Directeur Tomas Baum over het Vlaams Vredesinstituut

Voorbij de Groote Oorlog

Tomas Baum is directeur van het Vlaams Vredesinstituut, dat wetenschappelijk onderzoek verricht rond vredesvraagstukken. Op basis daarvan brengt het advies uit aan het Vlaams Parlement. MO* sprak met Baum over wapenhandel, de Europese Unie en de International Declaration on Flanders Fields. ‘Een politieke agenda is inherent aan bijna alle vormen van herdenking.’

  • Vlaams Vredesinstituut Tomas Baum Vlaams Vredesinstituut

Het Vlaams Vredesinstituut heeft verschillende taken. Hoe ziet u zelf de verdeling tussen die taken?

Het oprichtingsdecreet van het instituut voorziet vier opdrachten. De twee voornaamste bezigheden zijn onderzoek en advies, de bijkomende taken zijn het verzamelen van documentatie en voorlichting. Het onderzoekswerk is verdeeld over twee pijlers: wapenhandel en –productie; en vrede en samenleving. Wij hebben een secretariaat dat onafhankelijk onderzoek uitvoert en op basis daarvan geeft de raad van bestuur advies. Daar speelt de interactie tussen negentien bestuursleden die verschillende belangen van de samenleving vertegenwoordigen. De discussies zijn soms pittig, maar het advies is wel gedragen én gebaseerd op grondig onderzoek.

Een van de onderzoeksprogramma’s van het instituut is ‘Vrede en samenleving’. Dat is heel breed. Waar liggen voor uw instituut de prioriteiten?

In het verleden hebben we vooral verzamelonderzoeken gedaan over vrede in Vlaanderen en de rol van de media. Nu zijn we veel bezig rond “herdenken en herinneren”, en hoe dat kan bijdragen tot vrede in de samenleving. We werken daar rond in de aanloop van de herdenking van 100 jaar Eerste Wereldoorlog in 2014-2018. In de toekomst zullen we tevens onderzoek doen naar conflictmanagement. Veel conflicten kunnen door overleg worden opgelost en dat geeft ook een meerwaarde. Op het niveau van conflicthantering, bijvoorbeeld tussen groepen in onze hoofdsteden, is er nog werk aan de winkel.

Het Vredesinstituut heeft eind december advies gegeven over de International Declaration of Flanders Fields, een herdenkingsproject rond WOI van de Vlaamse overheid. Wat is uw visie daarop?

Wij hebben deze adviesvraag gekregen van het Vlaams Parlement. Zelf vind ik dat project een heel goede zaak. Nu kunnen we ons de vraag stellen: “Wat betekent WOI voor ons?”. We kunnen ook nadenken of er een specifieke boodschap voor onze maatschappij aan kan worden gelinkt. Ik denk dat de vredesidee in Vlaanderen – doorheen ideologische grenzen – veel weerklank vindt. Inhoudelijk zijn er drie interessante aanknopingspunten: de diversiteit in nationaliteiten tijdens WOI kan je zien als een begin in het ontvoogdingsproces van verschillende naties. Het tweede aspect is dat de eerste massavernietigingswapens uit WOI stammen. Dat soort terreur is nog steeds bijzonder actueel. Het verbod op massavernietigingswapens is dan een mogelijke actualiserende link die je kan maken. Ten derde is er de vredesboodschap. Zoals ik al aangaf, bestaat daar in Vlaanderen zeker een draagvlak voor.

Het gaat niet louter om het educatieve, er zit ook een politieke agenda vast aan de verklaring.

Dat is inherent aan bijna alle vormen van herdenking. Het is een gecontesteerd veld. Heel belangrijk is dat je herinnering en herdenking van niemand mag afpakken. Mensen zijn daar heel gevoelig voor. Ze hebben een bepaalde relatie met een gebeurtenis, bijvoorbeeld via hun ouders of voorouders. Men moet dat respecteren.

Het is duidelijk ook de bedoeling van de Vlaamse overheid om Vlaanderen als regio op de kaart zetten.

Hier zie je dat er, naast culturele (Belgisch-Vlaams-Commonwealth), ook politieke scheidingslijnen zijn. Het is ook een kwestie van geld. De Vlaamse regering besteedt veel middelen aan de herdenking van de Groote Oorlog. Als de Vlaamse regering hier enkele miljoenen euro in steekt zal dat niet met een Belgisch naambordje zijn, maar met een Vlaams. Op het federale Belgische niveau zet men daar zulke middelen niet tegenover. 

Er wordt gezegd dat de Europese Unie gezorgd heeft voor vrede na de twee wereldoorlogen. Volgt u die visie?

De essentie van de EU draait niet rond vrede, maar rond de creatie van een vrije markt. Er is een case te maken dat mensen die veel zaken met elkaar doen en samenwerken, ook minder gaan oorlog voeren, maar ik zie de EU niet als een groot vredesbrenger. In de praktijk is de socio-economische logica veel belangrijker. Nu ook met de nieuwe richtlijn die de defensiemarkt liberaliseert. Op zich kan je er moeilijk tegen zijn. Want door ook die markt vrij te maken, zal men in principe minder belastingsgeld moeten uitgeven aan defensieproducten. Op dit moment zitten daar vaak nog onbehoorlijke compensatieregelingen aan vast. Het probleem is echter dat men vanuit een zuiver economische logica niet genoeg bezig is met strategie en veiligheid. Daardoor staat het beleid voor uitvoer buiten de EU nog niet op punt en is er echt meer eenvormige controle nodig.

In Vlaanderen en Europa zie je de export en import van wapens momenteel stijgen. Vindt u dat Europa en Vlaanderen gewelddadiger worden?

Het is op de eerste plaats de export buiten de Europese Unie die stijgt en maar voor een stuk de handel binnen de EU. De export bestaat vooral uit onderdelen van tanks en hoogtechnologisch materiaal en ik denk niet dat dat een directe impact heeft op gewelddadigheid in de eigen samenleving. Wat je wel ziet in de Europese samenleving is dat door de strijd tegen het terrorisme de burgerrechten van mensen onder druk staan.

Heel belangrijk is dat je herinnering en herdenking van niemand mag afpakken. Mensen zijn daar heel gevoelig voor.

 

Wat specifiek de import van vuurwapens en munitie in Vlaanderen betreft, is er vooral een toename in waarde. Dat heeft drie oorzaken. Om te beginnen is de munitie gewoon duurder geworden. Ten tweede is er een hele nieuwe opportuniteit gecreëerd door de recente wijziging van de wapenwet. De markt is daardoor veranderd en de handelaars hebben hun stock aangepast. Daarnaast zijn er ook veel politiediensten bezig met het vernieuwen van hun wapenarsenaal.

Volgens jullie jaarrapport over de Vlaamse wapenhandel gaat 78 procent van de uitvoer gewoon naar de industrie zonder verdere controle. Doen we het dan slecht?

Vlaanderen levert vooral onderdelen en het is logisch dat die onderdelen verder gebruikt worden door de buitenlandse wapenindustrie. Aangezien Vlaanderen in de eerste plaats uitvoert naar Amerika en andere Europese landen, is het wel te begrijpen dat mensen er vertrouwen in hebben. Anderzijds kan het wel hypocriet worden. Door een resolutie van het Vlaamse Parlement levert Vlaanderen niets aan Israël, om evidente redenen, maar we leveren wel aan de VS en die leveren op hun beurt wel aan Israël. Economische imperatieven mogen niet zonder meer primeren. Vlaanderen is bevoegd voor economie, en heeft minder ervaring met de internationale strategische dimensie dan bijvoorbeeld het federale ministerie van Buitenlandse zaken.

Het onderzoek van het Vredesinstituut gaat in op een waaier aan vredesvraagstukken, maar hoe groot is de impact van jullie onderzoek eigenlijk?

Ik ben daar tevreden over. Het duidelijkste teken is dat we in het Vlaams Parlement, in andere parlementen en internationaal meer en meer aandacht zien voor ons onderzoek. Ook Belgische diplomaten en medewerkers van de Europese Commissie spreken bijvoorbeeld op onze conferenties. Als Vlaamse instelling zetten wij dan ook een internationale bril op. Dankzij de intrinsieke kwaliteit van ons werk krijgen we veel waardering. Maar we kunnen niet exact zeggen: dit of dat in de wereld is door ons veranderd. Het is wel zo dat mede door ons werk de besluitvorming rond bijvoorbeeld buitenlandse wapenhandel in Vlaanderen beter gebeurt en ook beter wordt opgevolgd door het parlement. De parlementsleden zijn immers beter op de hoogte. De uitdaging is om constructieve kritiek te geven op het beleid op een manier die voor de meerderheid — dus ook de regering — aanvaardbaar is en dat we niet in een oppositiehoek geduwd worden. Je moet de rol van het Vredesinstituut correct inschatten: wij zijn geen beweging en ook geen actor in het veld. Onze taak is het beleid te informeren en waar mogelijk te stimuleren. Ik zou wel 100 scholen kunnen bezoeken met een goede speech, maar we hebben meer impact als de minister van Onderwijs ons advies ter harte neemt. Dat belet niet dat we ons werk ook voor de georganiseerde middenveldorganisaties en geïnteresseerde burgers ontsluiten.

Wordt er vaak naar het advies van het Vredesinstituut geluisterd?

Het is opvallend dat men veel frequenter ons onderzoek of onze informatie gebruikt dan ons advies. Individuele parlementsleden gebruiken vooral onze onderzoeken om eigen posities te ondersteunen. Dit is ook normaal, want een advies neemt een bewegingsmarge weg, politici kunnen dan minder hun eigen positie laten bewegen in functie van belangen. Dat is zeker het geval in een domein als wapenhandel.

Vindt u dan ook dat uw instituut een maatschappelijk belang heeft?

Expertise wordt steeds belangrijker in complexe beleidsdomeinen. We genieten natuurlijk geen grote bekendheid bij de bevolking, maar we werken hieraan. Met een goede PR machine zou men naambekendheid deels kunnen kopen. Dat is niet onze manier. Ik bouw liever langzaam aan een degelijke reputatie die dan ook duurzamer is. Ook maatschappelijke bewegingen voor vrede zijn vandaag minder sterk dan vroeger. Toch kan je als capaciteitsinstituut met een langetermijnvisie en met een solide financiering van het parlement maatschappelijk belangrijk zijn. Je kan een expertise opbouwen en op dossiers wegen, niet door een belang te vertegenwoordigen, maar door kwaliteitsvolle informatie in het publieke domein te brengen. Binnenkort zullen we een nieuwe en dynamische website lanceren om ons werk op een toegankelijke manier onder de aandacht te brengen.

Wat ziet u als de grootste uitdaging voor uw instituut?

Als kleine organisatie kunnen wij op een gezonde manier en onafhankelijk functioneren. De grootste uitdaging blijft onze onafhankelijkheid bewaren. Vlaanderen en België zijn niet gewoon om met echt onafhankelijke instellingen te werken. Toch werden we vorig jaar positief geëvalueerd. Over de jaren heen hebben we een echte expertise kunnen opbouwen. Over een thema waar we vroeger een half jaar aan werkten, kunnen we nu soms in een maand iets afleveren. Het instituut zou wat mogen groeien, maar dat ligt budgettair zeer moeilijk. Daarnaast zou meer bekendheid in de Vlaamse samenleving niet misstaan, maar het moet wel op de goede manier gebeuren: door op verschillende momenten een stem te laten horen en niet door schandaal te maken. Verder zijn we als Vlaams instituut in Brussel goed geplaatst om ook het complexe Europa beter te begrijpen. Op Europees niveau zijn er nog veel interessante zaken aan te kaarten.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift