Ontwikkelingssamenwerking is een bereiding zonder recept

Ontwikkelingsamenwerking staat onder druk. Het maatschappelijk draagvlak brokkelt af, zo tonen ons vele enquêtes. Politici bezuinigen fors op het budget. In deze omstandigheden zou je denken dat de ontwikkelingsmensen aan hetzelfde zeel trekken. Maar niets is minder waar, schrijft Ignace Pollet.

  • Brecht Goris Brecht Goris

Men beseft wel dat het anders moet, beter, effectiever. De meeste spelers in de arena hebben daarvoor hun eigen recept klaar. Het gevolg is even zo vaak profileringsdrang, zelfgenoegzaamheid en het onvermogen om ervaringskennis te valoriseren.

Tijdperk van de alchemie

In volle komkommertijd verweet kamerlid Wouter De Vriendt (Groen!) de Minister van Ontwikkelingssamenwerking dat veel van de Belgische bilaterale hulp neerkwam op budgetsteun aan corrupte regimes. Prompt kwam uit zowel kabinets- als uit academische hoek de reactie dat de tijd van de projecten nu echt wel achter ons lag.

Budgetsteun versus projecten, grote organisaties versus kleine, capaciteitsversterking versus studiebeurzen, elk model heeft zijn believers en critici. Toch kan van geen enkel model empirisch worden aangetoond dat het wel of niet werkt. Wetenschappelijk gezien bevindt ontwikkelingssamenwerking zich nog steeds in het tijdperk van de alchemie.

Voor alle duidelijkheid: ik ben overtuigd van onze morele plicht tot internationale solidariteit en betrokkenheid bij de onfortuinlijke regio’s op deze wereld. Dat neemt niet weg dat we kritisch mogen staan tegenover ontwikkelingssamenwerking, toch een van de voornaamste instrumenten van deze solidariteit.

Groter is beter?

Vorig jaar kreeg ik van de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO) de opdracht om een van haar projecten in Oost-Timor te evalueren. De jonge natie kampt met een demografische tijdbom die onafwendbaar tot massale jeugdwerkloosheid zal leiden. Met vele miljoenen Australisch ontwikkelingsgeld installeert ILO er daarom een stelsel van beroepsonderwijs.

Een vereiste van de donor was daarbij dat de beroepsopleidingen op Angelsaksische leest geschoeid worden, met vanuit de industrie gestuurde competentieprofielen en internationaal erkende certificaten. De lokale partner, het Timorese ministerie van Werkgelegenheid knikte. Tegen zoveel geld zegt men niet nee.

Tegelijk wemelt het in Oost-Timor van ngo’s en kleine organisaties die zich evenzeer met beroepsopleidingen inlaten. Vaak betreft het dan informele opleidingen tot bouwvakker, kok, landbouwer of ICT-specialist. Door de ILO-coöperanten en hun counterparts op het ministerie wordt hiernaar met enige dedain gekeken. Hun overtuiging is dat enkel grote projecten de hefbomen kunnen aanleveren voor systematische, duurzame ontwikkeling. Kleine initiatieven hebben alleen een plaatselijk belang en krijgen vaak het label amateuristisch opgekleefd.

Niet alleen leek me dit dedain totaal ongepast. Het stond haaks op mijn bevinding dat kleinere projecten in veel gevallen duurzamer en efficiënter zijn dan een brede nation-wide approach.

De overhead van de overheid

Vooreerst was de projectlogica gebaseerd op de aanname dat een adequaat geschoolde arbeidskrachtenreserve vanzelf investeerders zou aantrekken. Als dit al zou kloppen, dan hadden de projectplanners er geen rekening mee gehouden dat het ministerie en het bestaande onderwijssysteem niet de capaciteit hadden een dergelijk opleidingenstelsel uit te bouwen.

Zo’n stelsel omvat curricula, bekwame lesgevers, stageplaatsen en de nodige infrastructuur. Dit alles wordt niet zomaar in enkele jaren tijd op poten gezet. Dit maakt dat na vijf jaar hoop en al 6000 jonge Timorezen een voorbereidende beroepsopleiding gekregen hebben. Een aanzienlijk gedeelte van de middelen werd immers besteed aan het doen functioneren van een hardleers ministerie. Verder ging een kleine helft van de middelen op aan de salarissen van de coöperanten en de kortetermijnadviseurs. Wij in België zouden dit een ‘duur’ project noemen.

Het ILO-project bleek overigens zeer afhankelijk te zijn van de kleine initiatieven om hun doelgroep te vinden: de jongeren in de dorpen. Dankbaar doet men een beroep op missionarissen, kleine ngo’s en vrijwilligers allerhande om geschikte jongeren te selecteren. Tegenover de ‘droeve plicht’-mentaliteit van de ambtenaren stond het aanstekelijke enthousiasme van deze lokale sterkhouders, die meestal online contact hebben met een thuisfront in pakweg Duitsland, Zweden of Minnesota.

Ingrediënten niet voorhanden

Blijven die kleine projecten overeind? Niet altijd, uiteraard. De enthousiasmeur kan om welke reden dan ook verdwijnen zonder dat een evenwaardige evenknie in de plaats komt. Maar dat geldt ook voor grote projecten. Binnen de ILO-equipe was al een stevig personeelsverloop merkbaar. Dat viel evenwel nog mee in vergelijking met het ministerie, waar zowat iedereen die deftig een computer kon bedienen werd weggeplukt door grote bedrijven of… grote ontwikkelingsorganisaties. 

In bovenstaand voorbeeld zetten we grote projecten af tegenover kleine, met de impliciete stelling dat ze allebei bestaansreden hebben, en geen van beide automatisch het recept voor goede resultaten in zich dragen. Dit recept blijkt immers vaak alleen te werken in optimale omstandigheden, waar alle ingrediënten voor een goede maaltijd aanwezig zijn. Helaas is het nu net eigen aan ontwikkelingslanden dat die er niet zijn. De overheid is vaak te corrupt, de bevolking te laag geschoold, de etnische spanningen te hoog, banken zijn te weinig bereid krediet te verstrekken, enzovoort.

Gouden recepten

Bescheidenheid, nuance, wederzijdse tolerantie en bereidheid tot samenwerken zouden daarom het devies moeten zijn voor ontwikkelingsorganisaties. Helaas zien we dat dit niet gebeurt. Organisaties zitten immers niet alleen in een arena, maar ook in een markt. De markt van fondsen, subsidies, donateurs. Wat de een binnenhaalt, wordt de ander onthouden.

Vandaar dat ieder voorhoudt over het gouden recept te beschikken. Pogingen tot een betere afstemming (Millenniumdoelstellingen, OESO-verklaringen, …) blijven vaak in de ijle hoogte van de retoriek hangen. De publieke opinie is er alvast niet van onder de indruk.  Niet de zoektocht naar het juiste recept zou de opgave moeten zijn voor de ontwikkelingssector, maar het uitdokteren van een gezonde werkpraktijk. Want de toverformule bestaat niet. Resultaat komt er alleen door te leren uit ervaring en hard te werken.

Ignace Pollet doet aan de Leuvense Universiteit onderzoek rond Noord-Zuid issues. In deze reeks opiniebijdragen werpt hij een kritische blik op de taboes en limieten van ontwikkelingssamenwerking.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift