Valencia, Diego Marín en Daniel Martínez. Telkens een of twee of drie. Tot augustus 2008 zijn er jongens vertrokken. 

Nadien hoorden jullie niets meer van hen?
Meer dan een half jaar hoorden we niets, tot september 2008. Op 23 september 2008 werden er in een massagraf in Ocaña, in Norte de Santander vier lichamen geïdentificeerd. Ik kreeg het nieuws van de juridische dienst, omdat volgens de identificatie van de vingerafdrukken een van die jongens mijn zoon zou zijn. De andere drie moeders waren  Elvira Basquez , Flor Hernándes en Blanca Nubia. 

En hoe heb je je zoon teruggevonden?
Ik ben de volgende dag vertrokken naar Ocaña, meer dan tien uur reizen. Ik ging naar het gerechtshof en zei dat ik mijn zoon kwam zoeken; dat ik wilde weten wanneer en in welke omstandigheden hij gestorven was. Hij was op 8 januari verdwenen en ik had niets meer gehoord.    “Hij is op 12 januari 2008 gestorven”, antwoordden ze me.   “Maar hij behoorde tot een groep die buiten de wet staat. Hij was een narcoterrorist, mevrouw.”  Ik schrok.  “Hoezo, een narcoterrorist? Hij woonde in de buurt van Bogota in een armenwijk.”  Mijn zoon was ook mentaal gehandicapt,  als gevolg van een hersenvliesontsteking toen hij klein was. Hij kon niet lezen of schrijven, kende ook de waarde van het geld niet. Hij was absoluut niet in staat om alleen zo’n verre reis te ondernemen.  Hij was linkshandig. Hij kon zijn rechterhand  niet goed bewegen. Op de foto had hij echter een geweer in zijn rechterhand. De jongens waren zogezegd gesneuveld in de strijd.  Ik protesteerde en zei dat dit niet kon kloppen.  “Ja, maar dit is het verslag van het leger”, was het antwoord van de rechter.


Hebben jullie enige verklaring voor zo’n praktijk? 
Dat zijn de zogenaamde “falsos positivos”,  getrukeerde gesneuvelde opstandelingen.  Het leger wil op alle mogelijke manieren tonen dat het resultaat boekt in de oorlog. Militairen worden ook beloond, met een premie of een verhoging in rangorde, voor elke gedode opstandeling. Een militair vertelde in een getuigenis dat hij 80 euro kreeg voor mijn zoon.
Toen ik het lijk was gaan halen en daarmee terug kwam naar Bogota, had president Uribe zelf de pers al te woord gestaan en gezegd dat de jongens die naar Norte de Santander gegaan waren, niet gegaan waren om koffie te plukken, maar dat het narcoterroristen waren. De president zelf besmeurde zo de reputatie van onze kinderen.  Wij, de slachtoffers, worden op die manier nog eens slachtoffer van smaad en belediging door de president.  Eerst ontvoeren ze onze zonen, ze nemen hun documenten af, dan vermoorden ze hen en vervolgens ontnemen ze hen hun naam en hun gezicht door hen te begraven in massagraven. De president zelf degradeert onze kinderen tot misdadigers. En als we dat onrecht aanklagen, worden wij nog bedreigd omdat we de waarheid eisen en de naam van onze kinderen willen zuiveren. 


Jullie hebben dat dan ook uitgebracht in de media.
Toen die eerste vier lijken gevonden werden, hebben we  ons beklag gedaan in de media.  Van toen af is ook onze kruistocht begonnen, op zoek naar de waarheid en naar gerechtigheid.  Wij willen ook verhinderen dat zich dit herhaalt op andere plaatsen van het land. Wij willen andere moeders behoeden voor hetzelfde lot. Wij zijn mensenrechten beginnen studeren. Wij willen onze rechten kennen en spreken met andere slachtoffers. Niet enkel in Bogota, we reizen ook naar Medellín, Catatumbo, La Guajura, Bucaramanga, Boyaca…

Soacha was niet het enige dorp waar jongens verdwenen? 
Zonder er erg in te hebben, stelden we vast dat onze aanklachten van alles in het werk zetten bij moeders die gelijkaardige ervaringen hadden. Er waren nog moeders wiens zonen weg waren, maar ofwel hadden ze nog geen argwaan over wat er met hen gebeurd was, ofwel hadden ze schrik om een aanklacht in te dienen.  Ze durfden niet spreken maar wij schreeuwden het uit naar de vier windstreken.  We merken nu dat, sinds wij in beweging gekomen zijn, moeders die hetzelfde hebben meegemaakt, ook hun angst verliezen en beginnen vragen stellen.

Eerst ontvoeren ze onze zonen, ze vermoorden hen en ontnemen hen hun naam en hun gezicht door hen in een massagraf te begraven. En vervolgens degradeert de president hen nog door hen misdadigers te noemen.

 

Komt deze praktijk dan zoveel voor?
Met de steun van mensenrechtenorganisaties zoals Cinep en de Coördinatie Colombia-Europa-VS heeft men tot op vandaag 3183 gevallen vastgesteld, verspreid over het hele land.  Maar het kunnen er veel meer zijn, dat weten we nog niet. Generaal Padilla of voormalig president Uribe zegt dat het om een paar geïsoleerde gevallen gaat maar dat is het duidelijk niet. Onlangs bezocht de speciale rapporteur van de VN voor wederrechtelijke executies, Philip Alston, Colombia. Hij stelde vast dat het wel degelijk om een systematische praktijk van het leger gaat. 

Hoe is jouw zoon verdwenen?
Maria Ubilerma

Mijn zoon was Jaime Estibes Valencia. Hij was de jongste van allemaal, zestien jaar. Hij verdween op 6 februari. Rond een uur of 11 ging hij boodschappen doen voor het middagmaal. Toen ik om 3 uur in de namiddag terugkeerde, was hij nog niet terug.   Ik ben een aanklacht gaan indienen maar men wilde daar geen aandacht aan besteden. “Een jongen van 16, zal wel hier of daar uithangen, met vrienden aan t’ spelen zijn, “ was het antwoord. Ze zegden dat ik over twintig dagen maar eens moest terugkomen. Ze stuurden me naar de Gerechtelijke Politie in Bogota.  Ik moest alle gegevens van mijn zoon laten optekenen bij de wetsdokter, foto’s binnenbrengen.  Dan kreeg ik te horen dat ik die klacht elders moest neerleggen. Zoveel miserie en zoveel angsten dat we doorstaan hebben! Ik ben dan uiteindelijk naar Valledupar gereisd (hoofdstad van deelstaat Cesar) en vernam daar dat de jongens die uit Soacha vertrokken waren, teruggevonden waren in een massagraf in Ocaña. Na lang zoeken kreeg ik uiteindelijk de foto’s van mijn zoon te zien, vermoord, gefolterd, met zijn gezicht verminkt. Vreselijk. 
Ook bij hem hadden ze zijn kleren verwisseld en hem een uniform van de guerrilla aangetrokken.  Hij had verschillende wapens bij zich en zou gesneuveld zijn in de strijd. Ik vroeg: “wanneer is die dan bij de guerrilla geweest? Hij heeft nooit wapens gehanteerd.”   Ik heb het lichaam van mijn zoon meegebracht en plechtig begraven. Een voor een vernamen we zo ook de andere gevallen van Soacha, zestien in totaal.  Allemaal jongens tussen de 16 en 24 jaar.

Jullie hebben nu de handen in elkaar geslagen om dit aan te klagen.
Wij willen duidelijk maken dat het niet klopt wat de regering zegt dat het slechts om enkele geïsoleerde gevallen gaat.  “Jullie maken zoveel schandaal voor een paar doden, waarom toch”, zeggen ze ons.  Aangezien het hier gaat om “falsos positivos”,  om valse bewijsstukken, is er ook geen plaats voor onze aanklachten, waarvan ze beweren dat die vals zijn. Anders wordt hun betoog doorprikt. Al die misdaden blijven straffeloos.


Wordt er naar jullie klacht geluisterd? 
Integendeel, we worden bedreigd.  Acht van de zestien families hebben al bedreigingen gekregen. Ongeveer een jaar geleden, op 7 maart 2009, kreeg ik de eerste bedreiging.   Twee mannen op een moto komen voorbijgereden. Een van hen grijpt me vast bij mijn haar, duwt me tegen de muur en zegt dat ik moet ophouden met aanklagen. Of ik wil dat mij overkomt wat mijn zoon overkwam? Ik krijg bedreigingen per telefoon. Of soms een berichtje per sms op mijn gsm, dat zegt: “moedertje, ik hou heel veel van jou, van je zoon die inmiddels een lijk is. De meest recente bedreiging is een pamflet dat ik ontving, met daarop de namen van mij en van mijn dochter, en met plakband een kogel daarop gekleefd en de boodschap dat we moeten zwijgen;  dat ze nog veel van die kogels hebben en dat onze dagen geteld zijn.  Het is een bedreiging voor heel onze familie. Ik heb acht  kinderen en negen kleinkinderen. We voelen ons allemaal bedreigd. We zijn zoveel bloed vergieten, zo veel geweld, zoveel moorden van onschuldigen, we zijn dat totaal beu!


Werden de militairen niet gestraft, toen deze valse praktijk aan het licht kwam?
Nancy Sanchez:

In oktober 2008 volgt de bewuste afzetting van 27 soldaten waaronder drie generaals en ook generaal Montoya, stafchef van het leger. Maar na dat ontslag is er geen enkel onderzoek gekomen, geen enkele straf.  Montoya is in de loop van 2010 zelfs naar de Dominicaanse Republiek gestuurd als ambassadeur, hij is dus eerder nog beloond.  We hebben inmiddels wel verkregen dat het onderzoek naar de jongens van Soacha door burgerlijke rechtbanken zal behandeld worden en niet door militaire. Omwille van alle commotie die ontstaan is rond deze praktijk, werden in mei 2009 tientallen militairen gearresteerd, maar in januari dit jaar werden er 31 opnieuw vrijgelaten omdat de termijn van het onderzoek was verstreken. Ze zijn vrijgelaten, met een groot feest, met psychologische bijstand, massage en ontspanningstherapieën  en kregen opnieuw een postje in het leger. 
Maar voor de kinderen die verweesd achterblijven na de verdwijning van hun vader in deze falsos positivos, is er geen psychologische steun.

Hoe verantwoordt de regering dit?
Het fenomeen is emblematisch voor de situatie van het land. Het maakt deel uit van de politiek van democratische veiligheid van gewezen president Uribe. De successen zijn echter gebaseerd op deze onschuldige jongens die als crimineel worden voorgesteld. Juan Manuel Santos was toen minister van defensie en is nu president. Hij is politiek verantwoordelijk voor wat daar gebeurde.  Op dit ogenblik voert hij een politiek van toenadering tot de mensenrechtenorganisaties, maar in de praktijk doet hij alles om alle garanties te geven aan wie deze praktijken toepast. En als president is hij onschendbaar.

Wat zijn jullie verwachtingen met Santos als president?
Luz Marina Bernal
:  Ik vrees dat er niet veel zal veranderen. Nochtans kan hij als president bewijzen dat hij de zaken anders wil aanpakken, door ervoor te zorgen dat er gerechtigheid geschiedt in het geval van Soacha, en in al die meer dan 3000 andere gevallen. We hebben brieven gestuurd aan voormalig president Uribe, aan Santos als minister van defensie, aan generaal Padilla, aan de rechters en procureurs. Nooit hadden ze tijd om ons te antwoorden.  Onze vraag is dat ze speciale rechters en juristen zouden aanstellen om deze gevallen van “falsos positivos” uit te klaren.
Maria Ubilerma: In Colombia is er geen gerechtigheid en daarom hebben we onze toevlucht genomen tot de internationale kanalen zoals Amnesty Internacional. In Europa krijgen we wel meer steun. We hopen dat deze internationale aanklacht ook de oren van de machthebbers in Colombia bereikt.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.