Zuid-Afrika kijkt naar de ruimte

Eind mei was de Zuid-Afrikaanse minister voor Wetenschap en Technologie en voormalig minister van Onderwijs, Naledi Pandor, in Brussel om haar Europese collega’s warm te maken voor een Afro-Europese samenwerking rond wetenschap. De Zuid-Afrikaanse pijlen richten zich daarin op ruimtewetenschap en de grootse radiotelescoop die ze met internationale steun hopen te bouwen in Zuid-Afrika. ‘Iedereen is gefascineerd door de sterren,’ meent Pandor, ‘denk maar aan al die mensen die dagelijks hun horoscoop raadplegen.’ De minister ontving MO* in de Zuid-Afrikaanse ambassade in Brussel en deed haar visie op internationale samenwerking rond (ruimte)wetenschap en onderwijs uit de doeken.

  • MO*/Olivia U. Rutazibwa Naledi Pandor, minister van Wetenschap en Technologie van Zuid-Afrika MO*/Olivia U. Rutazibwa

Er zijn nog grote verschillen tussen Europa en Afrika als het over ruimte en wetenschap gaat. Hoe kan een samenwerking voordelig zijn voor beide partijen?

We kunnen niet zeggen dat we op voet van gelijkheid staan. Europa heeft een grote voorsprong qua ontwikkeling en vooruitgang ten opzichte van Zuid-Afrika. Maar wetenschap ontwikkelt zich door samenwerking. Wanneer wetenschappers ideeën uitwisselen, ontwikkelen ze een beter begrip van de verschillende systemen en ontdekken ze welke voordelen ze kunnen gebruiken in hun eigen onderzoek.

Wat sleept Zuid-Afrika uit de brand in zo’n wetenschappelijke samenwerking?

Voor ons is het zeer belangrijk dat onze wetenschappers toegang krijgen tot de Europese voorzieningen, om de ervaringen die ze opdoen in Europa toe te kunnen passen in hun werk in Afrika. Aan onze Europese collega’s illustreren we daarmee de idee van een wereldgemeenschap: een visie over samenwerken, vanuit het besef dat het concurrentiemodel niet erg nuttig is om de wereld te creëren waar we allemaal naar streven. Eigenlijk is het een kwestie van diversiteit. Het is een beetje zoals inzetten op vrouwen en zwarten: als je vijftig procent van een bevolking negeert, loop je heel wat talent en creativiteit mis. Zo zien wij deze relatie tussen Europa en Zuid-Afrika.

Blijft het voor de Afrikanen intussen vooral een kwestie van bijbenen?

Er moeten nog bepaalde capaciteiten verder ontwikkeld worden, maar we schuiven niet enkel als zwakke partners aan tafel. Zuid-Afrika heeft wetenschappers die erg competitief zijn op verschillende domeinen die Europa kunnen interesseren. Een van de uitdagingen waarvoor de wereld staat is HIV. In Europa denkt men vaak dat het om een Afrikaanse ziekte gaat, maar binnen enkele jaren zal het continent wakker worden en beseffen dat het ook een Europees probleem is. Wat wij in de ontwikkelingslanden tot dusver ontwikkeld hebben kan dan het Europees onderzoek aanvullen. Bovendien hebben wij ook wetenschappers waar Europa van kan leren op vlak van klimaatverandering en de bescherming van de biodiversiteit, maar ook op het vlak van irrigatie en droogte resistente zaden in de landbouw. Er zijn dus genoeg uitwisselingsmogelijkheden.

Hoe verschilt de samenwerking met Europa van die met andere landen zoals China, Brazilië of India?

Eerst en vooral heeft Europa de middelen die andere landen niet hebben. Europa investeert opmerkelijk meer in onderzoek. In Afrika, inclusief in mijn eigen land, investeren we vaak minder dan één procent van het totale Bruto Binnenlandse Product (BBP) in onderzoek en innovatie. In Europa investeren sommige landen er meer dan drie procent van hun BBP in. Europa is gebrand op zaken zoals klimaatverandering, astronomie en ruimtewetenschap. Wanneer we met China praten, leggen we andere wetenschappelijke klemtonen.

Zoals?

China heeft een zeer sterke textielindustrie en daar willen we graag van leren. Met de Brazilianen hebben we het over biotechnologie. India heeft veel ervaring met de omkadering van traditionele geneeskunde. Zo heeft elk land zijn eigen kwaliteiten. Maar er zijn natuurlijk ook gelijkenissen. Zo kwamen we enkele jaren geleden samen met collega-ministers van verschillende landen. Uit onze gesprekken bleek dat we allen met nano-technologie bezig zijn, weliswaar met verschillende toepassingen, zonder dat we er ons van bewust waren. In Zuid-Afrika gebruiken we het in de geneeskunde, in andere landen voor energie of water. Het is pas door overleg dat we ontdekten hoeveel meer we samen kunnen bereiken.

Astronomie is een bijzonder dure wetenschap. Waarom zouden Afrikaanse landen, die vaak heel wat andere katjes te geselen hebben, zich daar nu mee bezig te houden?

Het is niet dat we meteen een ruimteschip in elkaar willen knutselen. Het gaat om ruimtekunde die ten dienste staat van de ontwikkelingsuitdagingen van onze samenlevingen vandaag. We onderzoeken bijvoorbeeld wat we zouden doen in de satellietbouw. Vandaag betalen we in Afrika miljoenen en zelfs miljarden om satellietinformatie van andere landen aan te kopen. Onlangs werd Mozambique getroffen door zware overstromingen. Ze hadden beelden nodig om de overgestroomde gebieden te lokaliseren. Ze hebben toen aan Zuid-Afrika gevraagd om onze satellieten op de getroffen regio’s te richten en hen te vertellen wat er precies aan de hand was. Binnen 24 uur konden wij hen de juiste informatie geven en zo hebben zij effectief mensen kunnen redden. Ze hebben ons hiervoor geen miljoenen moeten betalen. Onderzoek naar andere planeten is voor de toekomst, vandaag gaat het dus om technologie die zich richt op de uitdagingen en beperkingen waar we vandaag voor staan.

Eerder was u minister van Onderwijs. Legde u toen ook de nadruk op de exacte wetenschappen en technologie?

Ondanks de inspanningen die ik als minister toen heb geleverd, studeren in Zuid-Afrika nog steeds te weinig jongeren wiskunde of wetenschap. Tezelfdertijd besloten we om studenten pas op latere leeftijd te laten specialiseren. Zodat jongeren eerst algemene kennis opdoen alvorens ze worden ingeleid in een specifieker vakdomein. Maar ik ben er nog steeds van overtuigd dat er meer jongeren nodig zijn in wetenschap, technologie en ingenieursopleidingen. Omdat het belangrijke sectoren zijn voor de problemen in onze samenleving vandaag.

Hoe staat intussen met het basisonderwijs in Zuid-Afrika?

Sinds de democratisering van Zuid-Afrika, is basisonderwijs verplicht. Het grootste probleem daarbij vandaag, is de kwaliteit van het onderwijs. We hebben scholen die het zeer goed doen, maar jammer genoeg ook scholen waar de kwaliteit heel laag ligt. De meerderheid van de scholen is arm en wordt bemand door incompetente leerkrachten. Maar als overheid werken we hard om deze problemen van de baan te krijgen.

In uw toespraken wijst u er op dat vrouwen en zwarten het vaakst slachtoffer zijn van die kwaliteitskloof. Vraagt dat om extra aandacht voor deze groepen?

Vrouwen zijn nog steeds in de minderheid aan Zuid-Afrikaanse universiteiten en al zeker in de exacte wetenschappen. Ze kiezen vaker voor humane of sociale wetenschappen. We stimuleren ze om toch voor een wetenschappelijke opleiding te kiezen. Zwarten zijn de meerderheid in Zuid-Afrika, dus hun aantal aan de universiteit zal sowieso toenemen. Maar het belangrijkste is dat we kijken naar de kwaliteit van de diploma’s die vrouwen en zwarten ontvangen en de kwaliteit hun onderzoek. We moeten dus eerder aandacht schenken aan datgene wat in de universiteit gebeurt, dan kijken naar kleur of geslacht.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3184   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift