Hoog tijd om een kant te kiezen

Zonder dwarsliggers kunnen de treinen niet rijden. Volgens Jaap Kruithof zijn er in Europa en de VS geen dwarsliggers meer, geen echte linkerzijde, geen links verzet. Wij zijn ook niet meer het middelpunt van de wereld en dat is maar goed ook.
Vanuit een mondiale analyse heeft Kruithof natuurlijk gelijk (en zijn verhaal heeft grote overeenkomsten met de analyse van Jan Pronk) maar los van het feit dat het verhaal van Jaap Kruithof op dit ogenblik weinig wervend is en voor sommigen zelfs demobiliserend werkt gaat hij volgens mij iets te snel voorbij aan het verzet van honderden sociale bewegingen die zichzelf de andersglobalisten noemen en die geen enkele vergadering van de G8, IMF, Wereldbank of WTO nog laten doorgaan zonder protest. Die beweging is niet alleen radikaal voor een andere wereld maar formuleert ook alternatieven.
Heeft die beweging politieke macht? Wordt die beweging ondersteund door politieke macht? Neen, er is een grote breuklijn tussen de sociale bewegingen en de politieke partijen. Want de beweging der bewegingen wil een aantal breuklijnen met het neoliberalisme formuleren terwijl de politieke partijen, ook de sociaal-democratie, niet loskomen van het verhaal over de almacht van de vrije markt, terwijl er nog nooit een vrije markt geweest is, en zichzelf veroordelen tot weinig of geen correcties.
De andersmondialistische beweging is misschien op zoek naar een tweede adem, maar is als verzetsbeweging niet uitgeteld. In veel landen van West-Europa hangt de sociaaldemocratie intussen electoraal uitgeput in de touwen en is rechts aan zet. Ze heeft zichzelf ontdaan van haar ideologische veren en is daardoor niet meer in staat een tegenkracht te ontwikkelen.

Over lijken


Komt het ooit nog goed met de armoede in deze wereld? Jan Pronk was daar zwaar pessimistisch over. Weliswaar is de globalisering de laatste jaren een daverend succes. De markteconomie bloeit als nooit te voren. Maar tegelijkertijd is ditzelfde succes er de oorzaak van dat de armen meer dan ooit aan hun lot worden overgelaten.
De globalisering gaat volgens Pronk ‘over lijken’. De tegenstelling tussen arm en rijk wordt groter, het aantal armen neemt toe ondanks de plechtige belofte van de wereldleiders het armoedeprobleem voor 2015 te halveren. En dat gebeurt volgens de oud-minister allemaal ‘willens en wetens’, wat ook de titel is van zijn boek.
Dat willens en wetens slaat  op een wereldwijde middenklasse, die het proces van de globalisering stuurt en die niet anders kan dan de armen als een baksteen te laten vallen. „Als zij dat niet zouden doen, zouden zij zelf niet kunnen profiteren. Hulp - dat wil zeggen maatschappelijke bijstand, maar ook internationale ontwikkelingshulp - helpt onvoldoende.

Systeemverandering


De noden zijn te omvangrijk en de kosten te hoog. Het alternatief, systeemverandering, is strijdig met de belangen van degenen die de economische vooruitgang sturen en ervan profiteren. Politieke veranderingen ten gunste van een buitengesloten onderklasse komen steeds verder weg te liggen als gevolg van het succes van de globalisering zelf.”
Het verhaal van Pronk met een mondiale blik, staat haaks op het verhaal van Jan Marijnissen, die optimistisch is en hier verklaarde dat “het neoliberalisme over zijn hoogtepunt heen is en dat socialisme inderdaad mogelijk is”. Mijn motto leen ik graag van de Portugese Nobelprijswinnaar Saramago die zei: ‘De omstandigheden zijn erg bepalend voor de mens; dus, maak de omstandigheden menselijk.’ Maak de mens tot de maat van alle dingen. Zoek de menselijke maat.
Er ís reden voor Nieuw Optimisme, nadat in de achterliggende jaren het sociale denken, het socialisme, overal in de verdediging werd gedrukt door het als een vloedgolf over ons komende neoliberalisme. Inmiddels zijn voor veel mensen de nadelen van dat neoliberalisme zo duidelijk dat een kentering niet kan uitblijven.
De vergroting van de inkomensverschillen, de terugtredende overheid, de afbraak van de sociale zekerheid, de ontmanteling van de publieke sector, de liberaliseringen, privatiseringen en de propaganda voor de ieder-voor-zich-mentaliteit hebben veel mensen de ogen geopend.”
Als wervend verhaal is het verhaal van Marijnissen inderdaad deze week onovertroffen, en inderdaad heeft hij hier zoals de Morgen kopte “les gegeven in socialisme aan Vlaamse politici”. Maar mondiaal is de neoliberale kracht zo groot dat ik het optimisme toch even wil temperen. Ook de internationale ontwikkelingen: de stijgende mondiale ongelijkheid, de boomende economieën van China en India, de gevaarlijke klauwen van een grootmacht in verval zoals de VS maar nog steeds de grootste militaire macht ter wereld, de gevolgen van de voortdurende vernedering van grote delen van de Arabische volkeren, enz. worden te weinig opgenomen in dit verhaal dat vooral een nationaal verhaal is.

Linkse Zomer


We kunnen ons wel intussen opwarmen aan de Latijnsamerikaanse Linkse Lente, maar op weg naar een Linkse Zomer zullen er meer doornen dan rozen zijn. We hebben het debat gevoerd over de ecologische grenzen van de huidige groeieconomie waardoor de oude sociale kwestie, de strijd voor meer sociale rechtvaardigheid en gelijkheid, nieuwe dimensies krijgt.
We produceren niet alleen welvaart, we consumeren ook welvaart. Maar we consumeren ook de kansen op vooruitgang van miljarden mensen in andere delen in de wereld, want onze ecologische voetafdruk is zoveel malen groter dan de voetafdruk van de armen en we consumeren ook de toekomst van volgende generaties, van kinderen en kleinkinderen.
Een debat waar het socialisme van Jan Marijnissen misschien iets te weinig aandacht aan besteedt. Want wanneer je de ecologische verantwoordelijkheid moet introduceren in een wervend verhaal over solidariteit en socialisme, moet je ook pijnlijke boodschappen formuleren.

Geen pijn


De middenklassen, het grootste deel van het Westers electoraat, wil geen pijn. (600 toeristen gaan een proces beginnen tegen de stakers in Zaventem omdat ze hun vlucht gemist hebben)
De stad is het laboratorium van de kapitalistische globalisering. De meest positieve ontwikkelingen, zoals bijvoorbeeld technologische en sociale innovatie, maar ook de meest negatieve en perverse effecten, zoals armoede en uitsluiting, komen er tot uiting. Je kan zeggen dat de stad tegelijkertijd de belofte voor vrijheid en emancipatie, maar ook de zweep van de onderdrukking en exclusie in zich draagt. De stad belichaamt dus de dominante ontwikkelingen en posities op wereldniveau. Daarom heeft de sociale strijd in kapitalistische samenlevingen een uitgesproken stedelijk karakter.
De nationale staat houdt zich niet langer bezig met de taak sociaal-economische en politieke ontwikkeling min of meer gelijkmatig over haar territorium te verspreiden. Steden worden zo direct overgeleverd aan de internationale concurrentie voor kapitaal, prestigieuze projecten, toeristen en consumenten.
Dat heeft grote sociale en culturele gevolgen en een nieuwe methoden vanuit de politieke overheid om de dominante machtsverhoudingen in stand te houden. De overheidsuitgaven worden gesaneerd door privatiseringen, innovatie en ondernemerschap worden gestimuleerd, de verzorgingsstaat wordt afgebouwd. Waar vroeger iedereen toegang had tot de sociale zekerheid, wordt dit onder het mom van responsabilisering (eigen schuld dikke bult, de actieve welvaartsstaat) steeds meer voorwaardelijk. Deze economische en politieke veranderingen hebben enorm zware gevolgen voor de steden.

Staat en stad


Ten eerste neemt de armoede in steden toe door het inkrimpen van de sociale zekerheid. Men tracht aan wijkopbouw te doen om buurten er weer bovenop te helpen, maar dat stelt weinig voor in vergelijking met universele sociale zekerheid.
Ten tweede verschuift de controle op gedrag van burgers van de staat naar de markt - weeral verlies van democratische controle.
Ten derde komen lokale initiatieven meer op het voorplan. Als de staat niet langer tussenkomt zijn steden op zichzelf aangewezen en moeten ze zelf initiatieven nemen. Onder het mom dat de staat en de stad geen macht hebben schikt men zich naar de normen van de markt. Steden profileren zich als aantrekkingspolen van kapitaal en toerisme. Het politieke debat gaat deels ten onder door de hevige concurrentiestrijd, maar vooral door de aanvaarding dat er geen alternatieven zijn. Als er alleen nog ‘technische bemerkingen’ overblijven om de stadsvernieuwing goed te ‘managen’, dan wordt niet meer aan politiek gedaan.
Daarom blijven volgens mij mijn stellingen in het stedelijk debat overeind:
  1. De politieke overheden zijn niet alleen deel van de oplossing maar ook deel van het probleem (dat is een van de oorzaken van de huidige strijd van enkele burgemeesters in het debat over ondertekenen van uitwijzingen van mensen zonder papieren: via een ethische strijd proberen ze verloren gegaan politiek terrein te heroveren, zich niet te laten gebruiken als zuivere uitvoerders van hogere politieke echelons; een volgende stap zou kunnen zijn dat ze sociale en politieke rechten eisen voor deze uitgeslotenen en de sociaal-economische hefbomen afdwingen om deze mensen daadwerkelijk te integreren in een positief stedelijk project).
  2. Vermarkting (mondiaal en lokaal) maakt dat management en beheer belangrijker wordt dan politieke strijd. Bij elk stedelijk probleem of het zoeken naar oplossingen voor sociale problemen gaan de politieke partijen uit van de premisse van de markt. Daardoor wordt politieke strijd tussen partijen, ideologische tegenstellingen en strijd steeds minder belangrijk. Iedereen kan zeker op stedelijk vlak met iedereen besturen. Omdat politieke tegenstellingen naar de achtergrond verdwijnen blijft alleen nog “het beheren van de stedelijke orde” op de agenda. Er blijft dan de keuze tussen “goed bestuur” of “corruptie”.
  3. Daarom zijn politieke actoren storende elementen. Zij verstoren inderdaad het beheer van de stedelijke orde en komen dan ook nog meestal op voor de onderklassen en uitgeslotenen die het megalomane stedelijke succesverhaal ondermijnen. (daarom is er ook geen echte dialoog tussen politieke overheid en politieke actiegroepen). 
  4. Actiegroepen doen ofwel hun ding in de schaduw van de politieke overheid of doen niet aan “politieke strijd” (veroordelen zichzelf tot machteloosheid). Ze maken geen deel uit van de “politieke arena” (waardoor ze machteloos moeten toekijken op de “vermarkte vooruitgang in de steden” en aan de kant staan in naam van de uitgeslotenen zonder politieke tegenmacht te ontwikkelen). Politieke en sociale strijd is herleid tot symbolenstrijd, symbolische actie. (waarom bezetten we bvb niet het stadhuis als protest tegen de stijgende woningnood en gebrek aan sociale woningen? Waarom maken we dus van het stadhuis geen grote sociale woning tot wanneer de stedelijke overheid met een ambitieus plan voor de dag komt om de woningnoden te lenigen?)

Rijkdombestrijding


We buigen ons de laatste jaren vooral over armoedebestrijding (waarbij de armen soms meer worden bestreden dan de armoede) wanneer gaan we ons eens kwaad maken en werk maken van de “rijkdombestrijding”? Er is intussen een steeds grotere kloof tussen het arbeidsloon en dat van de topmanagers.
Terwijl topmanagers steeds meer opstrijken bepleiten de  werkgeversorganisaties dat de werknemers bereid zouden zijn om langer te werken voor hetzelfde loon. Intussen doen de CEO’s en topmanagers aan “exhibionistische zelfverrijking” zoals Wim Kok in Nederland het ooit noemde.
De politieke overheid slaagt er zelfs niet in om een wet te stemmen om de totale transparantie van de toplonen te bereiken, de graaitaks kent alleen politieke steun van Groen. Voor een vermogenskadaster is geen politieke meerderheid, en wanneer we willen ijveren voor de invoering van een vermogensbelasting, of meerwaardebelasting, of belasting op inkomen uit vermogen, waarbij we alleen maar vragen dat de meestvermogenden ook meer bijdragen aan onze sociale zekerheid, dan worden alle argumenten uit de politieke kast gehaald van “creatief belastingen ontduiken” tot “delokalisatie van de vermogens”.
Het is inderdaad gemakkelijker om arbeid te belasten, dus laat ons de vermogens met rust laten. Dat is de boodschap. Een boodschap van politieke onmacht of een gebrek aan politieke wil en moed? Of zoals Dries Lesage het gisteren verwoordde: “zelfs de progressieven, en ook de progressieve politici slaan veel te weinig op tafel, zijn te zacht geworden, ze beperken zich met kleuren in een kleurboek waarin de prenten ontworpen zijn door de tegenpartij.”

Mei 68


Toen ik twee maanden geleden de crematie bijwoonde van een vriend en oude strijdmakker dwaalden mijn gedachten naar het gedachtengoed van vrijheid, gelijkheid en solidariteit waarvoor we stonden. Het gedachtengoed van Mei 68. (en de grote sociale gevechten uit de 18e, 19e en 20e eeuw).
Een gedachtengoed dat de voorbije jaren door het slijk wordt gehaald,  op de schroothoop wordt gegooid. Natuurlijk door Filip Dewinter en het “nieuwe fascisme van het VB” maar ook door sociaaldemocraten zoals Louis Tobback en kristendemocraten zoals Mark Eyskens en Herman Van Rompuy.
Europa tot de meest competitieve economie ter wereld te maken. Voor die competitiviteit worden intussen allerlei sociale verworvenheden (vrucht van de naoorlogse sociale strijd) op de schroothoop gegooid, waarbij de sociaaldemocratische verzorgingsstaat, het West-Europese Rijnlandmodel, onder grote druk komt te staan en opschuift naar het Angelsaksische model, met de nadruk op individuele verantwoordelijkheid en veel minder op sociale solidariteit (en dus minder sociale zekerheid, dat is de betekenis van het verschuiven van het belang van de eerste pijler in het pensioenstelsel naar een tweede, derde en zelfs vierde pijler).

Salamipolitiek


Elke Europese regering probeert op dit ogenblik via een “salamipolitiek” (en de ene iets radicaler dan de andere) in schijfjes deze omvorming voor te bereiden en te realiseren. De regering Verhofstadt heeft het geprobeerd met het omstreden Generatiepact, dat na veel sociale onrust, stakingen en betogingen, gerealiseerd is als een eerste opstapje. Nu probeert men de vakbonden het schijfje “loonmatiging” te laten doorslikken, met als dreigende knuppel “de ontkoppeling van de index”.
Sommigen laten het ballonnetje van “het einde van de collectieve arbeidsovereenkomsten op” (o.a. Prof. Economie KUL Mark Eyskens). In Duitsland heeft de roodgroene regering de beperking van de werkloosheidsvergoeding in de tijd gerealiseerd vooraleer ze electoraal ten val is gekomen. In Nederland wordt de zorg uitverkocht en geprivatiseerd. In Frankrijk probeert men de arbeid (en vooral de jonge arbeider) zo flexibel te maken dat de precarisering (arbeidsonzekerheid, meer tijdelijke contracten) nog zal toenemen.
Een gedachtengoed dat velen van ons zelf in de steek gelaten hebben of toch niet volop meer durven verdedigen.
Het resultaat van de Franse presidentsverkiezingen drukt ons nog maar eens met de neus op de feiten dat het “neoliberale rechts” erin slaagt om een groot deel - niet alleen van de rijken en meestvermogenden - niet alleen de middenklassen van Jan Pronk, maar ook verschillende delen van de werkende klassen electoraal te overtuigen en ideologisch aan zich te binden terwijl ongenadig het erfgoed van Mei 68 wordt bestreden en op het zogenaamde “softe gedachtengoed” (via het softe gedachtengoed willen ze natuurlijk af van de radicaliteit van Mei 68) van Mei 68 wordt ingehakt.
Alsof wij de permissieve samenleving zouden zijn. Alsof wij geen normen en waarden zouden hebben.

Economische orde


Rechts herbouwt de maatschappelijke orde om de hegemonie van de economische orde te verzekeren. Daarvoor bedient zij zich van “De stem van de zwijgende meerderheid”. Rechts is inderdaad de “schaamte voorbij” en “rechts voor de raap”. De media bepalen intussen de krijtlijnen van het politieke debat voor de ideologische hersenspoeling. Ze zijn inderdaad “la pensée unique” geworden en de kampioenen van de “liberale vrijheid” (de vrijheid van de sterksten) onder het mom van de strijd voor de “moderniteit, de vrijheid van meningsuiting”.
Ze staan klaar - soms desnoods met steun van de sociaaldemocratie als het niet anders kan - het neoliberale programma uit te voeren om de verzorgingsstaat af te bouwen, de sterke staat uit te breiden, zoveel mogelijk arbeid te precariseren, de kracht van de vakbonden te breken, de macht van het financiële kapitaal te vestigen.
In Frankrijk is dat nu Sarkozy (Le Pen heeft het voorbereidende sloopwerk verricht), in Duitsland Merkel, in Nederland was het Fortuyn (nieuw onderzoek wijst uit dat moest Fortuyn nog leven 25% van het Nederlandse electoraat op hem zou stemmen, hetgeen een ander licht werpt op het opmars van de linkse SP van Jan Marijnissen) en zijn het vandaag Balkenende en Bos die de dans leiden (hier heeft Fortuyn ideologisch sloopwerk verricht).

Regionalisering


In België nemen Leterme en Bart De Wever de fakkel over met een verhaal over “regionalisering” (gevolgd door een deel van de leiding van de sociaaldemocratie) hetgeen natuurlijk moet uitmonden in de verdeling van de Vlaamse en Waalse werkende klassen (het ideologische sloopwerk tegen het erfgoed van Mei 68 is bij ons twee decennia lang verricht door het VB en zelfs de sociaaldemocratie heeft het nooit de  moeite gevonden dat erfgoed te verdedigen).
De sociaaldemocratie likt haar wonden na het jarenlange beheer van het globaliserende kapitalisme en de linkerzijde - links van de sociaaldemocratie - is verdeeld en versnipperd (en zit verstrikt in oude verhalen en oude concepten). De sociaaldemocratie en Groen strijden om het ecologische bewustzijn, terwijl - ook in Frankrijk - duidelijk werd dat Sarkozy een electorale meerderheid heeft behaald door het thema van de “veiligheid” door te drukken. Een thema waar links zich onbehaaglijk bij voelt omdat het vooral geen spook meer wil zijn.
Het spook van het Communistisch Manifest is nog steeds een prikkelend beeld voor de burgerlijke klassen. In Spectres de Marx (1993) stelt de filosoof Jacques Derrida dat Marx met dit spook verwijst naar een gevoel van Unheimlichkeit, het je niet meer thuis voelen in je eigen huis. Dit gevoel zal ook de rebellerende Franse jongeren niet vreemd zijn.
Het spokende onbehagen waar Derrida over spreekt, heeft niet alleen betrekking op de verliezers, maar betreft ook de winnaars van de vrije markteconomie.

Spoken


Derrida sprak van het ‘leren leven’ met spoken: de idee van morele verantwoordelijkheid voor hen die uitgesloten zijn van de samenleving. Het wordt dringend tijd om na te denken en fier ons erfgoed op te nemen.
Laten we dan ook dringend “samen” nadenken over ons erfgoed, onze alternatieven, onze vormen van verzet, een verzetscultuur die breuklijnen moet forceren met “la pensée unique”.
Zoals Eric Corijn aan aantal keren herhaalde in het begin van deze week: Het wordt tijd om kamp te kiezen. Of zoals Freek De Jonge het ooit zong: “Het wordt weer tijd om te bepalen waar het allemaal op staat”. En waar wij staan natuurlijk. In welk kamp we willen staan. Aan wiens kant we gaan staan.
Om toch nog te eindigen met Jan Marijnissen: “Het marktfundamentalisme en het monetarisme ondersteund door een doorgedreven concurrentiedwang en consumptieterreur hebben de ‘fundamenten van de beschaving aangetast’. ‘Mensen, neem je verantwoordelijkheid en dóe iets. Hou de samenleving bij elkaar.” Dat is de betekenis dit jaar van de Prijs voor de Democratie aan Tom Barman.
Dat is de betekenis van de strijd van de winnaars van vorig jaar: Chris Bens, Carla Ronkes, Marcel De Meyer en natuurlijk honderden andere mensen in onze steden die opkomen voor de uitgeslotenen: de mensen zonder papieren, de mensen zonder rechten, de mensen zonder macht, de mensen zonder stem, de mensen zonder toekomst.
Zij zeggen allemaal: “mensen neem je verantwoordelijkheid, doe iets. Kijk de andere kant niet uit.” Zij kiezen inderdaad kamp. Hun strijd houdt de samenleving bij elkaar. Zij herstellen het weefsel van de beschaving dat ondermijnt wordt door het sloopwerk van de markt. En zoals, een onbekend iemand, op een verlaten muur in Bogota, schreef: “Laten we het pessimisme voor betere tijden bewaren.”
Ik dank u allen en tot volgend jaar.

Eric Goeman organiseerde en modereerde weer een serie uitdagende politieke debatten tijdens de Gentse Feesten (ism MO*debat).

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift