'Onze vleesconsumptie veroorzaakt mee de honger'

Pol De Greve over de campagne 'Maak ons overbodig' van Broederlijk Delen

Pol De Greve werd pas na lange omzwervingen bij de Voedsel-en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties, Plan International, en de Universiteit van Wageningen, directeur bij Broederlijk Delen. Hij licht de campagne ‘Maak ons overbodig’ toe en staat stil bij de voedselcrisis. Wie solidair wil zijn met het Zuiden, moet zijn gedrag hier veranderen.

  • Broederlijk Delen Broederlijk Delen

Meneer De Greve, kan u ons uitleggen waarom jullie voor de slogan ‘Maak ons overbodig’ hebben gekozen?

Dit jaar vieren we ons vijftigjarig jubileum en daarom wilden we uitpakken met een opvallende campagne. We proberen de aandacht van Vlaanderen trekken met een prikkelende slogan die vragen oproept.Het idee is gekomen toen we ons afvroegen of we ooit honderd zouden worden. We zouden het ergens wel erg vinden als we tegen dan nog nodig zijn. Maar onze geschiedenis van vijftig jaar is ook niet vlak. We zijn begonnen als noodhulporganisatie, terwijl we nu mensen in het Zuiden de kans willen geven om hun eigen plannen uit te voeren zonder hen dingen op te leggen en zonder tussen te komen.

Vijftig jaar geleden was dat anders?

We hebben verschillende stadia doorlopen. Van het steunen van technische projecten van bijvoorbeeld landbouwingenieurs naar integrale ontwikkeling, waarbij de lokale, civiele maatschappij wordt gezien als de motor van duurzame ontwikkeling. Voor die duurzame ontwikkeling hadden we vijftig jaar geleden minder aandacht. Maar door een kritische kijk op onszelf leren we uit die fouten en ondergingen we een spontane evolutie.

Vroeger waren we bezig met veel partners aan verschillende kleine projecten in tientallen landen. Nu concentreren we ons: we werken nog maar in twaalf landen, en telkens in één regio. Daar kunnen we dan een redelijke invloed hebben op de ontwikkeling. We zoeken partners en proberen de bestaande dynamiek te vatten en ondersteunen om zo een stimulator te zijn voor de ontwikkeling in een maatschappij. Het Haguraka programma in Burundi is daar een voorbeeld van. Een aantal Burundese boeren wilden niet meer afhankelijk zijn van noodhulp en zelf weer voedsel gaan produceren. Dat past perfect bij onze visie.

Dat voorbeeld geeft aan dat noodhulp ook een keerzijde heeft.

Noodhulp is noodzakelijk, maar je moet er op tijd mee stoppen. Zowel bij de gever en de ontvanger is dat vaak moeilijk. Ze maken die beslissing nooit samen. De coördinatie tussen ngo’s verloopt ook vaak moeilijk. Artsen Zonder Grenzen werkt bijvoorbeeld ergens gratis terwijl een andere organisatie een tegenprestatie vraagt van de mensen.  

Jullie proberen lokale ontwikkelingen te vinden maar je moet toch ook rekening houden met de bredere nationale en internationale omgeving. Anders word je werk zo weer weggeveegd?

Om ontwikkelingssamenwerking te doen slagen moet er aan een aantal voorwaarden voldaan zijn: handelsvoorwaarden, vrede en veiligheid, bestuurlijke voorwaarden,… In ontwikkelingslanden is dat dikwijls niet het geval en zo kom je steeds in een omgeving waar je zelf weinig vat op hebt. Sommige ngo’s proberen daarom de politiek in een bepaald land in een gunstige zin te beïnvloeden door bijvoorbeeld te wijzen op de zinloosheid van bepaalde maatregelen. Of we proberen lokale politici ervan te overtuigen dat die maatregelen kleine boeren benadelen. De directe hulp moet dus absoluut aangevuld worden met een aantal andere activiteiten zoals lobbyen.

Probeer je die complexiteit ook naar je achterban te communiceren om misplaatste ontgoocheling te voorkomen?

We communiceren duidelijk met onze achterban over wat we bereikt hebben en over de hinderpalen. We stellen ons de vraag hoe we in Oost-Congo ooit duurzame ontwikkeling kunnen brengen als er geen garantie op vrede en veiligheid is. Onze taak is: mensen motiveren en mobiliseren en de problematiek levend houden in Vlaanderen. Mensen moeten ons niet alleen steunen, maar ook politiek druk zetten. Of op partijen stemmen die zich duidelijk uitspreken voor rechtvaardiger handelsvoorwaarden.

Merk je soms vermoeidheid bij de mensen? Jullie zijn nu vijftig jaar bezig, en Afrika boekte kennelijk maar weinig vooruitgang.

Ik merk relatief weinig vermoeidheid. Ik vind trouwens dat er in Afrika de laatste jaren wel veel verbetering merkbaar is. Critici zeggen van niet en wijzen dan naar landen als Zimbabwe en Congo. Maar in het oosten en het zuiden van Afrika is er wel veel vooruitgang. Problemen inzake vrede en veiligheid, en goed bestuur zijn er nog altijd meer dan in andere continenten. Maar de belastingsinkomsten zijn er de laatste jaren verviervoudigd. Er ontstaat een middenklasse die meedraait in een formele economie en die gelooft in de rol van de overheid en betaalt belastingen. Zo bouw je een overheid op. Dat gebeurt ook in Azië: de opkomst van een consumptiemaatschappij. Carrefours maken er enorme winsten. Die opkomende middenklasse laat de overheid ook toe om zelf met ontwikkelingsprogramma’s te beginnen en minder afhankelijk te zijn van externe hulp.

Was de slogan eigenlijk populair in het huis zelf? Als jullie overbodig zijn, verliezen de werknemers immers hun job.

Een van onze hoofddoelen moet zijn: werken aan een zelfbewuste, groene economie die zoekt naar efficiëntere manieren om middelen spaarzaam te gebruiken. Als we doorgaan zoals nu, wordt het honger- en armoedeprobleem alleen maar groter.

 

We zeggen wel dat we overbodig willen zijn, maar dat zal toch nog even duren. Er komen steeds uitdagingen bij. De klimaatproblemen bijvoorbeeld die nu, vooral dankzij ngo’s, ook meespelen in het sociaal-economische debat. Een andere nieuwe uitdaging is de voedselcrisis. Wij gaan de komende twintig tot dertig jaar problemen hebben met onze voedselvoorziening. We zullen de juiste keuzes moeten maken.

 U hebt een verleden aan de gerenommeerde landbouwfaculteit van de Universiteit van Wageningen. Wat zijn volgens jou  de oorzaken van de voedselcrisis?

Een oorzaak is alvast dat klimaatverandering misoogsten veroorzaakt. Door de opwarming van de aarde krijgen grote delen van Afrika en Azië met droogte te kampen. In Indonesië zijn de weersomstandigheden extremer geworden. Zware stormen veroorzaken grote schade aan oogsten en infrastructuur. Voor arme boeren is dat dodelijk. Een tweede bekende oorzaak is de bevolkingsgroei. En dan heb je ook de verhoging van middeninkomens in landen als Indonesië, waardoor consumptiepatronen veranderen. Zij eten meer vlees. En je weet:  om een kilogram vlees te produceren heb je zeven kilo graan nodig.

De Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties zegt dat de voedselproductie tegen 2050 met zeventig procent moet toenemen. Maar zij trekken gewoon de lijn van de stijgende vleesconsumptie door. Dan wordt in 2050 de helft van de graanproductie gebruikt om dieren te voederen. En daar ligt ook onze verantwoordelijkheid. Wij in het Westen moeten onze consumptiepatronen veranderen en minder vlees eten.

Is dat iets dat Broederlijk Delen durft zeggen?

We zijn er al nauw bij betrokken, bijvoorbeeld met onze vastenactie. Maar we moeten als organisatie duidelijker en harder durven zeggen: onze vleesconsumptie is mee verantwoordelijk voor de honger en armoede in het Zuiden. Hopelijk inspireren we zo de mensen. Want specifiek hebben we dat nog niet gezegd, we hebben het wel vaak over soberder leven. Vanuit het idee van vasten: er moet dan gedacht worden aan de mensen in het Zuiden, maar ook aan ons eigen gedrag.

Is dat ook een nieuwe uitdaging voor ontwikkelingssamenwerking: niet alleen geld en middelen opsturen, maar ook ons eigen gedrag onderzoeken en proberen te veranderen?

Dat moet volgens mij een van onze hoofddoelen zijn: werken aan een zelfbewuste, groene economie die zoekt naar efficiëntere manieren om middelen spaarzaam te gebruiken. We willen condities creëren waarin het armoedeprobleem kan worden bestreden en uiteindelijk kan verdwijnen. Maar als we doorgaan zoals nu, wordt het honger- en armoedeprobleem alleen maar groter.

Minder vlees eten is dus een goede vorm van ontwikkelingssamenwerking?

Het is een goede vorm van solidariteit. Als het op een redelijke schaal wordt doorgevoerd, is het een niet te onderschatten bijdrage. We willen mensen daar niet toe dwingen, maar hen er wel bewust van maken. We kunnen ook marktmechanismen gebruiken. Vlees is nu relatief goedkoop. De prijs weerspiegelt niet de reële kost aan de maatschappij. Het invoeren van een vleestaks is een mogelijke oplossing.

Ons landbouwmodel van mechanisering en schaalvergroting komt de laatste tijd meer en meer kritiek. Het zou in ontwikkelingslanden niet de juiste aanpak zijn.

Het probleem in het Zuiden is niet de arbeid, maar het land. De beste manier om land te gebruiken is intensieve, kleinschalige landbouw met verschillende gewassen. Bij plantages ligt het financiële rendement wel hoger per individu, maar dezelfde oppervlakte land zou veel meer voedsel kunnen produceren. We moeten grootschalige landbouw niet volledig afbreken, het heeft ook voordelen. Maar er moet een redelijk evenwicht komen want de lokale bevolking heeft nu niet genoeg toegang tot voedsel. 

Europa zegt dat het zelf ook met mechanisering en schaalvergroting in de landbouw begonnen is, verwijzend naar de Industriële Revolutie. Maar dan negeren we stukken uit onze eigen geschiedenis. Mensen trokken hier van het platteland naar de steden omdat daar veel werkgelegenheid was. In Afrika is de migratie naar steden groter dan de groei van industrie. Ze hopen werk te vinden maar eigenlijk zouden ze beter op het platteland blijven.

Kijken we dan te selectief naar onze eigen geschiedenis om een goed advies te geven?

We geven dat advies vooral met onze eigen voedselvoorziening in gedachten. We zijn niet bezorgd om hun economie.

De Wereldbank heeft lange tijd niet in die kleine boeren geloofd.

Een jaar of drie geleden kwamen ze af met de zogenaamde ontdekking dat ze de kleine boeren vergeten hadden. Maar ze hadden die kleine boeren bewust gediscrimineerd onder invloed van allerlei economische theorieën. Ze wilden het belang van die sector niet zien. In de jaren zeventig investeerden ze er nog wel in, maar dan zijn ze gestopt. Pas op, we zijn wel blij dat het besef er is dat we de kleinschalige landbouw moeten heruitvinden. Daar werken ngo’s al heel lang aan. De markt creëert op zichzelf niet de voorwaarden voor ontwikkeling. Dat moet de samenleving doen en daarom zijn we als organisatie nog lang niet overbodig.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift