Radicale alternatieven in de maak

Op zoek naar ‘baanbrekers’ in onze samenleving voor het meinummer van MO* Magazine, sprak MO* met Anne Snick, coördinatrice van Flora vzw: een expertisenetwerk dat op participatieve wijze kennis, projecten en acties ontwikkelt rond gender, sociaal duurzame economie en kansarmoede.

  • Flora Genderanalyse van werk Flora
  • Olivia U. Rutazibwa Anne Snick, coördinatrice van Flora vzw Olivia U. Rutazibwa

Vlaanderen telt al heel wat vrouwenorganisaties. Wat maakt Flora anders dan de rest?

Anne Snick: ‘Flora werkt vanuit gender maar is geen vrouwenorganisatie. Heel veel vrouwenorganisaties ijveren voor een gelijke behandeling binnen het bestaande systeem. Maar dat systeem is patriarchaal en ongelijk. Het is heel belangrijk dat er meer gelijkheid komt, maar binnen dit systeem lukt dat enkel door weer anderen in een zwakkere positie te plaatsen. Flora stelt de structuren zelf dus ook in vraag en onderzoekt hoe die ongelijkheid in stand houden. Daarom werken we altijd op de intersectie, het kruispunt van uitsluiting. Niet alleen de vrouwen versus de mannen dus, maar ook de overlapping met scholingsgraad en etniciteit. Dat maakt het werk voor ons soms moeilijk omdat wij gezien worden als in concurrentie met sommige vrouwen. Bijvoorbeeld met de hooggeschoolde vrouwen wanneer wij aandacht vragen voor de laaggeschoolde of allochtone vrouwen. Wij zeggen echter dat beide nodig zijn. Maar het lost niets op als we allemaal Margaret Tatchers moeten worden. Dan kunnen we het evengoed aan de mannen overlaten. Meer vrouwen binnen het bestaande systeem heeft maar zin als we besluiten de dingen anders aan te pakken.

‘Alternatieven bedenken’, hoe begin je daar aan?

Anne Snick: Er bestaan al schitterende alternatieven, maar iedereen werkt in zijn of haar eigen hoekje. Wat we met Flora proberen te doen is hierrond een netwerk te vormen. Door een vocabularium en modellen te ontwikkelen en mensen en organisaties met elkaar in contact te brengen. Onze kennis ontwikkelen we vanuit de ontmoeting met de andere, via de zogenaamde “co-constructie methodiek”. In onze samenleving zijn laaggeschoolde, kansarme vrouwen bij uitstek die andere. Een centraal analysekader dat Flora doorheen jaren zo heeft kunnen ontwikkelen, is de genderanalyse van arbeid. In plaats van zich enkel te richten op de arbeid waar een loon tegenover staat, neemt die alle andere taken en functies –zoals zelfontplooiing en zorgarbeid– mee in rekening, en streeft naar een menswaardig evenwicht tussen al deze vormen van arbeid.’ (zie illustratie)

Levert dit dan zo’n verrassende inzichten op?

Anne Snick: ‘We trekken nog dagelijks onze ogen open. Neem het project rond burgerparticipatie bij mensen van verschillende herkomst. We gebruikten niet enkel verbale communicatie omdat ze zich dan niet op voet van gelijkheid zouden kunnen uitdrukken. Om te achterhalen wat participatie voor hen betekent, vroegen we hen om met klei rond hun gedroomde dorp te werken. Het waren overwegend Afrikaanse vrouwen en er kwamen vooral hutjes, baobabs en waterputten uit. We dachten dat we de verkeerde werkvorm hadden gekozen, maar achteraf bleek dat het precies een goede methodiek was om bloot te leggen dat we een totaal verschillend beeld van het ideale dorp hebben. Als we in België over integratie spreken, hebben we de reflex om de andere te zeggen dat hij of zij moet deelnemen aan ons dorp. Nu konden we vragen wat hier bij ons de functie van een baobab of waterput zou kunnen overnemen. Zij zagen zo dat er naar hen werd geluisterd, en participeerden aan de constructie van de notie dorp. Dat is de “co-constructie”: door samen te definiëren wat een dorp of samenleving kan zijn, creëer je die samenleving ook meteen. Beleidsmakers en sociaal werkers breken zich hoofd over het feit dat wij die mensen niet in onze structuren krijgen. Eigenlijk is het probleem dat de structuren geen antwoord bieden op hun problemen. Je begint totaal nieuwe pistes te zien als je naar de mensen luistert, en je beseft hoe blind we zijn.’

‘Burgerparticipatie’ is een vrij abstract gegeven. Gaat jullie werking ook op voor meer concrete situaties?

Anne Snick: ‘Ik geef een ander voorbeeld. Ooit hadden we een project rond de digitale kloof bij kansarme vrouwen. We hadden allerlei initiatieven opgezet maar het project kwam maar niet van de grond. Dan hebben we de gender-analyse van werk gemaakt: In welke context werken die vrouwen? We zagen in dat het in het gangbare efficiëntiemodel van betaalde arbeid nooit als rendabel wordt gezien dat kuispersoneel de computer leert gebruiken. Dat is iets voor het administratief personeel. Dus de betrokken vrouwen krijgen impliciet of expliciet constant de boodschap dat het niet rendabel is voor hen om de computer te gebruiken. Tegelijkertijd zeggen we: maar na de uren wel, want we willen niet dat er een digitale kloof is. Het toont dus dat armoede echt wel transversaal en niet lineair is. Want aan de ene kant hebben we een minister van werk die de kansarmen linea recta naar de arbeidsmarkt wilt brengen. Aan de andere kant is er een andere minister die de digitale kloof wil dichten. Als die twee dingen niet samen worden bekeken (transversaal) valt het niet op dat die elkaar tegenwerken.’

‘Het lost niets op als we allemaal ‘Margaret Tatchers’ moeten worden. Dan kunnen we het evengoed aan de mannen overlaten.’

Buigt Flora zich ook over concrete oplossingen voor grote samenlevingsproblemen die op iedereen van toepassing zijn?

 

Anne Snick: Neem nu het geval van ons pensioenstelsel. Vandaag stelt het Planbureau dat er te weinig jongeren zijn om de pensioenen in de toekomst te dragen. De oplossing die nu voorligt is het halen van mensen uit de Derde Wereld om onze pensioenen mee te betalen. Alsof die niet moeten sparen voor de mensen in hun thuisland. In ons lineair denken is dat echter een zorg voor onze minister van Ontwikkelingssamenwerking. Flora stelt dat je zorg ook op een andere manieren kan organiseren, op een niet-monetaire manier. De zorg kan gecollectiviseerd worden zonder die te vermarkten. We kunnen daarvoor eens gaan kijken hoe de minderheden het aanpakken. Want zij zorgen wel voor hun ouderen, zonder dat die pensioenen hebben of in de betaalde zorg zitten. Zo is er in Brussel het buurthuis Biloba, waar vooral allochtone senioren en mantelzorgers bij elkaar komen. Op die manier wordt de afzondering van zowel de senioren als de mantelzorgers doorbroken. Bovendien kunnen deze laatste daar ook opleidingen volgen die nuttig zijn, ook nadat de bejaarde komt te gaan. De huidige discussie over pensioenen wordt gevoerd alsof we op een roltrap zouden staan en we: ‘help help, we kunnen er niet meer af!’, zouden roepen wanneer de elektriciteit uitvalt omdat we zo geformatteerd zijn. Eigenlijk moeten we gewoon naar alternatieven zoeken. Dat is het verademende eraan: we moeten ons geen zorgen maken want het is niet omdat er geen geld is dat we niet meer kunnen zorgen.

Moeten we dan af van ons geldsysteem?

Anne Snick: Het is niet dat Flora het kapitalisme weg wil. Het komt er op aan om een evenwicht te vinden. Dit kan enkel als er naast dat bankengeld ook niet-rente geld is. Want het interest systeem zorgt er voor dat wie veel heeft meer krijgt en wie minder heeft nog meer verliest. De logica van het bankengeld maakt dat we niet allemaal rijk kunnen zijn. Wanneer Europa zegt dat het zeven miljoen mensen uit de armoede gaat tillen zijn er die steigeren omdat er wel 200 miljoen armen zijn. Ik zeg daarop dat Europa tenminste eerlijk is, omdat het binnen het huidig systeem niet anders kan. Het is een meevaller voor die 7 miljoen minder armen, maar structureel verandert er niets, want die armen zijn nodig om de rest van het systeem te doen werken. Om dat te veranderen is er een alternatief voor het rente geld nodig. Een valorisatie, een ruilmiddel, een afspraak binnen de samenleving van wie wat doet voor wat, voor de zorgsector. Voor dingen die we belangrijk vinden in de samenleving, — zoals kinderen helpen oversteken op straat -, maar die nooit concurrentieel rendabel zullen zijn. Dat alternatief ruilmiddel hebben wij ‘Fleuro’s’ genoemd. Als we een deel van ons belastingsgeld in Fleuro’s zouden moeten betalen, wordt iedereen bij wijze van spreken verplicht een kind te helpen oversteken omdat ze anders hun belastingen niet kunnen betalen. Een bijkomend alternatief geldsysteem is de enige manier om het huidige te doorbreken. Zo worden mensen of bedrijven die zorgtaken op zich nemen niet langer gestraft.

Hoe krijg je de politiek en het grote publiek mee aan boord voor zo een radicaal project?

Anne Snick: ‘Het politiek enthousiasme verschilt van niveau tot niveau, van gewest tot gewest en van minister tot minister. Op Vlaams niveau gebeurt het dat we projecten niet toegewezen krijgen, met als verantwoording dat de subsidiegever de indruk heeft dat we de samenleving willen veranderen. Bij de mensen van de POD Duurzame Ontwikkeling, die sowieso transversaal moeten werken, is er wel interesse. Vanuit Gelijke Kansen op federaal niveau krijgen we heel veel steun. We willen niet inspelen op mensen hun angsten. Wij hebben bovendien een heel complexe boodschap die je niet met één campagne aan de man kan brengen. Dat is ook onze ambitie niet. In plaats daarvan sturen we de geruststellende boodschap uit dat we aan een alternatief werken waaraan iedereen mag meedoen voor wanneer het bestaande systeem in elkaar stuikt, zodat we dan niet in een chaos terecht komen. We laten simpelweg telkens opnieuw zien dat je anders naar de dingen kan kijken.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2859   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur