Dina Pons: ‘Microfinanciering kan niet de hemel op aarde beloven’

Microfinanciering geldt als een van de belangrijkste instrumenten waarmee de armsten in het Zuiden zichzelf uit de armoede kunnen tillen. Het succes van de benadering creëert echter zijn eigen bedreigingen, met een toenemend aantal gevallen van overmatige schuldenlast tot gevolg. Een diepgaand onderzoek in Cambodja probeert de problemen in een juiste context te plaatsen.

  • Incofin IM Dina Pons op werkbezoek in Cambodja Incofin IM

‘In bepaalde landen waar microfinancieringsdiensten (te) snel zijn uitgebreid, ontstond het probleem van armen die te veel toegang hadden tot financiering, met de mogelijkheid om krediet te verkrijgen bij verschillende microfinancieringsinstellingen. Een agressieve groei van microfinanciering, zelfs met goede intenties, kan een negatieve impact hebben wanneer de mogelijkheden voor kredietnemers onuitputtelijk zijn. ‘Over-indebtness’ is de dag van vandaag een van de grootste risico’s voor microfinanciering en heeft een impact op alle stakeholders, de kredietnemers voorop’, zegt Incofin, een van de grotere Belgische microfinancieringinvesteerders, naar aanleiding van het verschijnen van het rapport Study on the Drivers of Over-Indebtedness of Microfinance Borrowers in Cambodia: An In-depth Investigation of Saturated Areas.

De studie is een samenwerking van Incofin IM, BlueOrchard Finance en Oikocredit, het Cambodian Institute of Development Study (CIDS) en acht van de toonaangevende microfinancieringsinstellingen (MFI’s) in Cambodja. MO* sprak met Dina Pons (Investment Manager voor Oost-Azië en Social Performance Coordinator voor Incofin IM) en over microfinanciering, Cambodja en de vraag wie er beter wordt van microfinanciering.

Dina Pons: De studie is een poging om de situatie van de microfinancieringsmarkt in Cambodja beter te begrijpen, op basis van een betere kennis van de feiten. Sinds 2008 is er namelijk heel wat zenuwachtigheid, op de eerste plaats omdat de groei van de Cambodjaanse economie –een heel open economie met toerisme en textiel als belangrijke sectoren– door de crisis vertraagde, maar ook omdat er sprake was van een overaanbod van kredieten en daardoor van een dreigende terugbetalingscrisis.

Is dat de reden waarom jullie de microfinanciering in Cambodja onderzochten?

Dina Pons: Cambodja is een heel volwassen markt voor microfinanciering. Dat is het gevolg van de grondige verwoesting van het land en de instellingen onder de Rode Khmers en de burgeroorlog, en van de heropbouw die grotendeels gedragen werd door internationale hulp en financiële instellingen. Er werden dus nogal robuuste microfinancieringsinstellingen opgebouwd. Tegelijk heeft de Nationale Bank die microfinanciering sterk begeleid en effectief gereguleerd. De meeste Nationale Banken begrijpen het verschil tussen gewone banken en microfinanciering niet zo goed, waardoor ze vaak erg rigide regels opstellen die niet geschikt zijn voor de goede werking van microfinanciering.

In Cambodja antwoordde de Nationale Bank op de groei van organisaties die microkredieten verschaften met een Non-Banking Financial Institutions License, om te beginnen voor kredietverlening en later — toen ze zeker waren dat er behoedzaam gewerkt werd — ook voor het opzetten van spaarmogelijkheden. Dat laatste liet de MFI’s toe lokaal kapitaal op te halen en minder afhankelijk te worden van internationale MFI’s.

Sinds vorig jaar is er zelfs een nationaal Kredietbureau, dat alle kredietverstrekkers verplicht de kredietgeschiedenis te checken van elke klant, zodat je tenminste weet of en hoeveel andere kredieten die klant al lopen heeft, en welke afbetalinsgsgeschiedenis hij daarmee heeft. Er zijn weinig landen waar de overheid zo een sterke capaciteit heeft op dit vlak, misschien Peru en de Filipijnen. Het heeft uiteraard wat tijd gevraagd om dit systeem op poten te zetten en alle MFI’s op dezelfde database te krijgen, maar het werkt nu, en het werkt tot voldoening.

Uw beschrijving van de Cambodjaanse overheid staat in schril contrast met de Corruption Perception Index van Transparency International, waarin Cambodja in 2012 op plaats 157 van 174 landen eindigde.

Dina Pons: De mensen die voor de Centrale Bank werken en die overzicht uitoefenen op de financiële sector zijn van een ander gehalte dan wat je op andere overheidsadministraties aantreft. Ze beseffen ook dat het van cruciaal belang is dat geld en financiële diensten gelijk verspreid moeten worden over het hele land, op straffe van sociale onrust en conflict. Daarom hebben ze er bijvoorbeeld ook op toegezien dat MFI’s niet gingen zoeken naar het spaargeld van de rijken in Phnom-Penh, maar dat ze op het platteland spaarrekeningen openden van een euro of wat.

Wat zijn de vaststellingen in de studie?

Dina Pons:Iets meer dan 20 procent van de mensen in Cambodja hebben meer dan één lening lopen en een minderheid daarvan heeft een probleem met OID (over-indebtness). Dit betekent niet dat het noodzakelijk slecht is om meerdere leningen aan te gaan, wel dat het sterk van je eigen terugbetalingscapaciteit afhangt. Maar vanaf drie lopende leningen mag je wel concluderen dat de kans op problemen heel groot wordt.

In de studie wordt vastgesteld dat niet minder dan 22 procent van de klanten insolvent is of problemen heeft met terugbetaling van de leningen.

Dina Pons: Maar dat is het resultaat in dorpen waarvan we vooraf wisten dat er meer leningen waren dan huishoudens. En slechts 6 procent van de dorpen in Cambodja vertoont dat profiel. Opmerkelijk is dat in eenzelfde aantal dorpen de microfinancieringsinstellingen in onze studie geen uitstaande lening had. Dat relativeert dat hoge cijfer, maar niet het gevaar dat erin schuilt. Een kredietcrisis ontstaat niet doordat iedereen te diep in de schulden zit, het volstaat als een paar niches exploderen.

Op die plaatsen moet dus grote voorzichtigheid aan de dag gelegd worden, maar tegelijk toont dit ook aan dat MFI’s op andere plaatsen in Cambodja nog ruime groeimogelijkheden hebben -en dat gaat in tegen het aanvoelen dat bestond. Al moeten we er ons wel bewust van zijn dat die groeimarkten duurder zijn, aangezien ze verder van de grote wegen of centra liggen, minder dicht bevolkt zijn, …

Maar aangezien MFI’s uitdrukkelijk de opdracht hebben om voor financiële inclusie van de meest kwetsbare of gemarginaliseerde bevolkingsgroepen te zorgen, is dat risico deel van wat we moeten doen.

Maar kan je die verschuiving aan de markt overlaten? Als meerdere MFI’s actief zijn in eenzelfde, aantrekkelijke regio, waarom zou een daarvan dan beslissen om naar een regio te trekken waar het aanbieden van diensten duurder is?

Dina Pons: Het klopt dat er altijd een probleem is van free riders, organisaties die de kat uit de boom kijken en zelf geen risico’s willen nemen. Maar in Cambodja is er wel een goede traditie van samenwerking tussen de grote MFI’s, zonder dat de overheid dat moet opleggen of reguleren. Die samenwerking kreeg zelfs de vorm van een vrijwillige, beperkte uitwisseling van gegevens onder enkele instellingen, wat spontaan leidde tot het heroverwegen van regio’s waar te veel lonen gegeven werden. Maar de Centrale Bank blijft ook heel nauw betrokken, om ervoor te zorgen dat de markt een positieve rol speelt en niet leidt tot destructieve concurrentie.

Heeft de aanwezigheid van en concurrentie tussen zo veel MFI’s in Cambodja ook positieve effecten?

Dina Pons: Cambodja is net een van de weinige landen waar die concurrentie geleid heeft tot een daling van de aangerekende interesten. Die bedragen nu rond de 25 tot 30 procent. Dat lijkt vrij hoog voor ons, maar aanzienlijk lager kan moeilijk met de kosten voor personeel en kapitaal. Voor de arme Cambodjanen is het alternatief trouwens een pak duurder: de informele kredietverschaffers rekenen vaak 80 tot 100 procent interest. Gelukkig zijn de MFI’s in Cambodja zeer professioneel en efficiënt waardoor ze niet meer risico moeten incalculeren dan strikt noodzakelijk, en waardoor de interestvoeten toch onder controle blijven.

Kan er bespaard worden op de werkingskosten?

Dina Pons: Er wordt op dit moment geëxperimenteerd met mobiel bankieren, waardoor de frequentie van de bezoeken van de bediende die de lening opvolgt, verminderd kan worden. Sommige organisaties denken over het plaatsen van geldautomaten waar je niet alleen geld kan afhalen maar ook kan deponeren. Of men wil het invoeren van gegevens door de lokale verantwoordelijke vereenvoudigen door het gebruik van tablets. Maar zelfs als er echt gerationaliseerd wordt, blijft het gevaar van inflatie en van andere instabiliteiten aanwezig. En dat vertaalt zich in de interestvoeten die aangerekend worden.

En kan er ook niet bespaard worden op de winsten van de investeerders? Want door de intrede van commerciële spelers in de microfinancieringswereld zorgen de extreem armen ook voor de kwartaalcijfers van de onaanvaarbaar rijken?

Dina Pons: Incofin vraagt geen uitkering van dividenden, dus dat bevrijdt de lokale MFI’s toch van veel prestatiedruk. Natuurlijk zien we er wel op toe dat we na een afgesproken aantal jaren uit het kapitaal kunnen stappen met een winst. De vraag is dan vooral wie de participatie overneemt en met welke bedoelingen.

We proberen op dit moment te komen tot een soort standaard van wat een redelijke winstverwachting kan zijn van iemand die in microfinanciering investeert. We moeten voorkomen dat sommige actoren hun aandeelhouders de hemel op aarde beloven, terwijl je in microfinanciering, dat uiteindelijk moet zorgen voor de financiële inclusie van de armen, tevreden moet zijn als je een stukje van de aarde terugkrijgt.

De studie lijkt vooral uit te gaan van de vraag of de MFI’s niet bedreigd worden door het teveel aan leningen en het groeiende probleem met terugbetalingen dat daaruit voortvloeit. Maar is het probleem niet omgekeerd: bedreigen de MFI’s met hun aggressieve aanbod niet de klanten die ze zouden moeten dienen? En is het meest verontrustende feit in de studie niet de vaststelling dat mensen met een over-indebtness (OID) probleem gaan besparen op voedsel?

Dina Pons: Het belangrijkste is om vast te stellen dat zelfs in heel sterk gepenetreerde regio’s het aantal mensen dat zichzelf “onaanvaardbare opofferingen”, zoals minder voedsel, moet opleggen, heel miniem is. Daarnaast is het wel belangrijk dat MFI’s beter toekijken op de subjectieve inschatting van klanten van hun terugbetalingscapaciteit. We zien dat een aantal elementen daarin een belangrijke rol spelen: onderwijsniveau, financiële vaardigheden, …

Een andere belangrijke vaststelling is dat individuele terugbetalingscapaciteit best in de familiale context bekeken wordt. Want zelfs als er aan het inkomen van de klant zelf niets verandert, dan kan er toch een probleem ontstaan als enkele andere mensen in het gezin plots werkloos worden –wat in de nasleep van de crisis van 2008 effectief het geval was. Het ene overblijvende inkomen moet dan plots ook het eten van de anderen, de hele kost van huisvesting, eventuele onderwijskosten én de afbetaling van de lening verzekeren.

Welke belangrijke lessen kunnen uit deze studie getrokken worden voor andere landen waar MFI’s actief zijn en waar de concurrentie wel eens zorgt voor terugbetalingsproblemen?

Dina Pons: De belangrijkste les is wellicht het belang van een goed regulerende overheid, met een effectieve Centrale Bank en een Kredietbureau dat in staat is om snel accurate informatie aan te bieden aan MFI’s en problemen te detecteren waar ze zich mogelijks voordoen. Uiteraard ligt de verantwoordelijkheid bij de MFI’s om deze informatie goed te gebruiken en een passend beleid en proceduren uit te tekenen zoals een limiet op het aantal leningen dat kreditenemers kunnen hebben. . Daarnaast is een effectief overleg van instellingen ook belangrijk.

In uw verhaal komen de befaamde kredietgroepen niet voor. Betekent dit dat het model van de Grameen Bank, dat wereldwijd geassocieerd wordt met microkrediet, verdwijnt?

Dina Pons: Je hebt nog steeds de MFI’s die met erg kleine leningen werken van 500 dollar of zelfs minder, en die maken vaak gebruik van groepsleningen. Maar zelfs die zijn een stuk flexibeler dan de klassieke Grameenmethode, wellicht omdat er in Cambodja zoveel aanbodis. In die context kan je mensen moeilijk verplichten om elke week voor twee uur samen te komen, over hun lening te vertellen en te luisteren naar wat de vertegenwoordiger van de MFI denkt en aanraadt. Die aanpak lijkt mij voorbijgestreefd.

In plaats van de vaste wekelijkse afbetalingen wordt soms gemikt op maandelijkse termijnen of wordt rekening gehouden met de oogstseizoenen, zodat mensen kunnen afbetalen als ze hun inkomsten gerealiseerd hebben. De klanten worden dan ook meer behandeld als verantwoordelijke economische actoren en minder als ontvangers van hulp.

De tweede categorie MFI’s zit eerder in de categorie van 1000 tot 2500 dollar leningen. Dit zijn meestal individuele leningen met land of andere bezittingen als onderpand.

Wat is dan nog het verschil tussen een MFI en een bank?

Dina Pons: Een MFI aanvaardt bijvoorbeeld een bevestiging van grondbezit op dorpsniveau, terwijl een bank een meer formele landtitel zou eisen, wat meer tijd en kosten zou vragen. En zelfs als een onderpand op eenvoudige manier aanwezig zou zijn, blijft de vraag of een bank wel het risico wil nemen om een vijfhonderddollarlening te geven aan mensen met onzekere inkomsten. Of dat ze de flexibiliteit zou opbrengen om terugbetalingen aan huis te ontvangen. Zelfs voor KMO’s is het in Cambodja vaak lastig om een lening bij de bank te krijgen.

Uit de studie blijkt dat de meeste problemen met terugbetaling en OID zich voordoen in de context van de landbouw, veel minder met loontrekkers of kleine zelfstandigen. Nochtans wordt microfinanciering meestal aangeprezen als hét middel om de gemarginaliseerde plattelandsbevolking uit de armoede te lichten.

Dina Pons: Het toont vooral aan dat landbouwfinanciering een van de moeilijkste zaken blijft. Er zijn zo veel factoren om in rekening te brengen: de landbouwcyclus, de prijs van de gewassen op de markt, het weer, … En microfinanciering kan zijn producten niet aanpassen aan de specificiteiten van elke klant, daarvoor zijn de bedragen te klein. We merken wel dat de financiële stabiliteit in landbouwgezinnen wordt verhoogd als er ook loontrekkenden aanwezig zijn.

Waarom ontwikkelt u geen aangepast verzekeringssysteem om die onzekerheden te dekken?

Dina Pons: Om te beginnen kunnen MFI’s in de meeste landen geen licentie krijgen voor het aanbieden van verzekeringen. Anderzijds zijn de meeste verzekeringsbedrijven net zo terughoudend om zaken te doen met een rijstboer in het binnenland van Cambodja als de banken. Al worden er hier en daar wel levensverzekeringen, begrafenisverzekeringen of zelfs kleine hospitalisatieverzekeringen aangeboden.

Misschien moet de staat zich daar zelf mee bezighouden? Die kan de risico’s dragen en heeft een opdracht om te herverdelen.

Dina Pons: Er zijn initiatieven op dat vlak. Bij een recente overstroming keerde de Cambodjaanse overheid compensatie uit voor de getroffen boeren. Maar gezien het niveau van corruptie in het land, is het vaak twijfelachtig of programma’s die opgezet worden om de armsten te bereiken ook werkelijk tot onderaan de maatschappelijke ladder geraken. Daarom werd een deel van het overstromingsgeld bijvoorbeeld uitbetaald via MFI’s, wij hebben ten minste een boekhouding die toelaat na te gaan hoeveel geld er binnengekomen en hoeveel er uitgegeven is.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur