Een optimist is een slecht geïnformeerde pessimist

De Ontwikkelaars

Uit peilingen blijkt dat de meeste mensen een te negatief beeld hebben van de armoede in de wereld. Dat zou de zin om er iets aan te doen verminderen. Jan Van de Poel draait de redenering om. Het rooskleurig beeld dat door heel wat ontwikkelingsinstellingen wordt opgehangen vertroebelt het beeld evenzeer. Hij pleit voor realisme, zonder meer.

  • © Wiepke Boogaerts © Wiepke Boogaerts

‘Doemdenkers bedreigen uitroeiing armoede’, kopte De Standaard midden vorige week. Uit peilingen zou blijken dat een overgrote meerderheid van de ondervraagden denkt dat extreme armoede de afgelopen jaren is toegenomen terwijl die in werkelijkheid is gehalveerd.

Het feit dat de meeste mensen de strijd tegen armoede niet zien als een succesverhaal maakt dat ze ook afhaken wanneer het gaat over grensoverschrijdende solidariteit en ontwikkelingssamenwerking. Het doemdenken zou dan ook een rem zijn voor ontwikkeling.

Roze wolk

Eén jaar geleden toeterde de Wereldbank - nog steeds één van de belangrijkste instellingen in het armoedebeleid - triomfantelijk dat minder dan 10% van de wereldbevolking in extreme armoede leeft. ‘The best story of the world today’, sprak Wereldbankdirecteur Kim. Sinds 1990 was meer dan 1 miljard mensen uit de armoede gehaald. De “millenniumdoelstelling” om extreme armoede te halveren was al 5 jaar voor de deadline bereikt. De ontwikkelingsgemeenschap dreef op een roze wolk.

Vraag is of de mate en het tempo waarin extreme armoede afneemt wel reden is voor overdreven optimisme.

Dat de extreme armoede afneemt, betwijfelt niemand. Vraag is wel of de mate en het tempo waarin dit gebeurt wel reden is voor overdreven optimisme. De spectaculaire vooruitgang die de Wereldbank had te melden, was immers niet meteen het gevolg van het beleid van de afgelopen jaren, wel van een herziening van de rekenmethodes.

Al sinds de jaren 1970 doet de bank onderzoek naar armoede wereldwijd. Daarbij maakt ze gebruik van een armoedegrens die internationale vergelijkingen mogelijk maakt. In 1990 legde de bank die grens op 1 dollar per dag. Dat cijfer was gebaseerd op de nationale armoedegrenzen van de 15 armste landen. Die bedroeg gemiddeld om en bij de 370 dollar per jaar. 370 gedeeld door 365 dagen is dus min of meer 1 dollar per dag.

Om te kunnen vergelijken wordt de internationale armoedegrens uitgedrukt in koopkrachtpariteit. Dat wil zeggen dat die 1 dollar staat voor één mandje goederen dat in de VS één dollar zou kosten. Die 1 dollar kan dus niet zomaar omgewisseld worden naar pakweg Indiase roepies of Keniaanse shillings.

Eén dollar koopkrachtpariteit koopt evenveel in de VS, India of Kenia. Telkens wanneer betere data beschikbaar is over die koopkrachtpariteit moet de armoedegrens worden aangepast. Dat gebeurde in 1993 tot 1,08 dollar, in 2005 tot 1,25 dollar en eind 2015 tot 1,9 dollar. Die rekenkundige aanpassingen doen de armoedecijfers ietwat kunstmatig schommelen.

Door enkel naar de koopkracht in de armste landen te kijken, blijven armen in rijkere landen buiten beeld.

Bovendien zijn die cijfers niet gebaseerd op een absolute waarheid, maar op statistische verwerking van vaak zeer onvolledige data. Zeker in de armste landen schiet datacollectie tekort. Hoewel verschuivingen op mondiaal niveau relatief beperkt blijven, zien we op niveau van individuele landen soms vreemde zaken. Zo zakte de armoede in een land als Nigeria bij de vorige herziening in 2005 plots met 20%. Het armoederisico was er dus met een vijfde afgenomen terwijl er op het terrein weinig was veranderd.

Door één eenvoudige monetaire drempel te gebruiken, maak je gemakkelijk vergelijkingen mogelijk tussen landen maar verberg je ook het multidimensionele karakter van armoede. Armoede gaat niet alleen over dollars, maar ook over kansen en participatie. Door enkel naar de koopkracht in de armste landen te kijken, blijven armen in rijkere landen buiten beeld. Ook in middeninkomenslanden zoals China of Brazilië of zelfs in OESO-landen bevinden zich heel wat armen gemeten naar de nationale armoedemaatstaven. Op die manier levert de internationale armoedelijn een grove onderschatting op van de werkelijke omvang van armoede.

Mentale update

En ander voorbeeld van ietwat misplaatst optimisme is de beslissing van – alweer – de Wereldbank om in haar rapporten niet langer van “ontwikkelingslanden” te spreken. De verschillen tussen pakweg Mexico en Malawi zijn dermate groot dat het label “ontwikkelingsland” alle relevantie heeft verloren.

Hans Rosling, de bekende Zweedse cijfergoochelaar, noemt de term zelfs “intellectueel lui” omdat de kloof tussen “ontwikkelde” en “ontwikkelingslanden” gewoonweg niet langer bestaat en het armoededebat vooral gaat over ongelijkheden binnen landen, meer dan tussen landen. Dichter bij huis wordt vaak gezegd dat we in feite allemaal “ontwikkelingslanden” zijn.

De aanpassing van de bank gaat veel verder dan een louter technische aangelegenheid. In een blogbericht stelde Wereldbank-econoom Tariq Khokar dat het hem ook te doen is om een “mentale update van de publieke opinie”.

Het zou louter een kwestie zijn van tijd vooraleer de kloof helemaal wordt geducht en het idee van een “developing world” in de prullenbak kan.

Dat laatste is natuurlijk niet zonder risico. In het Verenigd Koninkrijk greep de Daily Telegraph die aanpassing aan om de definitieve overwinning van de globale markten op de armoede uit te roepen. Het zou louter een kwestie zijn van tijd vooraleer de kloof helemaal wordt gedicht en het idee van een “developing world” in de prullenbak kan.

Dat soort optimisme doet meer kwaad dan goed. Ook al zijn Malawi en Mexico even verschillende als appels en citroenen, moeten we toch even verontwaardigd blijven over armoede en onrecht aan deze en gene zijde van de Atlantische Oceaan. In de wereld na de globalisering blijven we dan ook best gewoon realistisch en goed geïnformeerd.

‘Een optimist is een slecht geïnformeerde pessimist’, verzuchtte cabaretier Theo Maassen. En wie goed geïnformeerd is, weet dat de zwartkijker noch de optimist op z’n roze wolk het bij het rechte eind hebben. Ontwikkeling is dan ook best gebaat met realisme en af en toe een kritische noot.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Policy and Advocacy Manager bij Eurodad

    Jan Van de Poel is Policy and Advocacy Manager bij het Europese ngo-netwerk Eurodad. Hij is er verantwoordelijk voor het beleidswerk rond effectieve ontwikkelingshulp.