Ontwikkelingssamenwerking en de ontelbaren

Elk systeem heeft zijn blinde vlekken. Als die te groot of te talrijk worden, sputtert het systeem zelf en lost het de problemen niet meer op waarvoor het werd gecreëerd. De gerechtelijke wereld is daar een voorbeeld van. Door de steeds frequenter voorkomende vrijspraak wegens procedurefouten geeft ze blijk van een obsessie rond haar eigen reglement, wat naar het tegendeel van rechtvaardigheid leidt. Een ander voorbeeld is onze economie, waar de spelregels dermate ontspoord zijn dat ze in plaats van welvaartscreatie tot verarming leiden. Onverdachte bronnen als Noels en Degrauwe stellen nu openlijk het groeimodel zelf in vraag. Maar ironie is ongepast, want ook de meer filantropische systemen zoals ontwikkelingssamenwerking hebben hun blinde vlekken.

Oorverdovend stil

Deze zomer was ik in Mongolië, het dunst bevolkte land ter wereld. De etherische grasvlakten, enkel onderbroken door paarden, yurts en yaks, vormen er een verademing voor geest en zintuigen. Als vakantielectuur had ik Inferno bij van Dan Brown, een thriller over een boosaardig genie die de wereld leefbaar wil houden door er epidemieën op los te laten. Daarna las ik De ontelbaren van Elvis Peeters, een fascinerende roman over een plotse niet te stoppen toevloed van migranten. Hoe verschillend ook, beide boeken gaan uit van een gelijkaardig basisidee: er zijn meer mensen dan onze planeet kan dragen.

Wat fictie lijkt, kan realiteit worden. Toen ik geboren werd, waren er drie miljard mensen. Vorig jaar hebben we de kaap van de zeven miljard gerond. Als we optimistisch aannemen dat het aantal geboorten wereldwijd zal dalen door een verbeterd onderwijs- en welvaartniveau, herbergt de wereld in 2050 negen miljard zielen. Bij een constante fertiliteit komen we uit op twaalf miljard. Problemen krijgen we sowieso. Als iedereen op aarde de gemiddelde voetafdruk van de Amerikanen zou hebben, kan de wereld 1,5 miljard mensen aan. Bij een gemiddelde voetafdruk zoals in het hedendaagse India kunnen we dit optrekken tot 15 miljard.

Gezellig wordt deze drukte hoe dan ook niet. Op globaal vlak stellen zich de typische Club van Rome-uitdagingen: uitputting van grondstoffen, tekort aan bossen en zoet water, verschraling van de biodiversiteit. Op zowel de klimaatconferenties à la Doha of Kopenhagen als in de Millenniumdoelstellingen blijft het wat bevolkingsexplosie betreft oorverdovend stil. Ligt het thema cultureel te gevoelig? Of bevindt het zich buiten de klassieke scope van de betrokken experts?

Think globally, act locally

Op lokaal niveau kan je er nochtans niet naast kijken. In landen als Bangladesh en Haïti leven mensen nu al als haringen in een ton. Nigeria en Congo hebben tegen 2050 drie keer het huidige bevolkingsaantal. Om het hoofd te bieden aan voedselschaarste, epidemieën en uitputting van de bodem hopen sommigen misschien op technologische oplossingen, hierop rekenen durft niemand. Toenemende agressiviteit is een ander probleem. De Rwandese genocide zou nooit zo hevig gewoed hebben, als de mensen niet zo dicht op elkaar hadden gewoond.

Is hier een taak weggelegd voor ontwikkelingssamenwerking? Heel wat ontwikkelingsorganisaties zijn uiteraard actief op het vlak van onderwijs. Het is genoegzaam bekend dat het geboortecijfer daalt wanneer met name meisjes toegang krijgen tot middelbaar en hoger onderwijs. Alleen wordt dit effect pas na enkele decennia zichtbaar. Zoveel tijd is er wellicht niet. Andere organisaties werken rond wat men seksuele en reproductieve gezondheidszorg noemt. Dit omvat ook campagnes voor geboortebeperking. Dit boekt weliswaar resultaten, maar niet op maat van de op ons afkomende problemen.

Spreken helpt, ook in het Zuiden

Overbevolking aanpakken is geen gemakkelijke taak. Ook regeringen wagen er zich niet aan. De enige uitzondering is de eenkindpolitiek van het post-Mao China. De gevolgen inzake leeftijdspiramide en man-vrouw verdeling ten spijt, blijft dit een gedurfde interventie die de bevolkingsaangroei binnen aanvaardbare perken heeft gehouden. Alleen in China, met zijn autoritair regime en zijn tot in de verste uithoeken aanwezige partijkaders, is zoiets mogelijk. Elders ontbreekt de politieke wil of het draagvlak bij de bevolking. Als het lokaal gezag problemen van dergelijke omvang niet aanpakt, mag men dit dan van ontwikkelingsorganisaties verwachten?

Het antwoord luidt: ja. Uiteraard stappen we niet mee in de idee van sommigen die grootschalige sterilisatiecampagnes voorstaan. Dat zou alleen maar op verzet stuiten, en is dus verspilde moeite. Maar ontwikkelingsorganisaties kunnen een zaak die voor lokale politici cultureel gevoelig ligt, bespreekbaar maken. Van dorpsniveau tot op High Level meetings kunnen ze er de dialoog over openen. Een groot gezin wordt in veel culturen als een rijkdom beschouwd, maar toegang tot voedsel, water, onderwijs en een waardig leven tout court zijn dat ook. Als de juiste toon wordt aangeslagen, hebben mensen daar best wel oren naar.

En de projectboer, hij ploegde voort

Overbevolking is maar een van de blinde vlekken op de retina van de hedendaagse ontwikkelingssamenwerking. Een ander voorbeeld is cultuur. Ontwikkelingswerk wordt vaak in een structureel-moralistisch jargon gepresenteerd. Toen in 2001 de terroristen van Al Qaida hun aanslag op de WTC-torens pleegden, werd dit in eerste instantie als een Noord-Zuid conflict gezien. Intussen is die visie bijgesteld, maar cultuur blijft een fremdkörper binnen het ontwikkelingsdenken. Nochtans is een goed begrip van de lokale cultuur nodig – vaak verschillend van land tot land – om met enige kans op succes te kunnen bouwen aan een vakbondswezen, aan correcte arbeidsverhoudingen, aan politieke participatie of aan duurzame landbouw.

Andere blinde vlekken zitten dusdanig vervat in het bestel van ontwikkelingssamenwerking, dat je een buitenstaander moet zijn om ze te zien. Het verkappen van samenwerking tot projecten, bijvoorbeeld, staat haaks op de idee van duurzame ontwikkeling zelf. Het dient vooral het belang van de achterdochtige controleur. Daarnaast is er de flou artistique rond de identificatie van partners en projecten. Breed overleg en prioritaire urgentie vormen niet het criterium als de projectboer ergens neerstrijkt. De voorkeur gaat vaak naar een aantrekkelijk kader en een vlot bereikbare doelgroep. Dat oogt beter bij de projectevaluatie. De ontwikkelingswereld is in dat opzicht het wilde westen.

Out of the box denken, zo noemt men in workshops de oefening om blinde vlekken helder te krijgen en de blik te verbreden. Jammer genoeg nestelt men zich na de workshop opnieuw veilig in de roestig wordende box. De hond blaft, de karavaan trekt verder.

Ignace Pollet doet aan het HIVA-KULeuven onderzoek rond Noord-Zuid issues. In deze reeks opiniebijdragen werpt hij een kritische blik op de taboes en limieten van ontwikkelingssamenwerking.
 

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2859   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift