Sociale bescherming voor de armen is povere sociale bescherming

De Ontwikkelaars

Het is niet dat beleidsmakers geloven dat armen lui zijn en al hun geld verbrassen. Wel geloven ze dat hulpprogramma’s makkelijker te verkopen zijn als de armen ook verplicht worden iets tegenover het uitgedeelde geld te stellen. De realiteit toont echter dat het “gezond verstand” vaak allesbehalve gezond is.

  • © Wiepke Boogaerts ‘De ontwikkelingssector moet leren te vertrouwen op de keuzes die armen voor zichzelf maken.’ © Wiepke Boogaerts

‘Disruptie’. Het is vandaag een modewoord in economische middens. Disruptie gaat over de manier waarop nieuwe technologieën en zakenmodellen de economie zoals we die vandaag kennen op de helling zetten. Snelle, ingrijpende veranderingen die nieuwe deuren openen, maar ook bijzonder pijnlijk kunnen zijn voor gevestigde waarden. Denk maar aan taxidienst Uber die mensen sneller en goedkoper van plaats A naar B brengt maar het bloed onder de nagels haalt van gevestigde taxibedrijven die alles volgens het boekje doen. Ook in ontwikkelingssamenwerking is sprake van disruptie, en dat is een goede zaak.

Geld geven

Disruptie verloopt niet zonder slag of stoot. Zo duurde het lang vooraleer de ontwikkelingswereld het idee aanvaardde dat gewoon cash geld geven – sociale uitkeringen dus - best een goede manier kan zijn om mensen vooruit te helpen. Hoewel dat voor u en mij - bewoners van een welvaartstaat - evident lijkt, was het dat allerminst voor de ontwikkelingswerkers.

Gewoon geld uitdelen gaat regelrecht in tegen vastgeroeste denkbeelden en intuïties. Het dominante idee is dat enkel experts in Washington of Brussel best weten wat arme mensen eigenlijk nodig hebben. Een uitgebreide machinerie moet ervoor zorgen dat die dingen vervolgens ter plaatse raken.

Cash transfers laten toe een minimuminkomen te voorzien voor mensen in landen met een chronisch tekort aan formele werkgelegenheid

Het mag dan tegen de intuïtie indruisen, toch blijken ‘cash transfers’ – ontwikkelingsjargon voor het uitdelen van geld – in heel wat ontwikkelingslanden een bijzonder succesvol antwoord op de uitdaging om een performante sociale bescherming op te bouwen. Cash transfers laten toe een minimuminkomen te voorzien voor mensen in landen met een chronisch tekort aan formele werkgelegenheid en daarmee gepaard gaande sociale bescherming.

Kijken we enkel naar de partnerlanden van de Belgische ontwikkelingssamenwerking, dan varieert die informele economie tussen 33% van bnp in Marokko, 47% in DRC tot meer dan 50% in een land als Tanzania. Voor midden-inkomenslanden liggen de cijfers paradoxaal genoeg nog hoger. In een land als Bolivia is 66% van de economie informeel, 75% van de totale tewerkstelling buiten de landbouw in de informele sector.

Ook in Brazilië wordt de informele economie ergens tussen 20 en 40% van het bnp geschat. Tegelijkertijd heeft het land één van de meest bekende en uitgebreide programma’s van cash transfers. Bolsa Familia bezorgt een inkomen aan bijna een kwart van de Braziliaanse gezinnen. In ruil daarvoor moeten die gezinnen voldoen aan een aantal voorwaarden op vlak van aanwezigheid op school en vaccinaties.

Het programma zou in 7 jaar tijd verantwoordelijk zijn voor 16% van de afname in extreme armoede en voor een kwart van de afname van ongelijkheid. Dat is best wel ‘value for money’ vermits het de Braziliaanse overheid niet meer kost dan 0,5% van bnp of 4% van de totale sociale uitgaven van het land.

Voor wat, hoort wat

Ondertussen woedt er een pittig debat of er al dan niet voorwaarden gekoppeld moeten worden aan het geven van geld. Voorstanders van conditionele programma’s vinden dat geld uitdelen enkel kan aan wie er ook iets voor doet. De werkelijke vraag moet echter zijn of het succes van dit soort programma’s te wijten is aan het extra inkomen dan wel aan de voorwaarden.

Onderzoek in Malawi, Kenia en Marokko in opdracht van de Wereldbank, steeds fervent voorstander van de conditionele variant, vond geen bewijs dat het koppelen van voorwaarden aan cash transfers een verschil maakt.

In een aantal gevallen bleken de projecten waar geld onvoorwaardelijk werd uitgedeeld zelfs effectiever.

In een aantal gevallen bleken de projecten waar geld onvoorwaardelijk werd uitgedeeld zelfs effectiever. Dat hoeft niet per se te verbazen. Stel je een gezin voor dat het doel voor bijvoorbeeld aanwezigheid op school op een haar na mist. In dat geval zijn de ouders gedwongen hun kinderen van school weg te houden en te laten werken om het verlies aan inkomsten te compenseren. In dat geval werken de voorwaarden zelfs contraproductief. Bovendien lijkt het vreemd dat een overheid de boodschap geeft dat een aanwezigheid van pakweg 85% best OK is, terwijl de eigenlijke boodschap moet zijn dat niets minder dan 100% aanvaardbaar is.

Draagvlak

De voornaamste reden waarom de fans van conditionele programma’s zo hardnekkig bij hun punt blijven, lijkt dan ook vooral politiek. Niet dat beleidsmakers geloven dat armen lui zijn en al hun geld verbrassen aan drank of blingbling. Wel geloven ze dat dergelijke programma’s veel makkelijker zijn te verkopen als er ook iets tegenover het uitgedeelde geld staat. Voorwaarden moeten de belastingbetaler het gevoel geven dat de armen niet zonder meer aan het publieke infuus hangen.

Opnieuw is er geen bewijs dat conditionele programma’s sterkere publieke steun krijgen dan onvoorwaardelijke. Wat misschien een verschil kan maken is een verbreding van dergelijke programma’s zodat ook de belastingbetaler die het programma financiert mee de vruchten plukt. De Zuid-Afrikaanse Child Support Grant is een goed voorbeeld. Dat bereikt bijna 60% van de schoolgaande kinderen.

De ontwikkelingssector moet leren te vertrouwen op de keuzes die armen voor zichzelf maken.

Dat een brede dekking leidt tot een breed draagvlak, zeggen ook voorstanders van het behoud van de universele kinderbijslag in ons land. Terwijl het IMF in een recent rapport vond dat onze sociale zekerheid een pak efficiënter kan door het kindergeld enkel voor de armste gezinnen te reserveren, waarschuwen experts voor het risico dat dat dat net de draagkracht van het systeem zal ondermijnen. Het gevaar bestaat dus dat een sociale bescherming voor de armen een arme sociale bescherming wordt.

In tegenstelling tot zaaigoed of schoenen geeft geld mensen de kans eigen keuzes te maken. De ontwikkelingssector moet leren te vertrouwen op de keuzes die armen voor zichzelf maken. Cash transfers kunnen daarbij helpen, maar enkel als het gaat om een eerste stap op de ladder naar een veel sterkere sociale bescherming als een systeem van publieke acties om levensonderhoud van mensen te beschermen en versterken.

Tegelijk moeten we opletten dat cash transfers niet gefinancierd worden door besparingen in basisdiensten als onderwijs en gezondheidszorg. Want wat ben je met een beetje cash in de hand als er geen leerkrachten zijn in de scholen of dokters in het ziekenhuis?

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2409  proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Policy and Advocacy Manager bij Eurodad

    Jan Van de Poel is Policy and Advocacy Manager bij het Europese ngo-netwerk Eurodad. Hij is er verantwoordelijk voor het beleidswerk rond effectieve ontwikkelingshulp.