Lezersbrieven MO*71: Belgisch buitenlands beleid

Geert Jennes

28 januari 2010
Opinie

Lezersbrieven MO*71: Belgisch buitenlands beleid

John Vandaele legt in zijn artikel in MO*70 over de Belgische en Nederlandse diplomatie een boeiend meningsverschil bloot tussen ex-VN-topambtenaar Vandemoortele en professor Coolsaet. Het komt erop neer dat de ene meent dat België een vrij zwak buitenlands beleid heeft en de andere een vrij sterk.

Lees het artikel over de Belgische en Nederlandse diplomatie in MO*70
Misschien is één van de verklaringen hiervoor wel dat Coolsaet als outsider (vanuit een vrij comfortabel professoraat) wellicht vindt dat een ronkende publieke verklaring al “een beleid” kan worden genoemd? Dit terwijl Vandemoortele als VN-ambtenaar een insider is, die dag in dag uit met zijn neus op het pijnlijke feit werd gedrukt dat “een beleid” veel meer inhoudt dan het schetsen van wat grote lijnen.
Een land moet “een beleid” immers verdienen, elke dag, door dit beleid voor te bereiden, en vervolgens consistent uit te dragen, in de praktijk te brengen, bij te sturen en te verfijnen. Ja natuurlijk moeten we naar 0,7 procent ontwikkelingssamenwerking; ja natuurlijk zijn onderwijs & gezondheid sleutelsectoren voor ontwikkeling; en ja natuurlijk moeten schulden worden kwijtgescholden.
(En zelfs op deze vlakken behoort België traditioneel tot de meelopers, ook door de niet afhoudende greep van de minister van Financiën op de Bretton Woods-instellingen in België, zoals geschetst door John Vandaele.) Maar wat betekenen deze grote beleidslijnen in de dagelijkse praktijk op het terrein in een gemiddeld Afrikaans land? Dàt is de hamvraag.
Het is hier dat België al te vaak het schaamrood op de wangen komt als het aan tafel zit met andere donoren. Een belangrijke oorzaak is dat in België beleidsvoorbereiding nog altijd grotendeels wordt gemonopoliseerd door de overbevolkte en vaak wisselende ministeriële kabinetten, waardoor het er geen of nauwelijks eigenaarschap is bij de administratie die dit beleid zou moeten uitvoeren.
Het hoogste aantal beleidsmakers per capita ter wereld gaat in België dus samen met beleidsinconsistentie. Maar een minstens even grote oorzaak is de heterogeniteit van de Belgische federale politieke cultuur die beleidsconsensus steeds minder haalbaar maakt. Geen wonder dat Belgische diplomaten zich in het buitenland vaak moeten beperken tot grijze platitudes, ‘bij een glas en een lekkere maaltijd’, zoals Coolsaet aanbeveelt.
De afwezigheid van een consistent buitenlands beleid van België dateert daardoor al van veel vroeger dan 2007, toen de Belgische communautaire crisis manifest is geworden. Denk maar aan de stemming van de kapitale EU-dienstenrichtlijn onder de Paarse regering, toen België zich –om communautaire redenen– als enige EU-lidstaat moest onthouden.
Uit allerhande sectoren hoor ik hetzelfde liedje: als ambtenaren België moeten vertegenwoordigen op buitenlandse vergaderingen zijn ze vaak clueless over “het Belgische standpunt”. ‘La politique belge? C’est quelque chose qui n’existe pas!’, siste een voormalige hoogste vertegenwoordiger van België bij de Wereldbank mij destijds toe. Voor sommige ambtenaren is dat een reden om met verve hun ding te doen, voor anderen om uit hun nek te kletsen, maar de rest zwijgt zedig (soms mede gehinderd door kennis van zaken op het terrein).
Het contrast met landen als Nederland, Duitsland en Groot-Brittannië is des te pijnlijker: “beleid” wordt er als het ware met de paplepel aan de administratie meegegeven. België laat het publieke goed genaamd “een beleid” geweldig in de steek, met vaak onzekerheid en soms zelfs chaos op externe fora tot gevolg.
Geert Jennes (ex-Belgische Technische Coöperatie en ex-Belgische vertegenwoordiging bij de Wereldbank)