'Filipijnse overheid moet zich focussen op grond en werk'

Op 13 mei zijn er parlementsverkiezingen in de Filipijnen. Zoals overal ter wereld is de economie een centraal thema. MO* sprak over armoede en ontwikkeling met Joel Rocamora, hoofdverantwoordelijke van de National Anti-Poverty Commission in de Filipijnen, een instelling die voorgezeten wordt door de president en een belangrijke rol moet spelen in het wegwerken van de diepe ongelijkheden in de Filipijnse samenleving.

‘Filipijnse economie groeide in 2012 met 6,6 procent.’ Het nieuws leidde begin februari tot enthousiaste voorspellingen over de toekomst van de Filipijnen als de nieuwe Aziatische tijger, die eindelijk aansluiting zou vinden bij de succesrijkere buurlanden als Thailand, Indonesië, Maleisië en Vietnam. Maar niet iedereen liep zo hard van stapel en verschillende commentatoren wezen erop dat sterke groei weinig betekent in een land met een zo uitgesproken ongelijkheid. President Benigno Aquino III erkent het probleem.

‘De kloof tussen rijk en arm, tussen de machtigen en de machtelozen, is te groot geworden. Er zijn te veel mensen die niet mee kunnen komen’, zei hij op 31 januari tijdens een toespraak in Manilla. Een kwart van de bevolking leeft onder de absolute armoedegrens, 79 procent van de Filipino’s behoort tot de lage-inkomenscategorie en maar 5 procent tot de bovenklasse. Ongeveer 66 procent van de 95 miljoen Filipino’s woont in steden en de bevolkingsaangroei in het land bedraagt meer dan het dubbele van het regionale gemiddelde. Samen betekent dat, volgens de Wereldbank, dat er tussen nu en 2016 minstens veertien miljoen banen moeten bijkomen om het werkloosheidsprobleem aan te pakken.

Volgens de krant Business World steunt de economische groei vooral op de steevast stijgende sommen geld die de ongeveer tien miljoen Filipijnse migrantenwerkers naar huis sturen. Volgens de jongste cijfers groeiden die stortingen in 2012 met 6 procent (tot 19,4 miljard dollar over de eerste elf maanden van het jaar).

Hoe kan de regering ervoor zorgen dat die indrukwekkende cijfers vertaald worden in inclusieve groei?

Joel Rocamora: Het grote probleem is dat het economische beleid toch heel sterk gebaseerd blijft op export. Nochtans zijn buitenlandse investeringen nagenoeg hetzelfde geblven sinds het aantreden van de huidige regering, ondanks alle lof dat de president vanuit het buitenland krijgt. Binnenlandse investeringen zijn met 25 tot 30 procent gegroeid, maar daar wordt weinig aandacht aan besteed.

De meeste aandacht in de Filipijnen gaat naar opkomende industrieën zoals toerisme en outsourcing van diensten (Business Process Outsourcing). Die doen het inderdaad goed, maar blijven afhankelijk van buitenlandse vraag. Bovendien leveren ze wel vreemde valuta op, maar dragen ze niet bij tot het verbeteren van de productiviteit. De andere grote bron van de groei van het bruto nationaal product zijn die stijgende remittances die Filipijnse migranten en werkers terugsturen naar de familie thuis. Maar dat geld wordt vooral geïnvesteerd in gebouwen of kleine dienstenondernemingen.

In 1986 werd een landhervorming ingezet die in principe tegen 2014 voltooid moet zijn. Heeft die herverdeling van grond bijgedragen tot armoedebestrijding?

Joel Rocamora: Als een overheid wil dat haar interventie in de economie betekenisvol en duurzaam is, dan moet ze zich richten op de twee zaken waarvan de armen afhankelijk zijn: grond en werk. Dertig procent van de Filipino’s woont op het platteland, zeventig procent van de armen wonen op het platteland. De landhervorming is over zo’n lange tijd gespreid dat de maatschappelijke winst voor een groot deel opgeslokt is door de algemene stagnatie van de landbouw. De meeste armen blijven een goedkope arbeidsreserve, actief in overlevingslandbouw of in de stedelijke informele sector.

De overheidssteun voor de landbouw heeft zich vooral gericht op rijstproductie, om zo de prijzen van dat basisvoedsel in de steden zo laag mogelijk te houden. Op dit moment zetten we met de NAPC alle zeilen bij om een armoedebestrijdingsprogramma voor kleinschalige kokosproducenten. Volgens de officiële cijfers zijn 3,5 miljoen families afhankelijk van de kokosindustrie, terwijl zestig procent van de kokosboeren onder de armoedegrens leeft. We zouden dat willen aanpakken met een grootschalig programma dat innovatieve toepassingen met onder andere kokoswater, kokosvezel en kokosolie steunt. Dat zou kunnen met het enorme kokosfonds dat gevuld is door een kleine belasting op de kokosproductie. Momenteel zit er 1,3 miljard euro in dat fonds, maar het is niet vanzelfsprekend om dat geld in te zetten voor de kleine boeren.

Moet de Filipijnse overheid niet meer inzetten op de KMO-sector die veel meer mensen tewerkstelt dan de grote, internationale bedrijven?

Joel Rocamora: Wij werken inderdaad samen met een nationale vereniging van sociale ondernemers om binnen de overheid meer steun te vinden voor KMO’s. Dat houdt betere kredietverlening in –op dit moment dient een groot deel van de microkredieten voor consumptieleningen van armen– maar ook een betere inschakeling in de grotere waardeketen. We proberen verder armere gemeenten beter te verbinden met stedelijke groeicentra.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur