Economische groei kan je faken

De Ontwikkelaars

Economische groei en ontwikkeling, het leek zo’n mooi koppel, midden vorige eeuw. En het is ook een kwestie van erin te blijven geloven: de Wereldbank klasseert alle landen van de wereld nog steeds in functie van het inkomen per hoofd van de bevolking. Maar wie gelooft deze mensen nog?

  • © Wiepke Boogaerts © Wiepke Boogaerts
  • Bron: James Galbraith (2016), Inequality, Oxford University Press, p. 88 Evolutie van het inkomen van de hoogste 1% en de laagste 90% van de bevolking in de Verenigde Staten van 1947 tot 2011 (indices, 1e kwartaal 1947 = 100) Bron: James Galbraith (2016), Inequality, Oxford University Press, p. 88

Niet kunnen terugvallen op een goed alternatief is een zwak excuus, sinds 1990 publiceren de VN immers hun Human Development Index. De Human Development Reports lijken er bij elke nieuwe editie ook een punt van te maken om telkens een nieuwe indicator voor te stellen.

De betere verontschuldiging is misschien dat een alternatieve indicator gewoon niet mogelijk is: Het werk van Amartya Sen kan dienen als zowel een uitstekende kritiek van het inkomen per hoofd, als van eender welke andere ontwikkelingsindicator, omdat hij erop staat dat elke concrete definitie van ontwikkeling de uitkomst is van — en alleen maar de uitkomst moet zijn van — een democratisch overleg.

Ondertussen vergroot de barst: het gelijkheidsteken tussen groei en ontwikkeling werd achtereenvolgens vervangen door een “sterk verband” (nog steeds het argument van de Wereldbank) en door een “is noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde voor” (Paul Collier). Maar ook die formulering is niet meer houdbaar. Met het probleem van de onduurzaamheid van de meeste ontwikkelde economieën in het achterhoofd, vergeleek een vooraanstaand ontwikkelingseconoom economische groei met technologie: ‘Het hangt er helemaal vanaf wie die groei genereerde, wie ze beoordeelt, wie ze reguleert en wie er toegang toe heeft’.

Een economie groeit niet als een gistdeeg op een warm plekje in de keuken die langzaamaan de ruimte van de bakplaat inneemt.

Maar er is ook een probleem met de meting van economische groei op zich. Een economie groeit niet als een gistdeeg op een warm plekje in de keuken die langzaamaan de ruimte van de bakplaat inneemt. Een rijzende economische taart wisselt en cours de route van gedaante, ze blubbert en schokt, ze lekt over de rand van de bakvorm en ten langen leste is helemaal niet duidelijk of het geheel nog wel eetbaar is.

Neem nu de Verenigde Staten, nog steeds, in termen van inkomen per hoofd, één van de rijkste landen ter wereld. De onderstaande figuur geeft de evolutie weer in het reële inkomen van de laagste 90% en van de hoogste 1% van de Amerikanen tussen 1947 en 2011. De figuur werd opgemaakt op basis van loongegevens en arbeidsmarktstatistieken.

Bron: James Galbraith (2016), Inequality, Oxford University Press, p. 88

Evolutie van het inkomen van de hoogste 1% en de laagste 90% van de bevolking in de Verenigde Staten van 1947 tot 2011 (indices, 1e kwartaal 1947 = 100)

Net na de oorlog en tot aan de oliecrisis van 1973 steeg het inkomen van de laagste 90% aanzienlijk, op 25 jaar tijd kon dit inkomen ongeveer verdubbelen. De volgende veertig jaar verdubbelde het inkomen per hoofd nog eens, maar niet zo voor de laagste 90%: daarvan bleef het inkomen op enkele schommelingen na stabiel, vooraleer sinds de financiële crisis van 2008 zelfs te dalen. De taart wordt dubbel zo groot, maar de stukjes worden kleiner voor 9 Amerikanen op 10.

De topverdieners van de rijkste 1% zagen hun inkomen over dezelfde periode meer dan verdriedubbelen.

De inkomensverdubbeling van de laatste 40 jaar komt met andere woorden volledig ten goede aan het resterende 10e. Daarbinnen nemen de topverdieners van de rijkste 1% dan nog eens de hoogste plaats in, zij zagen hun inkomen over dezelfde periode meer dan verdriedubbelen, en verdienen eind 2011 ongeveer tien keer meer dan de laagste 90%.

Deze gegevens vertellen niet alleen het verhaal van een stijgende inkomensongelijkheid temidden economische groei. Ze vertellen ook iets over deze groei zélf: wat drijft hem, waar wil hij heen?

Vooreerst is er een trendbreuk, ingezet sinds eind jaren ‘70: Terwijl de lonen van de laagste 90% en de hoogste 10% tot het einde van de jaren ’60 gelijk op gingen, groeien deze meer en meer uiteen.

James Galbraith, wiens team deze gegevens verzamelde, traceert deze ontwikkeling naar enkele hervormingen in het belastingstelsel in de VS tijdens het Reagan-tijdperk: enerzijds werd het inkomen van de rijkste toplaag minder zwaar belast en anderzijds werd het fiscaal voordelig gemaakt voor bedrijven om hun topinkomens ook meer en meer uit te betalen in de vorm van aandelen en extra bonussen. Dit stimuleerde de hoogste bedrijfskaders om op hun beurt ook hun eigen bedrijf op te zetten, eerder dan onder de vleugels van een reuzegroot moederbedrijf te blijven werken.

Fiscale en bedrijfseconomische verschuivingen

De verdubbeling in toplonen op 10 jaar tijd, ongeveer tussen 1977 en 1987, heeft niets te maken met een verdubbeling in de productiviteit van topmanagers, maar alles met deze fiscale en bedrijfseconomische verschuivingen, die overigens een negatief effect hebben op de verdienste van de de laagste 90%.

En dan moet de grootste sprong voorwaarts in de inkomensongelijkheid nog komen: Op de drempel van de 21e eeuw, wanneer het inkomen van de top 1% op vijf jaar tijd ongeveer verdubbelt. De ontwikkelingen in de ict-sector creëren superwinsten, die een aanzuigeffect hebben op verkopers van nieuwe innovatieve ideeën en op mensen die hun financiële middelen daarop willen verwedden. Sommige ideeën kunnen weliswaar slagen, de meesten zijn echter van het Lernout en Hauspie-type: welbespraakte innovatoren en goedgelovige financiers vinden elkaar en blazen een luchtbel op die enkele jaren later verdampt.

De tweede boost komt opzetten vanaf 2005, die is het effect van oververhitte financiële markten die vers kapitaal aantrekken met beloftes van hoge interesten, en dat kapitaal vervolgens investeren in vastgoed dat minder vast en minder goed bleek dan de naam suggereerde. Ook dit verhaal krijgt zijn unhappy end enkele jaren later.

Zo beschouwd is het verhaal van de economische groei van de Verenigde Staten dus tenminste ten dele niet meer dan een mooi verhaaltje

Zo beschouwd is het verhaal van de economische groei van de Verenigde Staten dus tenminste ten dele niet meer dan een mooi verhaaltje, dat voornamelijk inkomens herverdeelt van de goedgelovigen naar de praatjesmakers, beide toevend in de hoogste sferen van de economie.

Die avonturen spelen zich geografisch trouwens ook af in slechts enkele gebieden of gebiedjes: Silicon Valley (de ict-nerds), Manhattan (waar Wall Street ligt) en Washington DC (hoofdzetel van een aantal informaticabedrijven). Neem die plaatsen uit de analyse en de inkomensongelijkheid van de Verenigde Staten wordt gehalveerd, alsnog Galbraith.

Controlefraude

Toch zijn het geen onschuldige avontuurtjes: het effect van de crises van 2002 en van 2008 is telkens ook zichtbaar in de (negatieve) inkomens-evolutie van de laagste 90%. Economische groei kan je inderdaad faken, maar als puntje bij paaltje komt, is de neergang wél reëel.

Misschien is de grens tussen echt en fake soms moeilijk te trekken, in het heetst van de strijd over de volgende stap voorwaarts in de vaart der volkeren. Maar vanaf een bepaald punt kan je toch niet anders dan spreken over een variëteit aan vormen van witteboord-criminaliteit.

Galbraith spreekt van controlefraude, fraude begaan door mensen in controleposities: managers en experten die salarisgewijs op volstrekt legale wijze hun eigen bedrijf plunderen, Wall-Streetbankiers op zoek naar de ultieme gouden opportuniteit, bellenblazers en mensen die schermen met “bedrijfsrisico” dat eigenlijk “bedrijfsspeculatie” is.

Als de grens tussen echt en fake moeilijk te trekken is, heeft ons westers groeimodel een groot moreel probleem

Als de grens tussen echt en fake moeilijk te trekken is, heeft ons westers groeimodel een groot moreel probleem, bovenop het economische probleem dat het veertig jaar lang niet meer dan stilstand heeft kunnen realiseren voor 9/10e van de Amerikanen.

Angus Deaton, vorig jaar de Nobelprijs voor Economie, voegt daar ook nog een politiek probleem aan toe: de toegenomen rijkdom van de top 1% vertaalde zich intussen in toegenomen politieke lobbynetwerken in Washington DC. Ook democratische besluitvorming kan gefaked worden.

Galbraith leest in deze economische geschiedenis van zijn land een argument voor een kleinere rol voor Wallstreet en een grotere rol van de overheid in investeringsbeslissingen: de climax zal minder spectaculair zijn, maar het politieke voorspel van de besluitvorming leidt er haast automatisch toe dat de economische impact ervan tenminste breder gedeeld kan worden. Wordt vervolgd, niet tijdens de verkiezingen, maar erna, in de lobby.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift