Over ver-/wantrouwen

Vertrouwen is iets vreemd. Het is iets wat je niet hard kan maken. Sommige mensen vertrouw je onmiddellijk, omdat ze iets uitstralen wat je geruststelt. Anderen krijgen niet zo makkelijk dat krediet van je. Het heet dan dat die persoon ‘wantrouwen uitstraalt’, dat je die ‘niet goed kan aanvoelen’. Maar in beide gevallen beslis jij of je vertrouwen ‘geeft’ of ‘schenkt’ aan iemand, op basis waarvan zich dan een relatie kan instellen.

 

Vertrouwen is echter niet louter iets dat menselijke relaties vormt en gestalte geeft. Het is een basiscement dat centraal staat in onze sociale interacties. Immers, de meest elementaire vorm van uitwisseling zou onmogelijk zijn zonder een basisvertrouwen. Het vertrouwen in het feit dat zowel ik als de ander op een verstaanbare en voorspelbare wijze zullen handelen.  Meer zelfs: hoe oppervlakkiger het sociaal contact, hoe meer ‘basisvertrouwen’ er in het spel lijkt te zijn om tot een vruchtbare uitwisseling te komen. Als ik in een winkel stap, vertrouwt de kassierster erop dat ik langs zal komen om te betalen. En ik vertrouwt er, op mijn beurt op, dat de kassierster perfect begrijpt waarom ik daar bent, dat mijn wandeling langs de winkelrekken en de goederen die ik opsla afgerekend zullen worden bij haar. Ik hoef haar zelfs niet te begroeten, of haar mijn intenties kenbaar te maken. Ze begrijpt ze onmiddellijk – of althans: ze herkent mij als een ‘klant’, en vertrouwt erop dat ik mij als ‘klant’ zal gedragen.

Een van de meest opmerkelijke vaststellingen in dit vertrouwensverhaal, die mij fascineert en tegelijk verontrust, is de wijze waarop we in staat zijn aan sommige actoren een mateloos vertrouwen te schenken, terwijl onze vertrouwensband met andere actoren niet alleen bijzonder fragiel is, maar in sommige gevallen zelfs volledig doorgeknipt.

Het eerst vinden we in het voorbeeld van de meest populaire politicus van het moment, onze eigenste Bart De Wever. Wat de waarde van opiniepolls ook moge zijn, er lijken sterke indicaties te zijn dat een groot deel van de Vlamingen deze man, als politicus, vertrouwt. Het heet dan dat hij integriteit en eerlijkheid uitstraalt, en rechttoe-rechtaan zegt waar het op staat. Dat hij aan het hoofd staat van een partij die openlijk het einde van dit land bepleit vergeten we graag gemakshalve, het doet er zelfs niet toe. Het ‘wantrouwen’ van de Franstaligen vinden we vergezocht, want voor ons blijft ‘onzen Bart’ een man van principes.

Zo groot is het basisvertrouwen in figuren zoals een Bart De Wever, zo fragiel is dat basisvertrouwen ten aanzien van een van de belangrijkste religieuze minderheidsgroepen in ons land de laatste jaren geworden, m.n. de moslims. Deze vertrouwensband is zo fragiel geworden, dat het niet alleen nodig lijkt te zijn geworden het ‘evidente’ uit te leggen (m.n. dat moslims er niet naar streven deze samenleving ‘over te nemen’, maar gewoon als ‘burger’ in deze maatschappij wensen te leven), maar dat deze ‘evidentie’ uitleggen steeds moeilijker lijkt te zijn geworden.

Tot twee maal toe hoorde ik vorige week die kleine zinsnede van onverdachte en ‘goedaardige’ medeburgers, die deze fundamentele staat van wantrouwen uitdrukte. Een eerste keer was tijdens een uiteenzetting voor een groep sinjoren in Leuven. Daar gaf een van de aanwezigen aan ‘bang’ te dat moslims het land zouden overnemen. Een tweede maal was later in de week, tijdens de herdenking van een overleden dierbare vriend. In één de speeches, gaf de spreker toe zich – in tegenstelling tot mijn overleden vriend – zorgen te maken over de Islam, en hier bang van te zijn.

Eens die vertrouwensbreuk er is, lijkt het bijna onbegonnen werk die te herstellen. Pogingen om mensen ‘gerust te stellen’, en hen uit te leggen dat het écht niet zo’n vaart zal lopen en moslims niets meer willen dan zich als burgers hier in onze samenleving integreren, krijgen dan een onwaarschijnlijk, bijna subversief karakter. Het ‘vanzelfsprekenende’ wordt radicaal, en het radicale lijkt steeds meer vanzelfsprekend te worden.

Allicht is dàt één van de meest destructieve effecten van het racisme en Islamofobie: de fundamentele vertrouwensbreuk die het veroorzaakt.”Een fundamentele vertrouwensbreuk die ertoe leidde dat publieke intellectuelen of activisten van Islamitische achtergrond de laatste 5 jaar op bijna systematische wijze op één of ander moment plaats mochten nemen in het ‘beklaagdenbankje’. De lijst is intussen lang aan het worden. Het begon bij Dyab Abou Jahjah, en bij onze Franstalige zuiderburen kwam Tariq Ramadan aan bod. Nadien kwamen respectievelijk aan bod: Bahar Kimyongür, Rachida Lamrabet, Nordin Saidi, Nordin Taouil, Mahinu Özdemir, ondergetekende, Fatima Zibouh, Samira Azabar, Souhail Chichah. De gemeenschappelijke rode draad: ‘kritische’ moslim zijn, en/of een hoofddoek dragen. In het geval van Fatima Zibouh (die de eerste gesluierde bestuurslid van het CGKR werd) en Mahinu Özdemir (die de eerste gesluierde Belgische volksvertegenwoordigster werd) volstond zelfs hun hoofddoek om hen tot verdachte stemmen uit te roepen.

Maar deze vertrouwensbreuk die het racisme veroorzaakt beperkt zich niet louter tot het verdacht (of zelfs onhoorbaar) maken van ‘kritische’ publieke intellectuelen of activisten. Deze breuk tast zelfs de meest elementaire sociale interacties aan. Zo zal diezelfde kassierster die erop ‘vertrouwde’ dat ik langs haar kassa zou komen om mijn goederen af te rekenen, met een groot wantrouwen het gedrag van een aantal jonge Marokkanen aanschouwen – en indien ze te luid worden zelfs de security agenten erbij halen. In sommige extreme gevallen is deze vertrouwensbreuk zelfs zo diep, dat het tot moord en doodslag kan leiden. In het Zweedse Malmö is op het moment van mijn schrijven een gewapende man aan het werk die het op de lokale minderheden heeft gemunt. Huidige saldo: 17 slachtoffers.

Racisme, en haar hedendaagse krachtigste afgeleide: islamofobie, gaat dus niet louter om een ‘discours’ over de ander. Het is een maatschappelijk proces dat onze meest elementaire, maar tegelijk meest fragiele, sociale band aantast: die van het vertrouwen. Eens deze band doorgeknipt is, lijkt het bijzonder moeilijk die te herstellen. Alle energie gaat dan uit naar mensen geruststellen, en de validiteit van mijn stem herstellen, deze terug ‘hoorbaar’ maken (meestal door mij te berusten op een resem wetenschappelijke rapporten verricht door mijn niet-Islamitische collega’s). Het is een vermoeiende oefening, een pijnlijke oefening, een noodzakelijke oefening, maar vooral een angstaanjagende oefening. Omdat op die momenten, op die eigenste momenten waarop ik mensen te woord sta en hen vooral probeer ‘gerust te stellen’, mij telkenmale een angst overvalt: dat ik niet langer als betrouwbare wetenschapster worden gezien, maar vooral als die verdachte ‘ander’. Die ‘ander’ die niet langer wordt geloofd, en dus ook niet langer wordt gehoord.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3153   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift