Ingewikkelde bedrading doet ontwikkelingsmotor starten

De Ontwikkelaars

Te pas en te onpas praten we in ontwikkelingsmiddens over de ‘motor van ontwikkeling’. Verliest dat begrip niet aan betekenis als we het gebruiken bij alles wat we enigszins belangrijk vinden? Jan Van de Poel vindt van wel en gaat op zoek naar de échte motor van ontwikkeling. 

  • © Wiepke Boogaerts © Wiepke Boogaerts

Inflatie. In economische middens is dat een woord dat doet huiveren. Het spookbeeld van permanente prijsstijgingen, spaargeld dat als sneeuw voor de zon wegsmelt en stijgende werkloosheid maakt dat we het met alle middelen willen bestrijden. Maar ook in het dagelijks taalgebruik hebben we er last van. Inflatie krijg je als je een begrip te vaak herhaalt. Dan verliest het betekenis.

In ontwikkelingsmiddens is de ‘motor van ontwikkeling’ vandaag voorwerp van inflatie. Ik heb het eens gegoogeld. Resultaat: na een reclameboodschap voor een nieuw aandrijfsysteem voor vliegtuigmotoren – ‘een beslissende stap in de motorontwikkeling’ – vond ik verwijzingen naar “vrouwen”, “sport en spel”, “cultuur”, de “familiale landbouw”, “migratie” en “religie”. Wat er ook van zij, het is duidelijk dat ontwikkeling een enorme motorkap moet hebben om al die motoren te huisvesten.

Will dollars save the world?

Maar laat ons eens kijken naar wat er werkelijk onder de motorkap van ontwikkeling zit. Tot nog niet zo lang geleden was de idee dat je vooral meer moest lijken op de ontwikkelde landen aan weerszijden van de Atlantische Oceaan. Dat moest gebeuren door het dichten van een kapitaalkloof via een transfer van Noord naar Zuid. Eigenlijk een soort Marshall-plan op globale schaal dus.

In “Will Dollars Save the World” betoogde Henry Hazlitt dat financiële hulp uit de VS het economisch herstel in Europa eerder zou vertragen dan versnellen.

Dat denken was zo dominant dat zijn kritische commentaar op het echte Marshall-plan journalist Henry Hazlitt z’n baan kostte bij de New York Times. Even later – in 1947 - schreef hij het fascinerende boekje Will Dollars Save the World waarin hij betoogde dat financiële hulp uit de VS het economisch herstel in Europa eerder zou vertragen dan versnellen. Tussen haakjes, dat boekje is een echte must-read. De kritiek die libertariër en adept van de Oostenrijkse school Hazlitt levert op de naoorlogse Marshall-hulp zou bijna letterlijk uit de pen van hedendaagse waarnemers als Dambisa Moyo en William Easterly kunnen gevloeid zijn.

Het Marshall-plan heeft echter wel gewerkt en dat heeft misschien veel te maken met het feit dat de nodige voorwaarden in Europa al vervuld waren. De infrastructuur, instellingen en hoge opleidingsniveaus van de werknemers hadden ongetwijfeld een ernstige knauw gekregen door de oorlog, de basis was er nog. In ontwikkelingslanden negeerde die Marshall-aanpak misschien de complexe internationale context en de specifieke realiteit waarmee elk land afzonderlijk worstelde.

Zelf-ontdekking

Op de ontwikkelingsaanpak à la Marshall kwam vanaf de jaren 1980 reactie uit linkse en rechtse hoek. Links stelde dat de kloof bewust in stand werd gehouden binnen een neokoloniaal bestel terwijl rechts vond dat de overdreven bemoeienis van de overheid in ontwikkelingslanden de onzichtbare hand in de boeien had geslagen waardoor de marktmagie niet kon werken. Beide hebben ze gelijk, of toch, allebei een beetje.

‘Ontwikkeling is noodzakelijkerwijs een proces van zelf-ontdekking.’

De laatste jaren komen nieuwe antwoorden die waarschijnlijk dichter bij de realiteit liggen. Voor de Turkse econoom en professor aan Harvard University Dani Rodrik is ontwikkeling noodzakelijkerwijs een proces van zelf-ontdekking.

Het volstaat niet om te zeggen dat landen hun grenzen moeten open gooien voor investeringen en handel of dat ze zich moeten toeleggen op “arbeidsintenstieve” productie. Ze moeten de ruimte krijgen hun eigen weg te zoeken. In economische termen betekent zelf-ontdekking dat ze op zoek moeten naar de onderliggende kosten om te bepalen wat wel en niet op duurzame manier kan geproduceerd worden.

Voor investeerders betekent dat grote onzekerheid. Als het lukt profiteren ook andere ondernemers mee van de vruchten van die ontdekking. Als het misloopt zijn alle kosten alleen voor zij die het risico namen. Daar ligt dan ook een cruciale rol voor ontwikkelingsbeleid. Dat moet die ontdekkingstocht mee begeleiden en aanmoedigen. Dat is ook de manier waarop landen als Korea en Taiwan het hebben aangepakt en met succes. Vaak levert die aanpak verrassende resultaten op. Wie had gedacht dat Korea furore zou maken met elektronica of dat India in de voorhoede van de digitale revolutie zou lopen.

Eilanden

Ondertussen blijkt ook die aanpak van zelf-ontdekking niet zonder problemen. Zo dreigt het gevaar dat louter eilanden van ‘moderniteit’ ontstaan zonder enige verbinding met de gehele economie die ter plaatse blijft trappelen. Dat dualisme is een enorme uitdaging in vele ontwikkelingslanden waar een hyperproductieve mijnbouw- of dienstensector het gebrek aan vooruitgang in de gehele economie maskeert. Opnieuw is er geen eenduidig antwoord. Rodrik zelf pleit voor ‘heterogeen’ ontwikkelingsbeleid. Opnieuw blijkt dus dat onder de motorkap van ontwikkeling heel wat knoppen zitten. Het komt er op aan de juiste knoppen in te drukken op de juiste moment om de motor te doen aanslaan.

 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2409  proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Policy and Advocacy Manager bij Eurodad

    Jan Van de Poel is Policy and Advocacy Manager bij het Europese ngo-netwerk Eurodad. Hij is er verantwoordelijk voor het beleidswerk rond effectieve ontwikkelingshulp.