Hoofddoekmoeheid

Een van mijn scherpste herinneringen uit het lager onderwijs, is een klasgesprek over een gebeurtenis in Frankrijk. Ik zat toen in het zesde leerjaar, en moet toen een jaar of tien, elf zijn geweest. Het voorwerp van discussie waren Franse moslimmeisjes die een hoofddoek wilden dragen, maar daarbij op een njet van hun schooldirecteur stootten. Dit incident leidde tot een brede commotie die tot in de klaslokalen van het Heilig Hart Instituut in Antwerpen reikte. Ik herinner me dat ik zo hard in de discussie opging dat ik een intense ‘nee!’ slaakte toen de bel ging, omdat dit ineens een abrupt einde van ons gesprek betekende. Het was, voor mij, een van de eerste klasgesprekken die mij niet alleen boeide, maar waar ik mij ook mee identificeerde.

  • Brecht Goris Nadia Fadil Brecht Goris

Intussen is het al erg gemilderd met mijn drang naar herkenning in maatschappelijke discussies. Zeker sinds de laatste tien jaar, waarin er bijna geen maand — wat zeg ik: week — voorbij gaat zonder dat we om de oren geslaan met ‘iets’ wat verband houdt met de Islam. 

De hoofddoek is zo’n thema dat sinds jaar en dag met gemak de kroon spant als geliefkoosd ‘Islam’ onderwerp. We hebben ze in alle geuren en kleuren gezien, en ook in alle vormen. Gaande van de gesluierde fashionata-moslima, de Belgische moslima die met vlag rond haar hoofd haar liefde voor dit land verklaart (iets waarvoor ze, in deze tijden van communautaire crisis, een prijs zou mogen ontvangen…), de onderdrukte gesluierde moslima, de kwade gesluierde moslima, de sympathiek gesluierde moslima, de feministische gesluierde moslima of de vrome gesluierde moslima… Bref, op tien jaar tijd hebben we een scala aan hoofddoekjes zien defileren die ons intussen zouden moeten duidelijk maken dat achter dit ‘stukje stof’ een waaier aan motivaties en realiteiten schuilgaat. 

Vreemd genoeg hebben deze jaren aan debat niet tot een groter inzicht of aanvaarding van dit kledingstuk geleid. Wel integendeel. Sinds 2003, het jaar waarin het tweede hoofddoekendebat van start is gegaan, lijkt er een alsmaar groeiende intolerantie te zijn tegen deze praktijk. Voor velen blijft de hoofddoek symbool van intolerantie, segregatie, vrouwenonderdrukking of sociale druk. Ook hebben we het aantal verbodsbepalingen in scholen, administraties of de werksfeer op dit kledingstuk alleen zien toenemen. Aanstaande woensdag 22 December gaan de pleidooien bij het Grondwettelijk Hof van start dat moet bepalen of de recente beslissing van het Gemeenschapsonderwijs om religieuze tekenen (i.c. de hoofddoek) uit haar scholen te weren grondwettelijk is. 

Maar niet alleen in het maatschappelijk debat, maar ook binnen het anti-racistische, linkse front lijkt zich een toenemende hoofddoekmoeheid af te tekenen. Hiermee bedoel ik niet het soort moeheid dat ertoe heeft geleid dat een aantal ‘linkse intellectuelen’ als een blok voor de rechtse lokroep vielen, en intussen vrolijk meedoen aan het islam-bashen.  Ik bedoel dan vooral die linkse vrienden die zich consequent anti-racistisch noemen, tegenstander verklaren van zo’n verbod, maar steeds vaker een diepe zucht slaan wanneer het thema wordt aangesneden. Achter die zucht schuilt een gevoel van verveling over het zoveelste debat dat met dezelfde, tot op de draad versleten, argumenten wordt gevoerd. 

Uiteraard is die hoofddoek niet belangrijk. Wat wél belangrijk is, is dat vrouwen en mannen, ongeacht hun afkomst, ongeacht hun huidskleur, ongeacht hun religieuze overtuiging, op gelijke voet worden behandeld en gelijke kansen krijgen.

 

Dialoog en discussie wordt meestal als een sokkel van onze liberale democratie gezien. Het heet dan dat debat goed is, en ons toelaat een beter begrip van elkaar te hebben, en dichter naar elkaar toe te groeien. Wanneer ik de evolutie van het zogenaamde Islam- en hoofddoekendebat aanschouw, en vooral de effecten hiervan — moet ik echter het tegendeel concluderen. Jarenlange discussies over de hoofddoek lijken vooral tot een toenemende vervreemding jegens dit kledingstuk en de draagsters ervan te hebben geleid, of tot een toenemende moeheid in de strijd tegen het verbod. Het restultaat is dat het openlijke racisme en discriminatie waarmee deze vrouwen worden geconfronteerd, normaal en aanvaardbaar lijkt te zijn geworden. Slechts weinigen reageren nog ontsteld op het feit dat gesluierde moslima’s niet langer op vrije basis een studierichting kunnen kiezen, dat ze slechts moeizaam een stageplaats vinden, en dat een job die hen aanvaardt mét hun hoofddoek een ijdele droom voor velen is geworden.

‘Is dat nu zo belangrijk, die hoofddoek?’, hoor ik dan een aantal linkse vrienden zeggen. ‘Moeten we nu zo’n staatszaak maken over een simpel stukje stof?’. 

Neen, de hoofddoek — op zich — is niet belangrijk. Alleen is dit kledingstuk belangrijk geworden door de debatten hierrond. In plaats van het als een onderdeel te zien van een religieuze praktijk van een aantal moslims, is dit kledingstuk symbool geworden voor ‘een Islam’ die ons angst inboezemt: een fundamentalistische Islam, een terroristische Islam, een vrouwonderdrukkende Islam. Dit laat ons toe moslims die niet op ons lijken, die zich niet gedragen zoals wij willen, uit die plekken te weren waarin we in contact met elkaar treden (de administraties, de scholen, de werkvloer). Dit laat ons toe deze moslims buiten de maatschappij te plaatsen, en te houden. 

Uiteraard is die hoofddoek niet belangrijk. Wat wél belangrijk is, is dat vrouwen en mannen, ongeacht hun afkomst, ongeacht hun huidskleur, ongeacht hun religieuze overtuiging, op gelijke voet worden behandeld en gelijke kansen krijgen. Gelovigen en niet-gelovigen, praktizerend en niet-praktizerend, moslim en niet-moslim. Dàt is de kern van het verhaal. Alle overige argumenten (sociale druk, fundamentalisme, onderdrukking) zijn drogredenen die er vooral toe dienen de bittere pil van de sociale ongelijkheid en discriminatie waarmee deze minderheden worden geconfronteerd, verteerbaar te maken. 

Dàt is de reden waarom ik als tienjarige niet begreep waarom die vier meisjes in Frankrijk geen hoofddoek mochten dragen. En dàt is de reden waarom ik vandaag, als éénendertig jarige, nog steeds niet begrijp waarom dit niet kan. 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Docent vakgroep antropologie KULeuven

    Nadia Fadil is docent bij de vakgroep antropologie aan de KU Leuven en verricht onderzoek naar multiculturalisme, etniciteit en ras, religie en Islam.