Lezersbrieven MO*55

Opinie

Lezersbrieven MO*55

Mozambique, trauma's bij vluchtelingen en sociaal Europa.

Mozambique

Graag wil ik reageren op het artikel van Stefaan Anrys over Vlaamse ontwikkelingssamenwerking in Mozambique (MO*54). Het is mijns inziens over het algemeen een informatief artikel geworden, dat hopelijk interessant zal zijn om te gelezen te worden door uw abonnees. Meneer Anrys heeft delen van het artikel van te voren laten lezen en corrigeren door mij, en, neem ik aan, ook door andere Nederlandstalige betrokkenen, iets dat ik bijzonder op prijs heb gesteld.
Ik ben echter toch teleurgesteld door enkele termen in het artikel, waarvan ik er één uitdrukkelijk had genoemd om te veranderen. Het is volgens mij niet juist om pejoratieve termen te gebruiken in de beschrijving van lokale bevolking of instanties, juist vanwege het verschil in macht tussen een journalist van een Vlaams tijdschrift en de lokale bevolking of instantie die dit niet eens zal kunnen lezen vanwege de taal. De term “hoertjes” is duidelijk zo’n term, die bovendien een bijzonder kwestbare groep beschrijft.
Ik had uitdrukkelijk gevraagd dat te veranderen in “commerciële sekswerkers”; de term “prostituees” elders genoemd zou nog min of meer acceptabel zijn, maar “hoertjes” is een overduidelijk denigrerende term voor vrouwen die over het algmeen door een bijzonder moeilijke sociale situatie gedwongen zijn sekswerk te verrichten om te kunnen overleven met hun familie. Zijzelf zullen zich tegen deze denigrerende aanduiding nooit kunnen verweren. Vergelijkbare voorbeelden in het artikel zijn „meisjes” voor de volwassen vrouwen die voor vroedvrouw studeren (ipv bv. „studenten”), en „ziekenhuisje” voor het gezondheidscentrum in Moatize, dat ruim 40 bedden heeft en een goed uitgerust laboratorium, en dat zorg verleent aan ruim 200.000 mensen in Moatize stad en het district.
Het valt me ook op dat de termen “meisjes” en “hoertjes” uitsluitend vrouwen aanduiden; ik betwijfel of vergelijkbare pejoratieve termen gebruikt zouden worden voor mannen. Aandacht voor gender ongelijkheid lijkt me ook niet overbodig in dergelijke artikelen.
Samenvattend wil ik met deze e-mail met nadruk begrip en vooral respect vragen voor de lokale bevolking en situatie, hetgeen zeker niet uitsluit dat er kritisch over ontwikkelingshulp wordt geschreven. In een tijdschrift als het uwe, dat zich bezighoudt met internationale samenwerking, lijkt me dit boven alle andere dingen belangrijk!
Diederike Geelhoed, coördinator ICRH project Tete, Mozambique

Trauma’s bij vluchtelingen

In MO*53 vraagt Stefaan Anrys aandacht voor de nood aan gespecialiseerde hulp voor vluchtelingen en geeft hij een sumier overzicht van het aanwezige zorgaanbod in België. In de laatste alinea wijst hij op ‘de relatieve afwezigheid van gespecialiseerde opvang in Vlaanderen die contrasteert met het veel grotere aanbod langs Franstalige zijde. Organisaties als Ulysse, Exil en Carda houden zich in Wallonië specifiek met die problemen bezig, terwijl het in Vlaanderen veeleer de “gewone” hulpverleners zijn die ook getraumatiseerde vluchtelingen en asielzoekers behandelen.’
Als voorzitter van de Vlaamse Stuurgroep Europees Vluchtelingenproject kan ik de kloof tussen nood en aanbod alleen maar bevestigen en dit onverminderd de toegenomen inspanningen van hulpverleners en organisaties langs beide zijden van de taalgrens. Wel is er een duidelijk verschil in visie tussen beide landsdelen om deze kloof te dichten. Zo hebben we er in Vlaanderen voor gekozen om de gespecialiseerde zorg voor etnisch-culturele minderheden zoveel als mogelijk te voorzien en te integreren binnen ons ‘gewoon’ zorgaanbod. Wat niet wegneemt dat heel wat van onze voorzieningen, vooral in de steden, ook via speciale teams onthaal en ondersteuning bieden aan vluchtelingen. 
Mogelijks heeft redacteur Anrys de ‘reguliere zorgvoorzieningen’ verward met ‘gewone’ hulpverleners. Zonder onze Waalse collega’s af te vallen, mag ik gerust stellen dat de Vlaamse prestaties zowel kwalitatief als kwantitatief mogen gezien worden. Wat wij verstaan onder “reguliere” voorzieningen zijn door de overheid erkende, gesubsidieerde en op kwaliteit gecontroleerde voorzieningen, zoals de Centra voor Geestelijke Gezondheidszorg en de Centra voor Algemeen Welzijnswerk.
Wij zijn van mening dat een structurele verankering binnen dit reguliere zorgkader de nodige garanties biedt op langere termijn op een voldoende, kwaliteitsvol zorgaanbod. Als stuurgroep trachten we de Vlaamse en federale overheden te overtuigen om deze visie bij te treden en de nodige middelen te voorzien. Vooral aan dit laatste ontbreekt het ons. De resultaten evenwel mogen gezien worden.
Jan Mampuys, Voorzitter Vlaamse Stuurgroep Europees Vluchtelingenproject

Sociaal Europa

Volgens het artikel in MO*53 over Sociaal Europa zouden er maar zes EU-Richtlijnen bestaan op sociaal gebied. Volgens mijn bescheiden mening gaat het om minstens 76. Het cijfer zes is ronduit belachelijk want er bestaan minstens twintig richtlijnen over veiligheid en gezondheid op het werk die de Belgische wetgeving diepgaand beinvloed hebben. Er zijn bijvoorbeeld ook   een tiental richtlijnen over veiligheid en gezondheid op het werk die de Belgische wetgeving diepgaand beïnvloed hebben. Er zijn bijvoorbeeld ook een tiental richtlijnen over informatie en consultatie van werknemers die opnieuw een reële impact hadden in België, denk maar aan de recente problematiek sociale verkiezingen in kmo’s.
Verder vermeldt de redacteur niet niet dat het Europees Sociaal Fonds sinds de uitbreiding ook middelen besteedt aan sociale insluiting en armoedebestrijding. In het artikel staat ook geen woord over sociale dialoog en niets over recente gevoelige versterking van de sociale dimensie in het Europese externe beleid. De besluitvorming inzake sociale zekerheid verloopt moeilijk omdat er consensus vereist is. Het is volstrekt waar dat de huidige Commissie (veel) meer zou kunnen doen maar de langdurige blokkeringen in de Raad van commissievoorstellen over de herziening van de maximumarbeidstijd en over uitzendarbeid zijn niet van die aard om de Commissie aan te sporen.
Rudi Delarue, DG Werkgelegenheid en Sociale Zaken
Reactie John Vandaele:
Ik erken dat mijn artikel onvolledig is en niet alle relevante aspecten van het Europees sociaal beleid omvat –wellicht is dit gewoon onmogelijk in een artikel van 5 pagina’s. Ik erken tevens dat ik inzake het aantal richtlijnen de bal missloeg. Excuus. Toch blijf ik vasthouden aan mijn stelling dat het sociale beleid tegenover het economische en ecologische het zwakkere broertje blijft. De EU komt op het sociale domein minder offensief voor de dag dan op die andere domeinen. Wel begrijp ik dat het je frustreert dat zo weinig mensen beseffen dat de EU een (beperkt) aantal sociale richtlijnen heeft uitgevaardigd die “bijten”, die zelfs in een land als België hebben geleid tot sociale vooruitgang.

Correctie

In het artikel over de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking in Mozambique (MO*54) is sprake van ‘een consultant van het Instituut voor Ontwikkelingsbeleid (IOB) van de Universiteit Antwerpen’ die in opdracht van Vlaanderen de Vlaamse ontwikkelingssamenwerking in Zuid-Afrika, Mozambique en Malawi doorlicht. In feite ging het om een wetenschappelijk medewerker bij het Vlaams Steunpunt Buitenlands Beleid (UA). Het steunpunt verricht beleidsvoorbereidend onderzoek in opdracht van de Vlaamse regering en is een consortium van de UA, UGent en de VUB. Het Nederlands Instituut Clingendael is partner van het consortium.