Jean-Pascal Labille: minder landen, meer geld voor Ontwikkelingssamenwerking

Het artikel “Ontwikkeling: Het budget smelt, vragen bij de impact“dat gisteren verscheen, bevatte nog niet de reacties van minister van Ontwikkelingssamenwerking Jean-Pascal Labille (PS) op een aantal vragen die we hem stelden. De hacking van Buitenlandse Zaken en de elektronische onbereikbaarheid speelden ons parten. In zijn schriftelijke reactie op onze vragen is de minister trots op wat hij bereikt heeft en formuleert hij een ambitieuze agenda voor volgende regering: minstens 0,7 procent van het bruto binnenlands product voor ontwikkelingssamenwerking (OS), effectieve uitvoering van de beleidscoherentie voor ontwikkeling, reductie van het aantal partnerlanden.

  • © FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking Minister Jean-Pascal Labille © FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking

De belangrijkste ambitie (buiten het budget) van de regering Di Rupo II voor OS was een sterke inzet op beleidscoherentie voor ontwikkeling. Zijn daarrond echte initiatieven genomen?

Jean-Pascal Labille: De versterking van de internationale solidariteit vereist niet alleen een doeltreffend ontwikkelingsbeleid, maar ook meer coherentie binnen het beleid in het algemeen. Ik denk daarbij in het bijzonder aan handel, landbouw, financiën, energie, milieu en veiligheid, om ervoor te zorgen dat het beleid op al deze vlakken niet nadelig is voor de ontwikkelingsdoelstellingen.  

Daarom stelden wij ons aan het begin van deze legislatuur als eerste grote taak om het Belgische beleid in zijn geheel coherenter te maken met de ontwikkelingsdoelstellingen. Naast de hervorming van de wet betreffende de ontwikkelingssamenwerking en de opstelling van een impactanalyse hebben we ook gewerkt aan een institutioneel mechanisme dat werd opgericht voor de beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling.

Om op het niveau van de administratie beter rekening te houden met de uitdagingen van de PCD (Policy Coherence for Development – beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling) en een goede coördinatie, keurde de regering een interdepartementale commissie voor de PCD goed die vandaag actief is. Naast het verhogen van het bewustzijn rond het belang van de PCD bij de verschillende administraties, heeft deze commissie de opdracht een ontwikkelingsvisie te bieden aan de instellingen die instaan voor de voorbereiding en de opvolging van de Europese en internationale bijeenkomsten met activiteiten in de verschillende gebieden van beleidscoherentie voor ontwikkeling.

Om te zorgen voor een onafhankelijke monitoring van de geboekte vooruitgang, keurde de ministerraad ook een Koninklijk Besluit goed voor de oprichting van een adviesraad over de PCD. Dat besluit is trouwens net in het Staatsblad verschenen. Deze raad bestaat uit deskundigen en heeft als opdracht de regering te adviseren over de uitvoering van de aanbevelingen van internationale organisaties rond de beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling.

Overigens is er ook een Koninklijk Besluit van kracht geworden dat de opstelling mogelijk maakt van een platform van niet-gouvernementele actoren rond de beleidscoherentie ten gunste van ontwikkeling. Dit platform zal zorgen voor een verdere analyse, evaluatie en sensibilisering rond de thema’s van de PCD.

Dit mechanisme is geïnspireerd door internationale aanbevelingen en door verschillende systemen die reeds in andere Europese landen bestaan, en maakt van België een van de pioniers ter zake.

Dit geheel heeft dan ook veel technisch en beleidsmatig werk vereist. Dat was echter wel nodig om ervoor te zorgen dat de kwestie van de beleidscoherentie niet afhankelijk zou zijn van de ene of andere politieke persoonlijkheid, maar dat ze wel degelijk kracht van wet zou hebben. Wat vandaag is gerealiseerd zal de volgende regering in staat stellen dit mechanisme voor beleidscoherentie ook daadwerkelijk uit te voeren.

De focus op Afrika, de Minst Ontwikkelde Landen en fragiele landen lijkt steeds duidelijker het Belgische ontwikkelingsbeleid te bepalen. Is dat een goede zaak? Welke problemen brengt het mee en hebben we de instrumenten en middelen om daarop te antwoorden?

Jean-Pascal Labille: Of het een goede zaak betreft is minder belangrijk, wel of het nodig is. Het antwoord is dan ja, overduidelijk ja! België beschikt wat ontwikkelingssamenwerking betreft over een echte expertise die elke dag opnieuw vast te stellen is in de projecten die worden uitgevoerd. Kan het nog beter? Natuuurlijk kan dat. Ik zou zelfs zelfs zeggen dat we beter MOETEN doen.  

Ik geloof dat we ons op enkele zeer veelbelovende projecten moeten concentreren. Dat maakt het mogelijk om onze krachten niet te versnipperen en zo een echt hefboomeffect tot stand te brengen voor de bevolking die we willen helpen.

Voor België betekent dat: zou het niet gepaster zijn om het aantal partnerlanden te reduceren? Deze vraag verdient volgens mij minstens enige reflectie en onderzoek. Ik ben ervan overtuigd dat we de verschillende partnerlanden nog beter kunnen helpen als ze minder talrijk zijn. De volgende regering moet zich hierover uitspreken.   

Dat geldt echter ook voor alle lidstaten van de Europese Unie: we hebben alles te winnen bij een betere coördinatie van de acties die de Europese landen in een bepaald land of regio voeren. Of we zouden ons ten minste kunnen concentreren op de doelstellingen die voor deze zone gesteld worden, de manier waarop ze behaald kunnen worden en de verdeling van de middelen die elk land voorziet. Dat zou een grote stap zijn ten voordele van de bevolkingen.

Elke staat zou dan inderdaad minder de mogelijkheid hebben om hetgeen hij zelf heeft gefinancierd te valoriseren, maar is dat per definitie slecht? Ik ben altijd van mening geweest dat ontwikkelingssamenwerking niet bedoeld was om ons een goed geweten te kopen, maar wel om de levens van de lokale bevolking te verbeteren.

Het budget is meerdere keren voorwerp geweest van besparingen. Moet de volgende regering een inhaalbeweging maken om de vooropgestelde 0,7 procent van het bbp voor OS te halen? En heeft DGD/BTC de capaciteit om echt hogere budgetten efficiënt en kwalitatief te besteden?

Jean-Pascal Labille: Ik ben op dit punt altijd erg duidelijk geweest: ja, de regering moet TEN MINSTE het niveau halen van 0,7 procent van het bbp voor ontwikkelingshulp. Ik heb er altijd op gewezen dat, indien de regering ervoor koos om het ontwikkelingsbudget te verminderen om een deel van de besparingen die nodig waren te realiseren, ze onmiddellijk opnieuw in deze sector diende te investeren eens ze uit het dal is. Daarom werd het budget van de officiële ontwikkelingshulp (ODA) dit jaar verhoogd. Laat het echter duidelijk zijn: 0,7 procent is geen plafond dat we moeten bereiken, het is een onderste drempel.

Europa kiest duidelijk voor een OS-beleid dat verbonden wordt met privé-investeringen. Volgt België dat beleid? Onder welke voorwaarden is het samenbrengen van overheidsmiddelen over ontwikkeling met privé-kapitaal een echte meerwaarde?

Jean-Pascal Labille: De publieke en private investeringen zijn complementair. Hoewel ze verschillende doelen nastreven, dragen ze allebei bij tot de ontwikkeling van een land. De overheidshulp investeert in essentiële sectoren waar private investeerders geen interesse in hebben omdat ze niet rendabel zijn; ik denk bijvoorbeeld aan het bestuur.

De private sector heeft echter de capaciteit om de lokale economie te stimuleren en die te doen groeien ten voordele van de burgers. Overheidshulp biedt ook het voordeel dat ze in principe voorspelbaar is: we weten wat we het volgende jaar, en ook het jaar erna krijgen. Dat is niet het geval voor private hulp.

Daarom is een betere samenwerking tussen private en publieke investeringen. Dat maakt trouwens een van de grote thema’s uit van het Italiaans voorzitterschap van de Europese Unie.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift